Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g75 22/2 blz. 10-12
  • Wat weet u van wol?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Wat weet u van wol?
  • Ontwaakt! 1975
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • De „Corriedale” — een „nieuw” ras
  • De scheerloods
  • Een nadere beschouwing van wol
  • Activiteit het hele jaar door
  • Het spinnen van wol
  • Het wonder van wol
    Ontwaakt! 1991
  • Wij zijn schapenfokkers
    Ontwaakt! 1993
  • Wol
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Wol
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
Meer weergeven
Ontwaakt! 1975
g75 22/2 blz. 10-12

Wat weet u van wol?

Door Ontwaakt!-correspondent in Chili

SCHAPEN — duizenden schapen — als een wollen tapijt op de weg voor ons. Een ondoordringbaar tapijt ook, want we moeten met de auto stoppen, waarna we vol verwachting toekijken hoe de bereden herders in actie komen. Van de rand van de kudde fluiten zij commando’s naar de honden, die gretig reageren en deskundig hun charges tot één zijde van de weg beperken.

De kudde verandert in een massief bewegend tapijt van tegen elkaar gedrukte schapenlijven, sommige met de voorpoten springend op de rug van hun voorgangers, haast in paniek om maar weg te komen van de felle honden. We reden centimeter voor centimeter vooruit en onmiddellijk achter ons stroomden de wollige schapenlijven weer terug op de weg. Ten slotte waren we erdoor, en met een groet aan de mannen te paard vervolgden we onze weg.

Hoewel zulke schapenkudden een gewoon gezicht zijn op de wegen van Magallanes, de meest zuidelijke provincie van Chili, wisten wij toch, net als zovele anderen, erg weinig van deze wollige schepselen af. Hoe staat het met u? Wat weet u van schapen en wol? Niet zo lang geleden kwamen we interessante dingen aan de weet tijdens een bezoek aan een schapenranch.

De „Corriedale” — een „nieuw” ras

Schapen, zo ontdekten we, zijn in de loop van de jaren sterk veranderd. De exemplaren die we op de weg zagen, waren van een iets meer dan 100 jaar oud ras — de Corriedale — genoemd naar de ranch in Nieuw-Zeeland waar dit ras voor het eerst is ontstaan door kruising van een langwollig ram met een Merino-ooi en vervolgens door inteelt van het nageslacht.

Waar de fokkers naar zochten was een dier met bijna net zulke mooie wol als het Merinoschaap, maar met beter vlees en grotere weerstand tegen een ruig klimaat (zoals de langwollige variant bezat). En inderdaad wist men die eigenschappen in één ras te verenigen: de Corriedale, dat daarmee een ideaal schaap voor dit deel van de wereld werd. Het heeft zichzelf hier, in dit koude en winderige klimaat, een vaste plaats verworven.

Er wordt grote zorg betracht om de kwaliteit van het ras te behouden. Goede fokrammen worden drie jaar gebruikt en dan weer doorverkocht aan andere ranches om degeneratie van de kudde te voorkomen. Goede ooien laat men slechts vier jaar jongen werpen, waarna ze bestemd zijn voor de slacht. En elk schaap dat gebreken vertoont, gaat reeds vóór die tijd naar het slachthuis.

Wij troffen regelingen met de voorman van een schapenranch om rondgeleid te worden. En daar stond hij, bij de poort. Wij hunkerden er al naar om te zien hoe de schapen van hun wol werden ontdaan.

De scheerloods

Een ondefinieerbare mengeling van geuren en geluiden komt ons tegemoet als we de houten treden opsnellen van het trapje dat naar de ingang van de scheerloods leidt. Binnen blijven we een ogenblik staan om alle activiteiten te onderscheiden. Aan een hoge tafel, beladen met stapels wol, staat een man. Hij neemt een stuk wol, doet iets met zijn vingers en legt het dan opzij. Een grote machine perst opgerolde schapevachten, of beter gezegd wolvliezen, tot grote dikke vierkante bundels. En dan achter dat alles, aan het eind van de schuur, zijn de scheerders bezig. Jonge jongens rennen af en aan, met de „vliezen” van de scheerders naar de tafel en weer terug.

