Wij zijn schapenfokkers
HEBT u wel eens een wollen kledingstuk gedragen of een knot wol gekocht? Hebt u er ooit bij stilgestaan waar de wol vandaan kwam, of wat er betrokken is bij het fokken van de schapen die uw wol leveren? Misschien kunnen wij u helpen. Waarom? Omdat ik samen met Barbara, mijn vrouw, een schapenfokkerij run in het verre zuiden van het Nieuwzeelandse Zuideiland.
Schapen zijn interessante dieren — volgzaam, bangelijk en vaak uitgesproken dom. En toch herinner ik mij één ooi die haar lammeren beter in de hand had dan alle andere moeders in de kudde. Andere raakten hun kleintjes wel eens kwijt, maar deze ooi niet. Wat was er zo bijzonder aan haar? Ze was blind. Maar haar blindheid werd gecompenseerd door haar scherpe reuk en gehoor. Ze wist precies waar ze haar lammeren kon vinden. Het was een genot ze hevig kwispelstaartend bij hun moeder te zien drinken!
Ik heb haast heel mijn leven hier op het Zuideiland schapen om mij heen gehad. Mijn vader is zestig jaar schapenfokker geweest. Waarom zeg ik nu „schapenfokker” en niet „herder”? Onder een herder wordt algemeen iemand verstaan die een trekkende kudde schapen hoedt. Wij hebben echter een schapenfarm. Onze schapen worden op een begrensd stuk land gehoed en alleen maar van de ene wei, of paddock, naar de andere overgebracht. Wij hebben niet tientallen of honderden, maar wel duizenden schapen, hoewel onze fokkerij naar Nieuwzeelandse maatstaven klein is. Niettemin is ons bedrijf een hele onderneming. Wat komt er dan allemaal bij kijken om zo veel schapen te fokken?
Vermenigvuldig u en word tot vele
Terwijl sommige schapenfokkers alleen voor het vlees fokken, doen wij het voor zowel het vlees als de wol. Bezoekers zijn vaak verbaasd te horen dat Nieuw-Zeeland zo’n zeventig miljoen schapen telt, voornamelijk van negentien verschillende rassen. Schapen zijn in ons land niet inheems maar werden vanuit andere landen ingevoerd. Het grote merinoschaap, afkomstig uit Estremadura (Spanje), en de Romney, de Leicester en andere Engelse rassen werden gewoonlijk via Australië geïmporteerd.
Onze schapen zijn Romney’s, die vaak nogal groot en fors zijn en goede wol leveren. Maar met het verkrijgen van dat eindprodukt is heel wat hard werk en planning gemoeid. Om te beginnen moeten wij een produktieve kudde zien te krijgen, dieren die geschikt zijn voor de fok. Ik koop elk jaar kwaliteitsrammen om mijn totaal op ongeveer 35 te brengen, en in april worden ze bij de ooien gelaten om ze te dekken, of te stempelen zoals wij dat noemen. In drie weken tijd zal elke ram tussen de zestig en tachtig ooien hebben gedekt. De lammetjestijd is in september en dat is de periode waar Barbara en ik het meest van genieten. Maar waar houden wij ons tot september mee bezig?
Het zorgen voor wintervoer
Onze winter begint hier op het zuidelijk halfrond in mei. Het gras groeit dan niet zo goed, dus moeten wij voer naar de kudde brengen. En ik zeg „wij” omdat Barbara mij volop helpt. Wij verdelen onze weiden of paddocks met schrikdraad in stukken van ongeveer een halve hectare. Het aanbrengen van de schrikdraadafrasteringen alleen al is een hele klus. Waarom wij dit moeten doen? Omdat de schapen elke dag van het ene stuk grasland naar het andere moeten worden overgebracht en wij het hooi en ander voer met een kar naar ze toe moeten brengen. „Ander voer” kan bestaan uit gerst en noten, vooral vlak voor het lammeren, wanneer de ooien extra voeding nodig hebben. Wij voeren de hoggets, de eenjarige schapen, ook koolrapen. En hoe komen wij aan de koolrapen? Die moeten wij verbouwen, wat betekent dat wij ons behalve met de schapenteelt ook met landbouw bezighouden. Maar laten wij terugkomen op het leuke werk, de zorg voor de ooien bij het lammeren.
Onze rol als vroedvrouw
Als het september is geworden, crossen Barbara en ik op onze motorfietsen langs de graslanden. Nee, dit is geen wedstrijd. Zo verplaatsen wij ons om bij al de lammerende ooien te komen. Wij proberen de ooien die op het punt staan te werpen vier- of vijfmaal per dag te bezoeken om ingeval er een problemen heeft, te kunnen helpen. De meeste werpen zonder enige complicatie, maar wij moeten wel de tweelinglammeren merken om, als er een zoek raakt, het bij zijn tweelingbroertje of -zusje te kunnen terugzetten.
Sommige ooien hebben een moeilijke bevalling en dan kan er als dat nodig is met de motorfiets snel hulp komen. Als een lam bijvoorbeeld met de kop vooruit te voorschijn komt zonder dat de voorpoten uitsteken, zou het kunnen stikken. Dan vervullen wij de rol van vroedvrouw en helpen de natuur een handje. Voor iemand die er niet aan gewend is, kan het een vies karwei lijken, maar voor ons is het elk jaar weer een wonder het nieuwe leven te zien verschijnen.
De meeste ooien werpen een tweeling. Ten slotte brengen wij bij ongeveer 500 vrouwtjeslammeren die wij als fokooien houden een gekleurd oormerk aan. Daaraan is te zien hoe oud ze zijn. Na drie of vier maanden worden de mannetjes en de overige vrouwtjes naar de diepvriesvleesfabriek gezonden voor de slacht. Wij gebruiken trouwens speciale vaktermen om de leeftijd aan te geven. Een eenjarig schaap wordt een hogget genoemd en een tweejarig schaap een two-tooth (tweetandige). Schapen krijgen namelijk maar acht tanden, waarvan er na het eerste jaar twee per jaar wisselen. Wanneer een ooi twee blijvende tanden heeft, is ze klaar voor de fok.
Laten wij niet voorbijgaan aan de voornaamste reden waarom wij al deze schapen fokken — hun waardevolle jas, hun wol — wat ons brengt op een bijzonder drukke periode waarin er heel hard gewerkt moet worden.
Het scheren
Een goede scheerder kan per dag zo’n 300 tot 400 schapen scheren, maar daar kan ik niet aan tippen. Mijn gemiddelde ligt rond de 150 per dag. De meeste schapen worden eens per jaar geschoren maar sommige tweemaal per jaar, als hoggets in oktober en als two-tooths in maart. Om het scheren later wat gemakkelijker te maken, couperen wij de staart van de lammeren, wat ertoe bijdraagt dat hun achterstel schoon blijft.
Vroeger werd het scheren met een scheermes of een schaar gedaan. Tegenwoordig beschikken wij over elektrische tondeuses, maar het is nog steeds inspannend werk, dat speciale vaardigheden vergt. Door de manier waarop je het schaap vasthoudt, kun je het karwei vergemakkelijken of juist bemoeilijken. Ik huur scheerders die worden betaald op basis van het aantal schapen dat zij per dag scheren. Gewoonlijk krijgen wij van elke ooi tussen de 4,5 en 5,5 kilo wol.
Het volgende karwei is het gereedmaken van de wol voor verzending naar de wolhandelaars. Wij moeten de wol in balen van ongeveer 180 kilo persen. Maar hoe kunnen wij een goede kwaliteit wol garanderen? Er is nog een fase van ons werk die heel belangrijk is voor het verkrijgen van goede wol.
Het dompelbad
Schapen lopen teken en luizen van elkaar op en die parasieten veroorzaken jeuk. Voor je het weet brengen de schapen hun tijd door met zich tegen de afrastering schuren in plaats van met eten. Daardoor vermageren ze en gaat hun wol achteruit. Hoe gaan wij dat tegen? Wij geven ze eens per jaar een chemisch dompelbad, het zogenoemde ’dippen’. Ook dat is een periode van hard werken, zoals een buitenlandse bezoeker van mijn fokkerij opmerkte. Hij beschreef het als volgt.
Door de ogen van een stadsmens
„Toen ik ter plekke arriveerde, was het ’dippen’ al verscheidene uren aan de gang. Het eerste wat ik als onervaren stadsmens waarnam, was een hels spektakel. Mannen schreeuwden; honden blaften. Sommige schapen hoestten; andere hijgden. Honden sprongen letterlijk via de ruggen van de bange schapen naar het voorste gedeelte van de groep om er een opstopping op te heffen. Al gauw zag ik de logica van wat er gebeurde.
Honderden schapen stonden in paddocks bijeen, wachtend op hun beurt om met ongeveer twaalf per keer een smalle, trechtervormige ruimte ingeleid te worden. Daar stond een van de schapenfokkers te wachten naast een klein bassin met een chemisch mengsel, dat door loshangend zakkengoed aan het oog van de schapen was onttrokken. Als een van de dieren bij de wachtende man aankwam, duwde hij het met zijn knieën gewoon door het zakkengoed en, plons! zo het donkere vocht in. De eerste reactie van het dier was te proberen eruit te komen, en het begon naar het smalle uiteinde te zwemmen. Maar aan elke kant stonden andere knechten met lange stokken klaar om het schaap onder te duwen en er zo voor te zorgen dat alle wol, van kop tot staart, doordrenkt werd. De dieren klommen hoestend en proestend uit het smerige mengsel en schudden zich krachtig uit, waarbij de druppels in het rond vlogen. Zodra er enkele klaar waren om uit de eindkraal te worden losgelaten, mochten ze naar de wei terug, de meeste zo te zien opgelucht en maar al te graag!”
De strijd tegen teken en wormen
Ik vind het interessant te horen hoe een buitenstaander ons werk beschrijft. U vraagt u wellicht af welke chemische oplossing wij voor het bad gebruiken. Het spul heet Grenade en de werkzame stof erin is pyrethroïde, met 5 procent Cyhalothrin, waardoor de teken of luizen worden vernietigd. Deze parasieten zijn niet de enige natuurlijke vijanden van schapen. Ze krijgen ook maagdarmwormen en longwormen, wat betekent dat wij de schapen regelmatig een drench (een drankje) moeten toedienen. Hiervoor moeten de schapen op het erf worden gebracht. Wij zetten ze in een smalle doorgang van ongeveer 1,2 meter breed, waarin zo’n vijftig schapen passen. Dan wordt er een chemisch mengsel achter in hun keel gespoten waardoor de wormen worden vernietigd. Wij dragen een rugspuit die met dit mengsel gevuld is en gebruiken een slang met een doseerpistool om het in hun keel te spuiten. Soms moeten wij ook penicilline toedienen tegen bloedvergiftiging.
Krijgen onze schapen ook wel eens mond- en klauwzeer? Nee, dank zij de strenge controles van de immigratie- en landbouwautoriteiten bij de havens en luchthavens van Nieuw-Zeeland niet. Veel buitenlanders zijn ontdaan als zij op onze luchthavens aankomen en bemerken dat de vliegtuigcabine moet worden ontsmet voordat zij van boord mogen. Maar dat is één reden waarom sommige ziekten waaraan dieren in andere landen lijden hier niet voorkomen.
De onmisbare honden
Mijn verhaal zou niet volledig zijn zonder de vermelding van onze schepershonden. Wij hebben er zes op onze fokkerij en gebruiken twee verschillende met collies gekruiste soorten. Wij hebben wat wij de Huntaway of blaffende hond noemen. Die blaft en manoeuvreert de schapen door over hun ruggen te rennen om een strategische positie in te nemen. De andere soort is wat wij een eyedog noemen. Die gaat recht op een schaap af en kijkt het in de ogen en intimideert het dus door te kijken en niet door te blaffen. Zonder deze trouwe dieren zouden wij onmogelijk ons werk kunnen doen. Ze werken tot ze erbij neervallen.
Dit is in het kort een beschrijving van ons leven als schapenhouders hier in het Nieuwzeelandse Mossburn. Sta dus de volgende keer dat u een mooi wollen kledingstuk koopt eens eventjes stil bij de schapenfokkers over de hele wereld die de dieren die deze wol hebben geleverd met veel aandacht hebben verzorgd. — Verteld door Bruce Cournane.
[Illustratie op blz. 16]
In het Agrodome in Rotorua zijn negentien verschillende rassen te zien
[Verantwoording]
Rammen uit het Agrodome voor het voetlicht
[Illustraties op blz. 18]
Boven: Schapen die een dompelbad krijgen
Rechts onder: Het schapenscheren is een afmattend karwei