Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w81 15/3 blz. 24-28
  • Onze vijftigjarige loopbaan van rechtschapenheid

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Onze vijftigjarige loopbaan van rechtschapenheid
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1981
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • EERSTE PREDIKING
  • RECHTSCHAPENHEID OP DE PROEF GESTELD TIJDENS DE SPAANSE BURGEROORLOG
  • NAOORLOGSE MOEILIJKHEDEN
  • HUWELIJK IN EEN KATHOLIEKE DICTATUUR
  • ZENDELING VAN GILEAD TOONT ONS HOE TE PREDIKEN
  • ZEGENINGEN VOOR DE FAMILIE
  • LAST MET DE POLITIE
  • EEN TRAGEDIE SLAAT TOE
  • LANGVERBEIDE VRIJHEID
  • RECHTSCHAPENHEID EN DE VELE ZEGENINGEN DAARVAN
  • ’Gelukkig zijn allen die Jehovah blijven verwachten’
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1991
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1960
  • „Aangezien wij deze bediening hebben . . ., geven wij de moed niet op”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1995
  • Barcelona — Een openluchtmuseum vol kleuren en stijlen
    Ontwaakt! 2003
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1981
w81 15/3 blz. 24-28

Onze vijftigjarige loopbaan van rechtschapenheid

Zoals verteld door Ramón Serrano

„RAMÓN, wist jij dat de bijbel zegt dat wij geen onsterfelijke ziel hebben en dat de hel niet bestaat?”

Die verbazingwekkende mededeling uit de mond van een ongeletterde huisbediende, Francisca Arbeca, deed mij de adem in de keel stokken. Het was een keerpunt in het leven van mijn jongere broer, Francisco (Paco), en mijzelf. Ik was toentertijd, in 1932, vijftien jaar oud.

Onze moeder, een vrome vrouw, had ons hier in Barcelona (Spanje) naar een nabijgelegen baptistenschool gestuurd. Daar bracht señor Rosendo, de onderwijzer en predikant, ons de klassieke protestantse leerstellingen over de onsterfelijkheid van de ziel en de pijniging van het hellevuur bij. Onze huisbediende Francisca daarentegen was verbonden met de plaatselijke groep van Jehovah’s Getuigen.

Weldra begon mijn moeder ons mee te nemen naar de vergaderingen van Jehovah’s Getuigen, die in een particuliere woning gehouden werden. Tijdens een daarvan raakte ik diep onder de indruk van de uitleg dat Christus „door zijn dood degene teniet [zal] doen die het middel bezit de dood te veroorzaken, namelijk de Duivel” (Hebr. 2:14). Als de Duivel teniet gedaan zal worden, zo redeneerde ik, hoe kan de pijniging van het hellevuur dan eeuwigdurend zijn? Toen ik deze vraag later bij señor Rosendo te berde bracht, werd hij kwaad omdat hij er geen antwoord op had.

EERSTE PREDIKING

Overtuigd dat wij bijbelse waarheden bezaten die anderen tot voordeel zouden strekken wanneer zij ze leerden kennen, begonnen Paco en ik, geholpen door een andere Getuige, het „goede nieuws van het koninkrijk” van huis tot huis te prediken (Matth. 24:14). Ik was nog maar 17 en Paco net 13. Terwijl de oudere broeder de aangrenzende stad Badalona bewerkte, richtten wij al onze inspanningen op Barcelona en op Tarrasa, een stad die een kilometer of 31 verderop ligt. Dat betekende een gebied van ongeveer 750.000 inwoners voor ons tweeën! Wij lieten ons echter niet uit het veld slaan. Wij beseften dat dit het werk van de Heer was en wij namen het ter hand.

Ongeveer in diezelfde tijd begonnen wij de grammofoon te gebruiken met platen van broeder Rutherfords in het Spaans vertaalde toespraken. Soms liep de motor af voordat de plaat uit was. Ik kan mij nu nog herinneren hoe Paco halverwege de jankende plaat verwoed het apparaat begon op te winden om het aan de praat te houden. Wat is er veel veranderd in dit elektronische tijdperk!

RECHTSCHAPENHEID OP DE PROEF GESTELD TIJDENS DE SPAANSE BURGEROORLOG

Vanaf 1930 raakte het politieke evenwicht in Spanje zeer ernstig verstoord. De koning vluchtte in 1931 in ballingschap en het land werd tot republiek uitgeroepen. De bevolking was echter verdeeld over dat punt en de politieke haat smeulde onder de oppervlakte. In juli 1936 brak de verschrikkelijke burgeroorlog uit en wij, die ons in Catalonië bevonden, bleken in het republikeinse, antiklerikale deel van het land te zitten. Maar ondanks de vijandelijkheden gingen wij door met onze predikingswerkzaamheden van huis tot huis.

Toen wij op zekere dag in Horta, een van de buitenwijken van Barcelona, aan het prediken waren, werden wij door een man van de communistische militie opgepakt en voor ondervraging meegenomen naar het plaatselijke hoofdkwartier. Ik was destijds achttien jaar oud en mijn broer veertien. Wij werden bars toegesproken door een plaatselijke functionaris, die onze lectuur in beslag nam en ons waarschuwde onze tijd niet te verspillen met prediken. Ik kreeg te horen dat ik aan het front behoorde te zijn om samen met de kameraden te vechten. Dit was onze eerste echte kennismaking met de uitwerking van de burgeroorlog. Doordat wij jong waren, waren wij ontdaan van deze ervaring, maar wij wisten dat wij met de prediking van het „goede nieuws” moesten doorgaan.

In die tijd — in 1936 — hadden wij nog niet zo’n helder begrip van de christelijke neutraliteit als thans (Joh. 15:19). Dit onderwerp werd pas in maart 1940 in de Spaanse Wachttoren verduidelijkt. Het enige wat ik wist, was dat ik als christen niet kon doden. — Ex. 20:13.

In 1937, toen ik negentien jaar was, werd ik opgeroepen voor militaire dienst in het republikeinse leger. Aanvankelijk dook ik onder om deelname aan dit in broedermoord ontaarde conflict te vermijden. Na een maand of acht werd ik opgespoord en stond ik terecht voor het Hof van spionage en hoogverraad. De oorlogssfeer was zo gespannen, dat mijn ouders ervan overtuigd waren dat ik geëxecuteerd zou worden. Ik werd echter tot dertig jaar gevangenisstraf veroordeeld. Maar na een paar maanden in de gevangenis werd ik vrijgelaten en naar het front in de provincie Lerida gestuurd. Daar hing een grote veldslag in de lucht.

Ik werd eerst op een kantoor te werk gesteld, hetgeen betekende dat ik geen wapen behoefde op te nemen. In die situatie kwam weldra verandering, toen onze compagnie het commando kreeg zich naar het gevechtsfront te begeven in de buurt van het stadje Serós, aan de rivier de Segre. Nu bevond ik mij, net als de rest van de troepen, in de vuurlinie. Toen wij bij een gelegenheid in een ondiepe kuil in de bodem beschutting zochten tegen de kogels, lag er aan weerskanten van mij een sergeant tegen mij te schreeuwen dat ik een geweer moest pakken en schieten. Ik negeerde het gevel. Enkele minuten later lagen zij beiden ter plekke dood.

Ten slotte trok onze compagnie terug en na een week of drie op mars geweest te zijn, werd ik gevangengenomen door Italiaanse troepen van de Littorio Brigade, die in Franco’s nationale leger vochten. Als gevangene genoot ik enig respijt van de druk die op mij werd uitgeoefend om deel te namen aan de oorlog. Het was nu begin 1939 en ik werd overgeplaatst naar een concentratiekamp in Deusto, Vizcaya, in het noorden van Spanje. Maar daarmee waren mijn moeilijkheden nog niet ten einde. Tijdens de maaltijden moesten wij allemaal opstaan om fascistische liederen te zingen en met schuin opgeheven arm de fascistische groet te brengen. Ik bleef dan gewoon achterin zitten en at stilletjes door. Gelukkig ben ik nogal klein van stuk en bleef ik daardoor onopgemerkt. Later werd ik in een strafbataljon te werk gesteld. Daar kreeg ik bevel om met de anderen de fascistische groet te brengen. Op grond van mijn geweten weigerde ik deel te nemen aan wat ik als een daad van afgoderij beschouwde. De andere gevangenen dachten dat ik gek was. Nu Spanje in een burgeroorlog verwikkeld was, stond mijn houding vrijwel gelijk met zelfmoord.

Ik moest voor de hele groep gaan staan en kreeg bevel de fascistische groet te brengen. Ik weigerde. Een officier sloeg mij en probeerde met geweld mijn arm op te heffen, maar dat lukte hem niet. Toen kreeg ik een zware zandzak op mijn rug gebonden en werd ik gedwongen rondjes te rennen terwijl mijn benen met een riem geslagen werden. Ten slotte viel ik flauw, zakte in elkaar en werd in eenzame afzondering in een cel opgesloten. Om mijn geest te sterken, begon ik bijbelteksten op de celwanden te krassen. Twee officieren kwamen binnen om te proberen mij ertoe te brengen de groet te brengen. Mijn heftige weigering om zo iets „eenvoudigs” te doen, plaatste hen voor een raadsel, te meer omdat ik binnenkort vrijgelaten zou worden. Het eindigde ermee dat ik voor een groep officieren en legerartsen moest verschijnen, die besloten mij naar het ziekenhuis te sturen om mijn geestvermogens te laten onderzoeken. Enkele weken later, aan het einde van de oorlog in april 1939, werd ik vrijgelaten en naar huis gestuurd. Die kwellende ervaringen waren nu achter de rug en ik was er zo goed mogelijk in geslaagd mijn rechtschapenheid te bewaren.

NAOORLOGSE MOEILIJKHEDEN

Spanjes burgeroorlog eindigde op 1 april 1939, maar de open wonden die erdoor veroorzaakt waren, bleven nog jaren daarna etteren van de haat. Angst voor vergeldingsmaatregelen, wraak en anonieme aantijgingen heerste alom. Alles ademde een sfeer van vrees, die nog werd geaccentueerd door de ravage van de oorlog en het tekort aan voedsel.

Onder die omstandigheden keerde ik terug naar Barcelona, waar ik moest ontdekken dat de vergaderingen van Jehovah’s Getuigen waren gestaakt en hun predikingswerk was opgehouden. Zonder uitstel begonnen Paco en ik in samenwerking met anderen regelingen te treffen om geregeld bijeen te komen in het huis van Paquita Arbeca (Hebr. 10:24, 25). Dat deden wij ’s zondags, waarbij wij voor onze studies uitgingen van de bijbel, oude nummers van De Wachttoren en boeken als Regeering, Bevrijding en Rijkdom. Onze predikingsactiviteiten bleven beperkt tot informele contacten.

Ten gevolge van het uitbreken van de oorlog in 1936 was onze verbinding met het Wachttorengenootschap in Brooklyn, New York, verbroken. Alhoewel de oorlog was afgelopen, konden wij niet met het Genootschap in contact treden. Waarom niet? Omdat de post onder censuur stond en de mensen verplicht waren vaderlandslievende leuzen op de enveloppen te schrijven. Daarom leek het ons het beste het schrijven van brieven te vermijden.

In 1946 bevatte de Spaanse pers een bericht over het Theocratische „Verheugde natiën”-congres van Jehovah’s Getuigen, dat in Cleveland (Ohio, VS) werd gehouden. Dat wakkerde onze hoop weer aan. Tegen die tijd waren de leuzen op de post niet meer vereist. Vol spanning schreven wij naar het Genootschap om nadere inlichtingen. Wat een vreugde, toen wij enkele weken later een brief en een pak tijdschriften ontvingen! Ten langen leste druppelde de frisse bijbelse waarheid op ons uitgedroogde veld.

HUWELIJK IN EEN KATHOLIEKE DICTATUUR

1946 was voor Paco en mij om nog een andere reden een gelukkig jaar. Ik was bijna 29 jaar oud en Paco 25 en beiden hadden wij verkering met Catalaanse meisjes, Carmen en María, die ook de bijbel bestudeerden en de vergaderingen bijwoonden. Mijn broer en ik waren ons zeer bewust van de noodzaak „alleen in de Heer” te trouwen en daarom hadden wij geduld geoefend (1 Kor. 7:39). Wij wilden alle vier op dezelfde dag trouwen. Er was maar één probleem. De enige huwelijksceremonie die in die dagen feitelijk bestond, was de katholieke. De vraag was hoe wij het katholieke ritueel konden vermijden. Ten slotte vonden wij een priester die, tegen een vergoeding, bereid was in zijn kerk een eenvoudige ceremonie, zonder religieuze franje, toe te staan. Om zelf gedekt te zijn, bleef hij op de dag van het huwelijk weg en liet de hele zaak aan de koster over. Zo trouwde ik in oktober 1946 met María Royo en Paco trouwde met Carmen Parera.

ZENDELING VAN GILEAD TOONT ONS HOE TE PREDIKEN

In december 1947 kwam John Cooke, die een zendelingenopleiding aan de Gileadschool had genoten, in Barcelona aan. Eerlijk gezegd, leken onze vergaderingen vóór die tijd meer op vinnige debatten. Hij liet ons echter zien hoe een christelijke vergadering gehouden behoorde te worden, en zij die dat niet wisten te waarderen, verdwenen al spoedig. — 1 Kor. 14:33.

Toen kwam de werkelijke uitdaging. Broeder Cooke zei tegen ons dat wij van huis tot huis zouden moeten gaan prediken, wilde ooit heel Spanje met het „goede nieuws” bereikt worden. „Je lijkt wel niet wijs, broeder Cooke!” gaven wij hem te verstaan. „Hier in Franco’s Spanje kun je niet op die manier prediken. In Londen of New York misschien wel, maar hier niet!” En wat deed hij, toen hij zag dat wij niet van zins waren toe te geven? Hij ging er in zijn eentje op uit en liet ons zien dat het wel degelijk mogelijk was. Beschaamd kwamen wij in actie. Als hij, een buitenlander met zijn zware accent, bereid was ons volk getuigenis te geven, dan waren wij het ook. Hij leerde ons onopvallend te prediken door niet alle appartementen in een gebouw te bezoeken maar kriskras door het gebied te trekken, zodat wij niet door de politie gesnapt zouden worden.

Veel mensen in heel Barcelona reageerden gunstig op onze boodschap en weldra werd onze groep een gemeente. Naarmate de tijd verstreek, konden wij nog enkele gemeenten oprichten in de stad. Nu de toename zo groot werd, besloten Paco en ik dat wij nu ’onze vleugels konden uitslaan’ om naar de nabijgelegen steden Hospitalet en Prat de Llobregat en andere kuststeden te gaan, ten einde het getuigeniswerk daar kracht bij te zetten. Wanneer wij nu terugblikken, schenkt het werkelijk voldoening te zien dat er nu 52 grote gemeenten in de stad Barcelona zijn, negen in Hospitalet en nog ettelijke meer in steden langs de kust, waar wij als ouderlingen hebben kunnen dienen. Natuurlijk beschouwen wij deze groei niet als onze verdienste, maar wij zijn blij er een aandeel aan te hebben gehad. — 1 Kor. 3:5-9.

ZEGENINGEN VOOR DE FAMILIE

10 juni 1951 was een „historische” datum voor onze familie. Op die dag werden in een klein bassin in de tuin van broeder Brunet vijf van ons gedoopt — Carmen, María, Paco en ik, alsook onze moeder. Door omstandigheden hadden wij vele jaren op die vreugdevolle gelegenheid moeten wachten.

Tijdens de moeilijke jaren vijftig ontvingen María en ik drie buitengewone zegeningen — de geboorte van onze drie kinderen, David, Francisco (Paquito) en Isabel. Dat schonk ons de enorme verantwoordelijkheid hen op te leiden in de ’weg voor hen’, in de wetenschap dat zij er naar alle waarschijnlijkheid niet van zouden afwijken als zij ouder werden. — Spr. 22:6.

LAST MET DE POLITIE

In 1955 werden er, samenvallend met een bezoek door broeder F. W. Franz, regelingen getroffen voor een geheim congres in de bossen op de berg Tibidabo, die zich boven Barcelona verheft. Onze congressen werden gewoonlijk in de vorm van een picknick gehouden, voor het geval de politie ons zou aantreffen. In dit geval werd het een nogal uitgebreide „picknick”, met een deelnemersaantal van meer dan vijfhonderd. Hier kwam nog bij dat de politie de week tevoren een inval had gedaan in het huis van een broeder en een exemplaar van de bijlage van de Informateur in beslag genomen had, waarin de regelingen voor het congres aangekondigd stonden. María en ik namen met onze twee zoontjes, David en Paquito, deel aan de „picknick”.

Het programma begon en alles leek normaal, totdat wij plotseling vier mannen, waarvan één met een pistool in de hand, de heuvel op zagen komen rennen. Zij gaven ons het bevel ons niet te verroeren. Ja, u hebt het geraden, het was de politie in burger. Zij dachten werkelijk dat zij een staatsgreep hadden weten te voorkomen en stouwden ons allemaal — mannen, vrouwen en kinderen — in gereedstaande vrachtwagens die ons naar het politiebureau brachten. Stelt u zich de ergernis van sommigen van hen voor, toen het tot hen doordrong dat hun vangst bestond uit onschadelijke gezinnen die bij elkaar gekomen waren om de bijbel te bestuderen, in plaats dat zij een clandestiene politieke groepering hadden opgerold. Hoewel het met een sisser afliep, diende deze ervaring om onze rechtschapenheid te versterken en hielp ze ons Jehovah’s bescherming te waarderen. — Ps. 34:7.

EEN TRAGEDIE SLAAT TOE

Tegen 1963 waren onze kinderen, David, Paquito en Isabel, respectievelijk dertien, elf en negen jaar oud en maakten zij goede vorderingen in de waarheid. Het was een genot hen te zien deelnemen aan de velddienst en te zien hoe zij samen met ons genoten van de bijbelstudievergaderingen die wij in particuliere huizen bijwoonden.

Toen kwam op een dag in maart van dat jaar Paquito thuis van school en klaagde over hevige pijn in het hoofd. Binnen drie uur was hij aan meningitis gestorven.

Wij waren zo diep getroffen door dit verschrikkelijke verlies dat ik niet weet hoe wij erin geslaagd zijn de begrafenis te regelen, want zelfs hierin moesten wij ons te weer stellen tegen de katholieke Kerk. Vanzelfsprekend wilden wij een burgerlijke begrafenis en daarvoor moesten wij een vrijstelling hebben van de plaatselijke parochiepriester. Met een document dat aantoonde dat wij Jehovah’s Getuigen waren, werd die hinderpaal uit de weg geruimd.

Meer dan duizend broeders en zusters, vrienden en zakenrelaties kwamen naar ons huis. Stelt u zich de beroering voor die dat in de buurt verwekte. Het verkeer stagneerde en de mensen op straat vroegen wie de belangrijke persoon was die gestorven was. Die uiterst belangrijke persoon was onze lieve zoon Paquito. Alleen onze kennis van de hoop op de opstanding heeft ons in die allermoeilijkste periode staande gehouden (Joh. 5:28, 29; 11:23-25). Als liefhebbende ouders zien María en ik vol verlangen uit naar die dag waarop wij onze zoon zullen terugzien en zijn opvoeding kunnen voortzetten, maar dan in het nieuwe samenstel van dingen dat God voor deze aarde heeft beloofd. — 2 Petr. 3:13; Jes. 25:8, 9.

Twee weken later werd ik op het politiebureau ontboden en twee uur lang ondervraagd. Hun agenten hadden de begrafenisgangers bespioneerd en het was duidelijk dat die massale aanwezigheid van Getuigen hun reactie had uitgelokt. Hun vragen vormden een poging informatie te krijgen over broeders die destijds leiding gaven aan het werk in Spanje. Ik doorzag hun tactiek en was vastbesloten niets te zeggen waardoor anderen in moeilijkheden zouden geraken. Onomwonden vertelde ik hun dat ik geen Judas was. Hoewel zij mij met een zware boete dreigden, hadden zij geen bewezen aanklacht tegen mij en leidde hun bluf tot niets.

LANGVERBEIDE VRIJHEID

In 1967 aanvaardde de Spaanse regering de Wet op de Godsdienstvrijheid, die grotere vrijheid waarborgde voor de niet-katholieke religies. Wij vroegen ons af of de Getuigen van deze wet zouden profiteren en wettelijk erkend zouden worden. Dat ons standpunt inzake de prediking van huis tot huis en de christelijke neutraliteit een struikelblok vormde voor de politieke en kerkelijke autoriteiten, bleek duidelijk toen onze inschrijving in het officiële register van niet-katholieke religies tot juli 1970 werd uitgesteld.

Paco en ik hadden langer dan dertig jaar op die dag gewacht. Nu konden wij onze godsdienst onder bescherming van de wet beoefenen, zonder vrees. Stelt u zich voor hoe verheugd wij waren toen wij in februari 1971 de inwijding van de eerste Koninkrijkszaal in Barcelona bijwoonden. Ons hart liep die dag over van vreugde toen onze stemmen meeklonken bij het zingen van Koninkrijksliederen, iets wat Jehovah’s Getuigen in Spanje vele jaren lang niet hadden kunnen doen.

RECHTSCHAPENHEID EN DE VELE ZEGENINGEN DAARVAN

Wanneer ik terugkijk op bijna vijftig jaar in Jehovah’s dienst, moet ik toegeven dat zijn liefderijke goedheid en zegen ons hebben begeleid in ons streven het pad der rechtschapenheid te bewandelen (Ps. 26:1-3). Hij heeft María en mij gezegend met loyale kinderen, die op de weg der waarheid zijn blijven voortgaan. Tot op de dag van heden zijn wij een gelukkig, verenigd gezin met een sterke band van genegenheid. Onze zoon David werd in 1972 gevangengezet vanwege zijn standpunt als neutrale christen. Het was de eerste keer dat hij van zijn familie gescheiden werd en het was een hartverscheurende ervaring voor ons allen. Maar wij begrepen de reden en het sterkte ons te zien hoe hij gedurende drie jaar gevangenschap zijn rechtschapenheid bewaarde. Toen hij in 1976 vrijkwam, ontving hij het verdere voorrecht te mogen dienen op Bethel, de accommodatie van het Wachttorengenootschap hier in Barcelona. Later trouwde hij met een opgedragen christelijke vrouw, die daar ook een tijdlang samen met hem dienst verrichtte. Onlangs viel ons de blijde zegening ten deel de grootouders te worden van hun eerste kind, Jonathan.

In 1976 begon onze dochter, Isabel, als pionierster (Koninkrijksverkondigster in volle-tijddienst) getuigenis te geven. Nu vergezelt zij haar echtgenoot in de kringdienst, waarbij zij de gemeenten hier in Catalonië bezoeken.

Jehovah heeft ons door de jaren heen in vele beproevingen staande gehouden. En heus, wij zijn heel gewone mensen, met de zwakheden die de hele mensheid aankleven. Niettemin hebben onze ervaringen ons als gezin geleerd ons geduldig op Jehovah te verlaten en de tenuitvoerlegging van zijn wil af te wachten. Wij zijn vastbesloten ermee voort te gaan overeenkomstig Davids besluit te handelen, zoals dat in Psalm 26:11, 12 onder woorden wordt gebracht: „Wat mij betreft, ik zal in mijn rechtschapenheid wandelen. O koop mij los en betoon mij gunst. Mijn eigen voet zal stellig op een effen plaats staan; onder de bijeengekomen menigten zal ik Jehovah zegenen.”

[Illustraties op blz. 25]

Francisco (links) en Ramón Serrano

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen