Mijn doel in het leven nastreven
Zoals J.R. Cooke dit heeft verteld
TOEN ik in augustus 1927 mijn vakantie in Frankrijk doorbracht, zat ik op een dag aan het strand, terwijl mijn gedachten thuis in Broadstairs, Engeland, verwijlden. Ik was veertien jaar en kende de waarheid al zes jaar doordat mijn moeder mij erover vertelde. Die dag nam ik een belangrijke beslissing — wanneer ik weer thuis zou zijn, zou ik de vergaderingen geregeld gaan bijwonen en deze „waarheid” ernstig beginnen te onderzoeken. Ik voerde mijn plan uit en gaf me al gauw uit eigen beweging voor het van-huis-tot-huis-werk op. In die tijd waren de methoden nog primitief. Op een koude, winterse dag ging ik voor het eerst de dienst in; men gaf mij een paar brochures en wees me een straat toe die ik in mijn eentje kon gaan bewerken. Ik verspreidde echter twaalf brochures zodat ik blij en aangemoedigd huiswaarts keerde. Toen werd ik gewaar dat het onder moeilijke omstandigheden werken in Jehovah’s dienst een bijzondere vreugde met zich brengt. Op dat moment besefte ik nog maar amper hoezeer ik de kracht die uit de „vreugde in den HERE” voortvloeit, nodig zou hebben. — Neh. 8:11.
Ik koesterde al gauw het verlangen de pioniersdienst in te gaan, maar omdat mijn vader dat idee verschrikkelijk vond, stelde ik het uit. In mei 1931 kwam er echter een totale ommekeer voor mij — er was een internationale vergadering in Parijs. De vreugde met broeders en zusters uit het buitenland bijeen te zijn, de herhaalde oproepen voor pioniers, de opmerkingen van zovelen die ik ontmoette — „een jonge kerel zoals jij moet toch een pionier zijn” — en als hoogtepunt een oproep voor vrijwilligers om naar Spanje (en ik leerde Spaans op school) te trekken, deden mij besluiten zo spoedig mogelijk de pioniersdienst in te gaan. In augustus 1931 nam ik derhalve op achttienjarige leeftijd mijn levenstaak op mij. Mijn broer Eric ging met mij mee en wij begonnen in Frankrijk. Voordat wij van huis weggingen, zei vader: „Over een half jaar zullen jullie wel weer graag terugkomen om een behoorlijk baantje te zoeken”. En bijna ging het zo. Plotseling kwam mijn moeder te overlijden en onze familie deed haar uiterste best ons thuis te laten blijven; de diepe overtuiging echter dat de pioniersdienst onze ware roeping was, zette ons ertoe aan terug te gaan.
In juli 1932 ging ik naar Spanje. Destijds was het de methode om het gebied snel te bewerken en er werd veel lectuur verspreid. Wij hadden er een hard leven en moesten heel wat ontberen op het gebied van huisvesting. Bovendien moesten wij veel fietsen over bergwegen en iedere dag constant vijf of zes uur ’aan de deuren kloppen’. Tegen 1935 ontstonden er politieke relletjes en in sommige plaatsen werden wij door de communisten, die ons abusievelijk voor fascisten aanzagen, nogal ruw ontvangen! Mijn broer en ik ervoeren echter welk een vreugde het is de „andere schapen” te vinden. Wij richtten in Barbastro een kleine gemeente op, en in Saragossa ontvingen wij ’s avonds twee jongemannen op onze kamer die wij bijbelstudie gaven en die ons later in de pioniersdienst vergezelden. Ongelukkigerwijs brak weldra de Spaanse burgeroorlog uit. Mijn broer en ik wisten er juist aan te ontsnappen. Op 12 juli 1936 gingen wij namelijk met vakantie naar Engeland terug terwijl op 18 juli de oorlog begon.
Onze volgende toewijzing was Ierland, waar wij met een speciaal traktaat moesten werken. De inhoud hiervan was de fanatieke bevolking echter te scherp en veroorzaakte een verschrikkelijke opschudding. Priesters beschuldigden ons ervan dat wij communisten (precies het tegenovergestelde als waarvan men ons in Spanje had beschuldigd!) waren, en tweemaal verbrandden leden van de Katholieke Actie onze lectuur en werden wij onder hun begeleiding de plaats uitgezet. In de derde plaats werd ik binnen enkele uren tijds gearresteerd, voor de rechtbank aan een snel verhoor onderworpen en in de Dublinse gevangenis opgesloten. Na alles wat wij hadden meegemaakt, was het gewoon een verademing om daar te zijn! Na enkele dagen werd ik echter weer in vrijheid gesteld.
In 1937 ging ik weer naar Frankrijk terug en ontving een toewijzing voor Bordeaux. Het huisbijbelstudiewerk was destijds nog in een beginstadium, en toen in 1939 broeder Knecht, de bijkantoordienaar, ons kwam bezoeken, waren mijn Franse partner en ik derhalve verheugd dat wij vijfentwintig mensen voor zijn lezing konden bijeenbrengen. Maar ook nu kwam er weer een oorlog tussenbeide — de tweede Wereldoorlog — en eveneens bereikte ons de tijding dat het Genootschap was verboden. Onmiddellijk verspreidde ik onze voorraad lectuur opdat ik, wanneer de politie mij zou ondervragen, zou kunnen zeggen dat ik niets in mijn kamer had. Vervolgens verloor ik mijn partner, arme Pierre Dijeau, die de gevangenis inging omdat hij weigerde te vechten, en later stierf. Zijn moedige standpunt heeft ons allen echter gesterkt. Toen brak juni van het jaar 1940 aan — een tragische maand voor Frankrijk. De natie werd eenvoudig opgerold door de snelle opmars der nazi’s. Alle in Engeland woonachtigen kregen de raad het land te verlaten, maar ik ging niet graag weg. De dag voordat de nazi’s de stad binnenkwamen, verliet ik deze op de fiets. In Bayonne, dat verder zuidelijk is gelegen, stonden zo enorm veel gegadigen die een plaatsje op de boot naar Engeland trachtten te bemachtigen, dat ik er niet in slaagde aan boord te komen. En dat was maar goed ook want die boot werd tot zinken gebracht. Degenen van ons die waren overgebleven, werden uiteindelijk geëvacueerd en landden veilig in Plymouth. Daarmee was er een einde aan mijn eerste negen jaar van dienst in het buitenland gekomen.
Na enige maanden in een pioniershuis in Derby te zijn geweest — in welke plaats de rechtbank mij ook vrijstelling van militaire dienst verleende (zij waren onder de indruk van mijn werk in vreemde gebieden; dat ik in de dienst was gebleven, wierp voordelen af) — kreeg ik een toewijzing voor Newcastle-on-Tyne waar ik stadsdienaar werd en ervaring opdeed wat gemeente-organisatie betreft. In december 1942 kreeg ik een brief van het Genootschap waarover ik versteld stond — een toewijzing als broederdienaar. Ik voelde mij zeer onwaardig maar vroeg Jehovah of hij mij wilde helpen. Ambten als congresdienaar vielen mij nu ook ten deel. Ik herinner mij nog vooral een vergadering in 1944 in Londen, toen er op ieder uur van de dag bomexplosies plaatshadden. Het was daarom een fantastisch gezicht een Londens theater, dat al weken lang leeg was geweest, stampvol te zien met rustige, gelukkige verkondigers en mensen van goede wil. Ook in Nederland maakte ik kort nadat de nazi’s waren vertrokken een zeer bijzondere vergadering mee. De Nederlandse broeders en zusters kwamen juist uit hun „ondergrondse” activiteit te voorschijn en bezaten een prima geest. Vele kilometers naar vergaderingen te moeten lopen, een ontbijt bestaande uit brood en water of in stro slapen, was voor hen niets. Zij bezaten de onuitsprekelijke vreugde van een theocratische organisatie die zo juist uit haar boeien was bevrijd!
Enige maanden later heerste er grote opgewondenheid in Londen. Broeder Knorr en Henschel brachten hun eerste naoorlogse bezoek en ik gaf mij op voor Gilead. Een paar maanden later kreeg ik de uitnodiging. Ik zal nooit vergeten welk een vreugde dat mij heeft gegeven. In juni 1946 stak ik dus over naar de Verenigde Staten en bracht achttien maanden in dat land door, maanden vol voorrechten: eerst enkele maanden op Bethel, daarna het congres in Cleveland en vervolgens de achtste klas van Gilead, waarin ik de zes waardevolste maanden van mijn leven heb doorgebracht. Het is niet mogelijk de wonderbaarlijke omgang en opleiding met woorden te beschrijven; men vergeet Gilead nimmermeer. De nu volgende periode van zes maanden bracht ik in een kring in New Jersey door, waar ik de broeders en zusters bijzonder vriendelijk vond; zij betaalden zelfs voor mijn broer (die ook in de achtste klas zat) en mij de reis naar de vergadering die in 1947 in Los Angeles werd gehouden. Al gauw daarna vertrok mijn broer naar Afrika terwijl ik een toewijzing voor Spanje en Portugal kreeg. Broeder Knorr en Henschel gingen er ook naar toe en zo had ik dus het voorrecht om in december 1947 samen met hen over te vliegen. In Madrid konden we slechts één plaats in het vliegtuig naar Barcelona krijgen. Broeder Knorr zei: „Je zult alleen moeten gaan, John!” Het hart zonk mij in de schoenen want ik wist van de ernstige moeilijkheden die er in het groepje te Barcelona bestonden, af. Bij mijn aankomst trof ik twee volkomen gescheiden groepen die de president en zijn secretaris verwachtten. Dit was het begin van vele moeilijke momenten!
Ja, deze eerste maanden waren werkelijk een beproeving, zoals dat dikwijls het geval is. Er was daar geen sprake van organisatie en er werd geen echte velddienst verricht; ik moest de harmonie herstellen en de gemeente op gang helpen. Om de zaken nog moeilijker te maken, werd ik ernstig ziek. De verleiding om naar huis te gaan, was heel groot, maar ik bleef; en omdat ik de Koninkrijksbelangen de eerste plaats had gegeven, werden de stoffelijke levensbehoeften mij toegevoegd, want de broeders en zusters in Barcelona betaalden alle kosten van mijn ziekte terwijl zij eveneens twee maanden lang dag en nacht voor mij zorgden — een schitterende manifestatie van broederlijke liefde. Ik was ontroerd na mijn ziekte in Barcelona een verenigde gemeente van ongeveer veertig personen terug te vinden. Het werk in Spanje had nu een grote verandering ondergaan daar alle vergaderingen en iedere vorm van activiteit werden verboden. Zo gebeurde het bijvoorbeeld dat tijdens mijn bezoek aan Barbastro, de gemeentedienaar en ik een geïsoleerde verkondiger gingen opzoeken die in een bergdorp woonde. Onderweg kwamen wij een priester en vier gewapende guardia civil tegen. Eén van hen droeg een revolver en beval „¡Manos arriba!” („Handen omhoog!”). Toen verdween de priester terwijl wij naar het hoofdbureau van politie werden meegenomen waar wij tot vier uur in de morgen werden ondervraagd. Zij beschuldigden ons ervan dat wij een onwettige vergadering hielden, hoewel zij ons buiten het dorp hadden gearresteerd! Na een paar dagen in een smerige gevangenis te hebben gezeten, werden we echter weer in vrijheid gesteld.
In augustus 1948 bevond ik me in Lissabon. Mijn visum was drie weken geldig, maar daar de behoefte in dit gebied sterk werd gevoeld, bad ik of ik mocht blijven. En ik ben gebleven — vijf jaar zelfs. Het werk is in Portugal iets gemakkelijker dan in Spanje, men kan er vrijer werken en kleine vergaderingen houden. Onze positie was echter nog zeer onzeker en wij vroegen ons dikwijls af wat er in de naaste toekomst wel zou gebeuren. Wij hadden echter een flinke toename.
In 1951 kwamen er twee zendelingen bij (waarmee er een einde kwam aan een periode van drie jaar waarin ik geen partner had) en wij betrokken een klein huisje. In juli van dat jaar ontvingen wij bezoek van de vice-president van het Genootschap en ik had het voorrecht met hem door Spanje te reizen alvorens wij naar de in Londen gehouden vergadering in het Wembley stadion vlogen. Enige maanden later was ik na een zeer noodzakelijke rust genoten te hebben, weer terug in Spanje en bezocht de gemeenten opnieuw, nu met broeder Knorr en broeder Henschel. Gedurende mijn afwezigheid was er in de gemeente te Lissabon tweedracht ontstaan. Broeder Knorr stelde daarom een onderzoek in en de onordelijke elementen werden verwijderd. Ik kreeg ook een berisping, maar „vermaningen . . . zijn een weg ten leven”, en het heeft mij veel goed gedaan. Daarna ging de vooruitgang in Lissabon veel sneller. Het jaar daarop kwamen dezelfde bezoekers weer en zij waren verheugd dat de toestand zo verbeterd was; bij die gelegenheid werd ik tot bijkantoordienaar van Portugal en Spanje aangesteld. In hetzelfde jaar (1953) maakte ik een reis naar New York en genoot het voorrecht daar eerst de bijkantoordienarenvergadering en vervolgens het wonderbaarlijke congres bij te wonen. Weer terug in Lissabon heb ik een „ondergrondse” vergadering georganiseerd waarop de belangrijkste punten van het congres in New York werden besproken. De volgende dag wilde ik naar Madrid gaan maar werd mij aan de grens de toegang geweigerd. Gelukkig kon ik Portugal weer binnenkomen en er blijven totdat mijn visum in mei 1954 afliep. Weer probeerde ik Spanje binnen te komen maar opnieuw werd ik aan de grens tegengehouden. Ik kreeg toen instructies naar Bordeaux te gaan. Dit was mijn eerste bezoek aan deze stad sinds juni 1940, en jullie kunnen je dus mijn vreugde voorstellen toen ik werd afgehaald door een echtpaar dat ik veertien jaar voordien studie had gegeven! Het was prettig weer in Frankrijk te zijn en te zien welke vooruitgang daar was gemaakt. Ik bracht enkele heel gelukkige maanden in Bordeaux door om daarna naar mijn volgende toewijzing — Afrika! — te vertrekken, waar ik een speciale zendingstocht naar de Portugese koloniën Angola en Mozambique moest maken.
Op 24 januari 1955 landde ik in Luanda, de hoofdstad van Angola. Ik had een moeilijke opdracht — ik moest een onderzoek instellen naar een ongewone groep van ongeveer duizend Afrikanen die uit twee brochures van het Genootschap die zij al jaren geleden hadden gevonden, een oppervlakkige kennis van de waarheid hadden gekregen en die uit Belgisch Kongo waren gezet omdat zij ervan werden beschuldigd leden van de Mau Mau te zijn en nu onder streng toezicht over heel Angola waren verspreid. Ik begon mijn onderzoekingen voorzichtig. Ik kwam op zeer vriendschappelijke voet te staan met één van de hoge autoriteiten en kwam in contact met enkele leden van de groep. Bij een moeilijke toewijzing zoals deze gaat men dikwijls in gebed tot Jehovah. Zelden heb ik zijn leiding zo sterk gevoeld als in Angola. Zo moest ik bijvoorbeeld naar enkele Afrikanen toe die in het zuiden in een strafkolonie zaten waar niemand zonder speciale toestemming kon binnenkomen. Ik kreeg niet alleen de toestemming maar ook werd mijn reis per vliegtuig erheen en terug betaald. Kunnen jullie je voorstellen dat een katholieke regering de kosten van een vertegenwoordiger van het Wachttorengenootschap betaalt zodat deze persoon enkele Afrikanen kan bezoeken? Dit groepje was het verst in de waarheid gevorderd en zij lieten mij een oud schrift zien waarin een vertaling van de twee gevonden brochures in hun eigen taal stond. Met de hand geschreven afschriften hiervan waren jarenlang hun enige leerboek over het Koninkrijk geweest; toch werden zij hier vanwege hun geloof in hechtenis gehouden! Ik deed in Angola vele interessante ervaringen op, maar moest na vijf maanden het land verlaten aangezien mijn visum was afgelopen. Het fundament voor de kern van de Nieuwe-Wereldmaatschappij was echter gelegd.
Hierna kwam de ’operatie Lourenço Marques’, de hoofdstad van Mozambique, om te trachten enkele honderden Afrikaanse verkondigers, van wie sommigen wreed door de katholieken waren behandeld, te helpen. Uit voorzichtigheid meed ik het contact met Afrikanen en ging aanvankelijk met Europeanen om. Daar ik het vermoeden had dat de politie mij in het oog hield (wat ook het geval was), vond ik het moeilijk met het werk te beginnen. Ik vroeg Jehovah echter of hij mij kracht wilde geven en maakte een interessante tijd door. Ik bracht een bezoek aan een jongeman die jaren geleden in Lissabon de waarheid had gehoord; hij nam een abonnement op de Portugese en de Franse Wachttoren en op de Portugese Ontwaakt!, alle drie voor vijf jaar, en gaf bovendien nog een overvloedige bijdrage! Toen ik wegging, zette hij enkele van de door mij opgerichte studies voort. Vijf maanden lang had ik moeilijkheden kunnen voorkomen, maar uiteindelijk werd ik toch door de Geheime Politie opgeroepen en aan een zeer streng verhoor onderworpen waarna men mij achtenveertig uur gaf om het land te verlaten. Het was eigenlijk wel goed zo want ik kon niet tegen het klimaat. Ik kwam zeer verzwakt op het bijkantoor in Zuid-Afrika aan en werd naar een ziekenhuis gezonden. Ik had echter niets ernstigs zodat ik enkele weken later weer op pad was als kringdienaar onder de Europeanen in Transvaal.
Wat een verandering! Hoe gemakkelijk scheen het hier te zijn na in katholiek gebied en ’ondergronds’ te hebben gewerkt! Tot april 1957 vlogen de maanden voorbij; toen kreeg ik drie verrassingen in één week — hele aangename verrassingen overigens! Een zeer edelmoedige broeder gaf mij een kleine auto; ik werd als districtsdienaar aangesteld en ik werd verliefd op een aardige zendelinge uit de zestiende klas van Gilead! In december 1957 trouwden we en wij hebben samen een prachtige tijd in de districtsdienst gehad. Wat een interessant en afwisselend leven is dat! De ene week een Europese vergadering in de Town Hall en de volgende week een vergadering met de Afrikanen in een kleine, bouwvallige hut. Het grootste gedeelte van de tijd zijn wij bij de Afrikanen, die de broederlijke hulp van Europeanen zeer op prijs stellen. De meeste inlandse oorden zijn woeste plaatsen waar het na donker niet veilig is. Op één vergadering moest er een verdedigingsgroep worden georganiseerd om een bende inlanders in bedwang te houden. Maar ondanks dat en ondanks het taalprobleem verheugen wij ons toch ten volle in onze bediening. Beetsjoeanaland ligt ook in ons district en daar doen wij vaak ongewone ervaringen op — eens bleven wij drie en een half uur in een rivier steken terwijl het water door de auto stroomde, en een andere keer interviewden wij vijandige opperhoofden. De lectuur is daar verboden, maar vele autoriteiten waarderen ons werk en ook daar groeit de Nieuwe-Wereldmaatschappij.
Dank zij de spontane milddadigheid van mijn schoonouders waren wij beiden in staat de in 1958 te New York gehouden ’Goddelijke wil’-vergadering bij te wonen, alwaar wij getuige waren van de sterke groei van de organisatie en de manifestatie van de „vruchten van de geest”. Wat een vreugde was het weer oude vrienden te ontmoeten en Jehovah’s volk op een veel bredere basis te zien — een gelukkig, verenigd volk dat zich in elk opzicht uitbreidt en zegevierend voortrukt.
„De zes maanden, vader, die u hebt voorspeld, zijn dus uitgegroeid tot achtentwintig jaar! Ik ben zo blij dat uw houding ten opzichte van de Nieuwe-Wereldmaatschappij nu ook heel wat vriendelijker is”.
„En jullie medeburgers van de Nieuwe-Wereldmaatschappij, ik hoop dat deze paar ervaringen jullie zullen helpen iets te voelen van wat ik voel — dat Jehovah verreweg de beste Meester is om te dienen. Waarom in wereldse zaken verwikkeld te geraken, waar men zonder vooruitzichten werkt? Ik kan terugzien op vele vreugdevolle voorrechten die ik in mijn achtentwintigjarige pioniersdienst heb gehad, maar de toekomst is nog oneindig veel glorieuzer! Neemt de pioniersdienst op en drinkt deze genotvolle beker met toekomstige zegeningen tot de laatste druppel!”