WOL.
De Hebreeën en andere volken uit de oudheid schoren de uit zacht krulhaar bestaande vacht van bepaalde dieren, in het bijzonder van schapen, en gebruikten dit haar op grote schaal voor het maken van kleding en voor borduurwerk (Ex. 35:4-6, 25; 36:8, 35, 37; 38:18; 39:1-8, 22-29; Lev. 13:47; Spr. 31:13, 22; Ezech. 34:3). Wollen kleding beschermt tegen hitte en koude en is behaaglijk daar ze ondanks het geringe gewicht warmte schenkt en bovendien vocht absorbeert zonder dat de kleding bij het dragen klam aanvoelt.
Onder de Wet moesten de Israëlieten de „eerstelingen van de geschoren wol” van hun kleinvee aan de priesters geven (Deut. 18:3-5). Het was het volk verboden „gemengde stof, wol en linnen dooreen”, te dragen (Deut. 22:11; Lev. 19:19). Klaarblijkelijk betekent dit dat zij bij het maken van kleding niet het ene materiaal voor de schering en het andere voor de inslag mochten gebruiken. — Zie LINNEN.
Hoe belangrijk wol in oude tijden was, valt op te maken uit het feit dat Mesa, de koning van Moab, „honderdduizend lammeren en honderdduizend ongeschoren mannetjesschapen” als schatting aan de koning van Israël betaalde (2 Kon. 3:4). Wol was ook een waardevol handelsartikel. — Ezech. 27:1, 2, 7, 16, 18.
Aangezien wol van nature dikwijls wit is, wordt dit materiaal soms in verband gebracht met witheid en zuiverheid. Bij monde van de profeet Jesaja vergeleek Jehovah bijvoorbeeld zonden die waren vergeven, met witte wol. — Jes. 1:18-20.
Jehovah geeft „sneeuw als wol”, zodat het land als het ware wordt toegedekt met een warme deken van witte wol. — Ps. 147:16.
De „Oude van Dagen”, Jehovah God, wordt in een visioen symbolisch afgebeeld met haar als zuivere wol (Dan. 7:9). Dit wekt de gedachte aan hoge leeftijd en grote wijsheid, begrippen die met grijs haar geassocieerd worden. (Vergelijk Job 15:9, 10.) Zo zag ook de apostel Johannes „iemand gelijk een mensenzoon” en merkte op dat „zijn hoofd en zijn haar wit als witte wol, als sneeuw” waren (Openb. 1:12-14). Dat zijn haar op deze wijze wordt beschreven, kan erop wijzen dat het op de weg der rechtvaardigheid wit was geworden. — Spr. 16:31.