Naarmate we dichter bij de groep scheerders komen, neemt het geluid van de tondeuzes toe. Een „vacht-jongen” probeert even een tondeuze vast te houden die een ogenblik werkeloos op de grond ligt. Maar het sterke apparaat gaat zijn krachten nog te boven; het danst en springt in zijn hand, alsof het iets levends is. Door een rij kleine deurtjes worden de schapen uit de kooi buiten naar een van de scheerders geduwd, één tegelijk.

Met verbazingwekkende snelheid werpen de mannen dan het schaap op de rug, laten de tondeuze over de buik lopen, tot aan de binnenkant van de poten en dan rond de buitenkant, zodat de pootwol losvalt — waarna de nek aan de beurt komt, vervolgens de kop, de rug — enkele vlugge streken en zip! de hele vacht is los, aan één stuk.

„Alsof je een poncho uitdoet”, lacht de voorman, terwijl het schaap naakt en nog wat verbouwereerd naar een andere kooi rent. „Wist u”, zo vervolgt hij, „dat een goede scheerder 250 schapen per dag kan afwerken?”

„Dat is verbazend veel”, geven we toe. „Maar die man daar, bij die hoge tafel, waar is hij mee bezig?”

„O, dat is de wol-classificator. Komt u maar mee naar mijn kantoor, dan zal ik u laten zien hoe hij te werk gaat.”

Onderweg wordt onze aandacht getrokken door de grote in jute verpakte wolbalen die uit de reusachtige pers komen. „Eén zo’n baal weegt ongeveer 300 kilo”, zo wordt ons verteld. „Van hier gaan ze naar de stad om verwerkt te worden.”

Een nadere beschouwing van wol

„Hier”, zo begint onze gastheer zijn uitleg, „zijn enkele monsters van de wol die dit jaar geschoren is. We delen de wol die in balen wordt geperst in vier groepen in — buikwol, vliezen, stukken (brokken wol die van de vliezen zijn afgebroken) en vlokken.” Een vlok, zo wordt uitgelegd, is een groep vezels die in de vacht op natuurlijke wijze aaneengeklit zijn geraakt.

Het uiterlijk van de vlokken verbaast ons. Slechts aan de punt vertonen ze de grauwgrijze kleur van de gewone schapevacht. De rest is crème-achtig geel, licht glinsterend met een fikse krul.

„Deze vlok is van zeer goede kwaliteit”, aldus de voorman. We merken op dat de vlok heel kort is en de vezels dicht op elkaar zijn gepakt. Ter vergelijking wordt ons een inferieure vlok getoond. De krul is langer en de afzonderlijke vezels zijn niet zo sterk.

„De classificator test de sterkte van de wol door er met zijn wijsvinger aan te plukken”, zo legt ons de voorman uit. „Met zijn goed getrainde tastzin kan hij ook de kwaliteit van de wol bepalen en haar classificeren met betrekking tot de fijnheid, en zelfs aangeven hoeveel strengen er in een kilo gaan. Een streng is 510 meter vezel, en de fijnheid van de Corriedale-wol is zodanig dat er 110 tot 124 strengen van nodig zijn om aan een gewicht van één kilo te komen.”

„Hoe komt het dat de haren van een vlok zo aan elkaar gaan kleven?” wilden we weten.

„Daarvoor is de krulling van de haren verantwoordelijk, alsmede een stof die door de klieren van het schaap wordt afgescheiden en dient om de vachtharen te oliën en te beschermen. Die stof wordt gewoonlijk ’wolvet’ genoemd en is zeer nuttig. Wanneer gezuiverd, is het lanoline, de basis voor speciale zepen, zalven en crèmes.”

„Hebt u zich ooit afgevraagd waarom wollen kledingstukken warmer zitten en duurzamer zijn dan kleding van ander materiaal?” dat is de vraag die ons wordt gesteld. Zonder op een antwoord te wachten, opent de voorman een boek en vervolgt: „Deze vergroting laat zien dat de wolvezel een buitenlaag bezit van platte, elkaar overlappende cellen, lijkend op visschubben. Dit schubachtige oppervlak is er de oorzaak van dat de vezels stevig op elkaar gaan zitten, en zeer breukbestendig garen vormen. De aaneenkleving van de cellen en de krulvormige loop van de wolvezels houden bovendien de lucht vast in de draad, en verlenen deze aldus warmte-isolerende kwaliteit.”

Er klinkt een etensbel, en we worden uitgenodigd ons met de arbeiders in de eetkamer aan tafel te scharen voor een maaltijd.

Activiteit het hele jaar door

„Zijn er hier altijd zoveel mensen”, was onze onmiddellijke vraag.

„Neen, de meesten zijn alleen gekomen voor het scheren. Maar enkelen van ons zijn hier permanent en het hele jaar druk met de schapen in de weer. In de herfst bijvoorbeeld moeten de schapen bijeengedreven worden om een bad te ondergaan, om ’gedipt’ te worden, zoals dat heet. Daarvoor laten we de schapen door een lange tank met desinfecterende vloeistof zwemmen, om het ongedierte op hun huid te vernietigen. In die periode van het jaar worden ook de rammen bij de ooien gelaten — twintig dagen, om nageslacht te verwekken. Na welke periode ze weer worden afgescheiden en naar hun winterweide gebracht.

In het voorjaar houden de lammeren ons druk bezig. Vaak moeten we dan de rol van vroedvrouw spelen en bij een moeilijke bevalling assisteren. Soms vinden we een dode ooi met haar lam blatend naast haar. Dan is het zaak een andere ooi te vinden om de wees te adopteren. Een manier om dit te doen, is een ooi te vinden die pas geworpen heeft en haar placenta over de kleine wees te breken. Dan zal hij door zijn nieuwe moeder worden geaccepteerd.

Het scheren gebeurt in de zomer, zodat de schapen weer een nieuwe vacht hebben wanneer de kou invalt. En dan zijn er natuurlijk de reparaties en het onderhoud van de ranch die veel van onze aandacht vragen.”

Het onderwerp van gesprek verplaatst zich nu naar wat er verder met de wol gebeurt. We spreken over het spinnen van wol tot garen. „Zou u graag eens een primitieve manier van spinnen willen zien?” vraagt de voorman.

Het spinnen van wol

Hij knikt zijn vrouw toe, die had meegeluisterd. Als zij de kamer uitgaat, legt hij uit: „Mijn vrouw spint uit liefhebberij, en gebruikt daarvoor wol die ze van struiken verzamelt waar langslopende schapen wat van hun vacht hebben laten hangen. De vuile punten worden uitgetrokken en dan kan die wol zo gebruikt worden.”

De vrouw van de voorman verschijnt weer met een berg losse wol. In de ene hand houdt zij een spindel — een stok van ongeveer 30 centimeter lang, in het midden iets dikker dan aan de uiteinden — waaraan een aardappel gestoken is. „Dat is voor het gewicht”, lacht zij. „Wanneer er om de spindel genoeg garen zit en hij voldoende zwaar is, haal ik de aardappel eraf.”

Ze neemt een stukje wol en begint daaraan te plukken — de vezels uittrekkend tot de gewenste dikte. Zij draait het stukje ineen en bindt het vast aan de spindel. Daarna blijft zij, met de spindel in haar schoot, plukken en trekken. Wanneer ze ongeveer 30 centimeter heeft uitgetrokken, laat ze de spindel vallen en geeft deze een ruk met de vingers, zodat hij als een tol rondzwiert en de uitgetrokken vezels strak ineendraait. Het aldus ontstane garen wordt op de spindel gewonden, met een lus aan het eind om het vast te houden en het proces herhaalt zich. „Dat is alles”, glimlacht ze. „En zo ziet het eruit wanneer ik het garen gewassen heb om het vet te verwijderen.”

De voorman neemt de bal zachte, crème-witte wol uit de hand van zijn vrouw. „Kijk, dit garen is niet egaal gelijk”, zegt hij. „Er zitten kleine bobbeltjes op. Het is ideaal geschikt om er een ruw-wollen sjaal van te breien of een deken van te weven, of een ander produkt waarbij dit „bobbelachtige” als kenmerk van eigen maaksel gewenst is. Wil men echter een gladde, gelijkmatige draad, dan moet de wol eerst gekaard en gekamd worden, zoals in een wolfabriek gebeurt.”

Maar dat is een verhaal op zich, zo vernamen we, en een techniek waarbij een aantal ingewikkelde machines betrokken is. De voorman moet nu terug naar de loods. Dus verontschuldigt hij zich. Wij grijpen zijn uitgestoken hand en zeggen: „Heel hartelijk dank. We weten nu beslist heel wat meer over wol dan toen we kwamen.”

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen