„Aangezien wij deze bediening hebben . . ., geven wij de moed niet op”
ZOALS VERTELD DOOR RONALD TAYLOR
In de zomer van 1963 vocht ik voor mijn leven. Terwijl ik langs de kust aan het pootjebaden was, stapte ik in een verraderlijke kuil en kwam plotseling in heel diep water terecht. Omdat ik niet kon zwemmen, stond ik op het punt slechts een paar meter van de kust te verdrinken. Ik was al drie keer kopje-onder gegaan en had grote hoeveelheden zeewater naar binnen gekregen, toen een vriend mijn benarde situatie zag en mij naar de kust sleepte. Dank zij de mond-op-mond-beademing die ik prompt kreeg, overleefde ik het.
DIT was niet de eerste keer dat ik tot het besef kwam hoe belangrijk het is om nooit de moed op te geven — zelfs als de situatie hopeloos lijkt. Al heel jong moest ik voor mijn geestelijke leven vechten.
Het was in de donkere dagen van de Tweede Wereldoorlog dat ik voor het eerst in contact kwam met de christelijke waarheid. Ik was een van de duizenden kinderen die vanuit Londen waren geëvacueerd om aan de gevaren van de bomaanvallen te ontkomen. Aangezien ik nog maar twaalf jaar was, deed de oorlog mij niet echt veel; het was bijna een avontuur.
Een ouder echtpaar in Weston-super-Mare (Zuidwest-Engeland) ontfermde zich over mij. Al gauw nadat ik in het huis van het echtpaar was aangekomen, kregen wij geregeld bezoek van enkele pioniers. Het was de familie Hargreaves; zij waren alle vier — Reg, Mabs, Pamela en Valeri — speciale pionier. Mijn pleegouders aanvaardden de waarheid, en na het boek De Harp Gods te hebben bestudeerd, nam ik eveneens het besluit Jehovah te dienen. Slechts zes weken later werd ik uitgenodigd om aan het predikingswerk deel te nemen.
Ik kan mij nog altijd die eerste dag in de velddienst herinneren. Zonder enige voorbereiding werden mij een paar brochures gegeven en kreeg ik te horen: „Bewerk jij die kant van de straat maar.” En zo bracht ik mijn eerste predikingsdag door. In die tijd predikten wij vaak met behulp van grammofoonplaten waarop krachtige toespraken stonden. Mijn gelukkigste momenten waren wanneer ik de grammofoon van huis tot huis mocht dragen en opgenomen lezingen mocht afdraaien. Ik beschouwde het als een waar voorrecht om op die manier te worden gebruikt.
Ik gaf heel wat getuigenis op school en ik herinner mij dat ik een set boeken over bijbelse thema’s aan het schoolhoofd heb verspreid. Op dertienjarige leeftijd werd ik op een congres in het nabijgelegen Bath gedoopt. Een ander congres tijdens de oorlog dat ik nooit zal vergeten, was het congres dat in 1941 in de De Montfort Hall in Leicester werd gehouden. Ik liep naar het podium om mijn exemplaar van het boek Kinderen in ontvangst te nemen, met daarin een persoonlijke boodschap van broeder Rutherford, de toenmalige president van het Wachttorengenootschap. De bezielende toespraak die tot alle aanwezige jongeren gericht was, versterkte mijn verlangen om Jehovah voor altijd te dienen.
Zo bracht ik twee gelukkige jaren bij mijn pleegouders door terwijl ik in de waarheid opgroeide. Maar toen ik veertien was, moest ik terug naar Londen en gaan werken voor de kost. Hoewel ik met mijn familie herenigd was, moest ik nu in geestelijk opzicht op eigen benen staan, aangezien niemand thuis mijn geloofsovertuigingen deelde. Jehovah voorzag al gauw in de hulp die ik nodig had. Slechts drie weken na mijn aankomst in Londen kwam er een broeder bij ons aan de deur om mijn vader te vragen of hij mij naar de plaatselijke Koninkrijkszaal mocht meenemen. De broeder was John Barr, die nu een lid van het Besturende Lichaam van Jehovah’s Getuigen is. Hij werd een van mijn geestelijke „vaders” in die kritieke tienerjaren. — Mattheüs 19:29.
Ik begon de gemeente Paddington te bezoeken, die in Craven Terrace naast het Bethelhuis in Londen bijeenkwam. Aangezien ik een geestelijke wees was, kreeg een oudere gezalfde broeder, „Pappa” Humphreys, de toewijzing om speciale belangstelling voor mij te tonen. Het was beslist een grote zegen om met de vele gezalfde broeders en zusters om te kunnen gaan die in die gemeente dienden. Degenen onder ons die de aardse hoop hadden — Jonadabs genaamd — waren in de minderheid. Ik was zelfs de enige „Jonadab” op de gemeenteboekstudie die ik bezocht. Hoewel ik niet veel omgang met leeftijdgenoten had, leerde ik veel nuttige lessen uit die kostbare vriendschap met rijpe broeders. Misschien was de belangrijkste les wel dat wij nooit Jehovah’s dienst moeten verlaten.
In die dagen brachten wij het hele weekend in de prediking door. Ik had de toewijzing voor de „geluidswagen” te zorgen — in werkelijkheid een driewieler, uitgerust met een geluidsinstallatie en een autoaccu. Elke zaterdag stapte ik op de driewieler en ging naar verschillende straathoeken, waar wij wat muziek afspeelden en vervolgens een van de lezingen van broeder Rutherford draaiden. De zaterdagen werden ook gebruikt voor straatwerk met onze tijdschriftentassen. De zondagen besteedden wij aan van-huis-tot-huiswerk, waarbij wij brochures en gebonden boeken aanboden.
Mijn omgang met ijverige oudere broeders wekte in mij het verlangen op om te pionieren. Dit verlangen werd verder aangewakkerd wanneer ik naar pionierslezingen op de districtscongressen luisterde. Eén congres dat een diepe uitwerking op mijn leven had, was het congres dat in 1947 in Earl’s Court in Londen werd gehouden. Twee maanden later gaf ik mij op voor de pioniersdienst, en ik heb er sindsdien altijd naar gestreefd de pioniersgeest te bewaren. De vreugde die ik putte uit het leiden van progressieve bijbelstudies vormde er een bevestiging van dat dit de juiste beslissing was.
Een Spaanse bruid en een Spaanse toewijzing
In 1957 leerde ik, terwijl ik nog steeds in de gemeente Paddington pionierde, een lieftallige Spaanse zuster kennen, Rafaela genaamd. Na een paar maanden trouwden wij. Ons doel was samen te pionieren, maar eerst gingen wij naar Madrid zodat ik kennis kon maken met Rafaela’s ouders. Het was een bezoek dat mijn leven heeft veranderd. In Madrid vroeg broeder Ray Dusinberre, de bijkantooropziener van Spanje, mij of wij erover wilden nadenken in Spanje te dienen, waar een enorme behoefte aan ervaren broeders was.
Hoe konden wij zo’n uitnodiging afslaan? In 1958 begonnen wij dus samen met onze volle-tijddienst in Spanje. In die tijd stond het land onder Franco’s bewind en onze activiteit was niet wettelijk erkend, waardoor het predikingswerk heel erg werd bemoeilijkt. Bovendien worstelde ik de eerste paar jaar met het Spaans. Opnieuw was het een kwestie van de moed niet opgeven, hoewel ik meer dan eens heb gehuild uit pure frustratie omdat ik niet met de broeders en zusters in de gemeente kon communiceren.
De behoefte aan opzieners was zo groot dat ik, hoewel ik amper Spaans sprak, binnen een maand de zorg voor een kleine groep had. Wegens de clandestiene aard van ons werk waren wij in kleine groepen georganiseerd die uit vijftien tot twintig verkondigers bestonden en min of meer als kleine gemeenten functioneerden. In het begin was het zenuwslopend om de vergaderingen te leiden, aangezien ik de antwoorden uit de zaal niet altijd begreep. Maar mijn vrouw zat achterin, en als zij merkte dat ik in verwarring verkeerde, gaf zij mij een knikje om te bevestigen dat het antwoord goed was.
Ik heb geen talenknobbel, en menigmaal wilde ik naar Engeland terug, waar ik alles veel gemakkelijker kon doen. Maar vanaf het begin compenseerde de liefde en vriendschap van onze geliefde Spaanse broeders en zusters mijn frustraties in verband met de taal. En Jehovah zegende mij met bijzondere voorrechten die het allemaal de moeite waard leken te maken. In 1958 werd ik uitgenodigd om als een afgevaardigde van Spanje het internationale congres in New York te bezoeken. Daarna ontving ik in 1962 een opleiding van onschatbare waarde op de Koninkrijksbedieningsschool die voor ons in Tanger (Marokko) was georganiseerd.
Nog een probleem waarmee ik behalve de taal te kampen had, was de voortdurende angst om door de politie te worden opgepakt. Als buitenlander wist ik dat arrestatie automatisch uitwijzing zou betekenen. Om het risico zo klein mogelijk te houden, werkten wij twee aan twee. Terwijl de een aan het prediken was, luisterde de ander of er enig teken van gevaar was. Na het bezoeken van een of twee woningen, vaak op de bovenste verdieping van een flat, gingen wij twee of drie blokken verder en belden weer bij twee of drie woningen aan. Wij maakten een intensief gebruik van de bijbel, en wij hadden maar een paar brochures bij ons, weggestopt in onze jas, om aan geïnteresseerden aan te bieden.
Na een jaar in Madrid te hebben gewerkt, kregen wij Vigo als toewijzing, een grote stad in Noordwest-Spanje, waar helemaal geen Getuigen waren. Het Genootschap raadde ons aan dat de eerste maand of zo mijn vrouw het meeste zou prediken — om de indruk te wekken dat wij als toeristen op bezoek waren. Ondanks onze verdekte benadering trok onze prediking de aandacht. Binnen een maand begonnen katholieke priesters ons via de radio te hekelen. Zij waarschuwden hun parochianen dat er een echtpaar van huis tot huis ging en over de bijbel sprak — een bijna verboden boek in die tijd. Het „gezochte echtpaar” bestond uit een buitenlander en zijn Spaanse vrouw, die hoofdzakelijk het woord deed!
De priesters bepaalden dat louter het spreken met dit gevaarlijke echtpaar een zonde was die alleen maar zou worden vergeven als die onmiddellijk aan een priester werd beleden. En ja hoor, aan het eind van een prettig gesprek dat wij met een dame hadden, zei ze verontschuldigend tegen ons dat zij moest gaan biechten. Toen wij haar huis verlieten, zagen wij haar naar de kerk snellen.
Uitwijzing
Slechts twee maanden na onze aankomst in Vigo kwam de politie in actie. De politieagent die ons arresteerde, was welwillend en deed ons niet de handboeien om voor de rit naar het politiebureau. Op het bureau zagen wij een bekend gezicht, een typiste tot wie wij onlangs hadden gepredikt. Zij was er duidelijk verlegen onder toen zij zag dat wij als misdadigers werden behandeld en haastte zich om ons ervan te verzekeren dat zij ons niet had aangegeven. Niettemin werden wij ervan beschuldigd dat wij de „geestelijke eenheid van Spanje” in gevaar brachten, en zes weken later werden wij uitgewezen.
Het was een tegenslag, maar wij waren niet van plan de moed op te geven. Er was nog steeds veel werk te doen op het Iberisch Schiereiland. Na drie maanden in Tanger te hebben verbleven, werden wij toegewezen aan Gibraltar — ook een maagdelijk gebied. Zoals de apostel Paulus zegt, zullen wij, als wij onze bediening waarderen, doorgaan en beloond worden (2 Korinthiërs 4:1, 7, 8). Dat bleek in onze situatie het geval te zijn. Bij het allereerste huis dat wij in Gibraltar bezochten, richtten wij een bijbelstudie op met een heel gezin. Het duurde niet lang of wij leidden elk zeventien bijbelstudies. Veel van de personen met wie wij studeerden, werden Getuigen, en binnen twee jaar was er een gemeente van 25 verkondigers.
Maar net als in Vigo begonnen de geestelijken een campagne tegen ons te voeren. De anglicaanse bisschop van Gibraltar waarschuwde het hoofd van politie dat wij „ongewenste personen” waren, en zijn lobbyen had uiteindelijk resultaat. In januari 1962 werden wij uit Gibraltar weggestuurd. Waar zouden wij nu heen gaan? Er was nog steeds een grote behoefte in Spanje, dus gingen wij weer terug, in de hoop dat ons vroegere politierapport tegen die tijd goed zou zijn opgeborgen.
Het zonnige Sevilla was ons nieuwe thuis. Daar smaakten wij de vreugde nauw samen te werken met een ander pioniersechtpaar, Ray en Pat Kirkup. Hoewel Sevilla een stad met een half miljoen inwoners was, waren er slechts 21 verkondigers, dus er was veel werk te doen. Nu zijn er 15 gemeenten, met 1500 verkondigers. Een jaar later werden wij aangenaam verrast; wij kregen een uitnodiging om in het reizende werk in Barcelona en omstreken te dienen.
Kringwerk verrichten in een land waar ons werk niet wettelijk erkend was, ging een beetje anders dan normaal. Elke week bezochten wij kleine groepen, waarvan de meeste maar heel weinig bekwame broeders hadden. Deze hardwerkende broeders hadden alle opleiding en steun nodig die wij hun maar konden geven. Wij hielden van deze toewijzing! Na verscheidene jaren doorgebracht te hebben in gebieden waar weinig of geen Getuigen waren, vonden wij het heerlijk zo veel verschillende broeders en zusters te bezoeken. Bovendien was het predikingswerk in Barcelona gemakkelijker, en veel mensen wilden de bijbel bestuderen.
Vechten tegen depressiviteit
Slechts zes maanden later vond er echter een ingrijpende verandering in mijn leven plaats. Onze eerste vakantie aan de kust werd bijna een tragedie toen ik het eerder beschreven ongeluk kreeg. Lichamelijk gezien herstelde ik vrij snel van de schok dat ik bijna was verdronken, maar het voorval drukte een onuitwisbaar stempel op mijn zenuwgestel.
Een paar maanden worstelde ik om in de kringdienst te blijven, maar uiteindelijk moest ik naar Engeland terugkeren voor een medische behandeling. Na twee jaar was ik voldoende hersteld zodat wij samen naar Spanje konden terugkeren, waar wij het kringwerk hervatten. Maar het was slechts voor een korte tijd. Mijn schoonouders werden ernstig ziek, en wij verlieten de volle-tijddienst om voor hen te zorgen.
Het leven werd moeilijker toen ik in 1968 een totale zenuwinzinking kreeg. Er waren tijden dat Rafaela en ik beiden dachten dat ik nooit meer beter zou worden. Het was alsof ik weer verdronk, maar op een andere manier! Behalve dat ik tengevolge van de depressiviteit overweldigd werd door negatieve gevoelens, werd ik erdoor van al mijn krachten beroofd. Ik leed aan periodes van extreme vermoeidheid, waardoor ik gedwongen werd bijna voortdurend te rusten. In die tijd hadden niet alle broeders begrip voor dit probleem; natuurlijk wist ik dat Jehovah het wel begreep. Het heeft mij veel voldoening geschonken de schitterende artikelen in De Wachttoren en Ontwaakt! te lezen die van veel begrip getuigen en een hulp vormen voor degenen die neerslachtig zijn.
Tijdens die moeilijke periode was mijn vrouw een voortdurende bron van aanmoediging. Samen het hoofd bieden aan problemen versterkt werkelijk de huwelijksband. Rafaela’s ouders stierven, en na twaalf jaar verbeterde mijn gezondheid dermate dat wij dachten de volle-tijddienst te kunnen hervatten. In 1981 werden wij tot onze verrassing en grote vreugde opnieuw uitgenodigd om in het kringwerk te dienen.
Er hadden in Spanje enorme theocratische veranderingen plaatsgevonden sinds onze vorige ervaring in de reizende dienst. De prediking was nu vrij, dus ik moest mij met de nieuwe situatie vertrouwd maken. Maar het was een groot voorrecht opnieuw als kringopziener te dienen. Omdat wij ondanks moeilijke omstandigheden hadden gepionierd, konden wij pioniers aanmoedigen die problemen hadden. En vaak konden wij anderen helpen zich bij de pioniersgelederen te voegen.
Na elf jaar reizend werk in Madrid en Barcelona maakte onze verslechterende gezondheid het opnieuw noodzakelijk om van toewijzing te veranderen. Wij werden als speciale pioniers aan de stad Salamanca toegewezen, waar ik mij nuttig kon maken als ouderling. De broeders in Salamanca zorgden ervoor dat wij ons meteen thuis voelden. Een jaar later zou nog een crisis onze volharding op de proef stellen.
Rafaela kreeg om onverklaarbare reden last van ernstige bloedarmoede, en onderzoeken wezen uit dat zij kanker aan de dikke darm had. Nu moest ik de sterke zijn en mijn vrouw zoveel mogelijk steunen. Onze eerste reactie was ongeloof, gevolgd door angst. Zou Rafaela dit overleven? Op zulke momenten is volledig vertrouwen in Jehovah wat ons helpt om door te gaan. Ik ben blij te kunnen zeggen dat Rafaela met succes is geopereerd, en wij hopen dat de kanker niet terugkomt.
Hoewel wij onze ups en downs hebben gehad in de 36 jaar die wij in Spanje hebben doorgebracht, is het hartverwarmend geweest om die periode van geestelijke groei mee te maken. Wij hebben de kleine groep van zo’n 800 verkondigers in 1958 zien uitgroeien tot een leger van ruim 100.000 verkondigers in deze tijd. Onze moeilijkheden werden in de schaduw gesteld door onze vele vreugden — anderen helpen de waarheid te aanvaarden en geestelijk rijp te worden, als man en vrouw samen te werken, en het gevoel te hebben dat wij ons leven op de best mogelijke manier hebben gebruikt.
Paulus zegt in zijn tweede brief aan de Korinthiërs: „Aangezien wij deze bediening hebben overeenkomstig de barmhartigheid die ons werd betoond, geven wij de moed niet op” (2 Korinthiërs 4:1). Terugblikkend geloof ik dat er verscheidene factoren in mijn leven zijn geweest die mij ervan hebben weerhouden de moed op te geven. Het voorbeeld van getrouwe gezalfde broeders die tijdens mijn vormingsjaren belangstelling voor mij toonden, heeft in een voortreffelijk fundament voorzien. Dat ik een huwelijkspartner heb met dezelfde geestelijke doeleinden vormt een schitterende hulp; wanneer ik mij neerslachtig voelde, beurde Rafaela mij op, en ik heb hetzelfde voor haar gedaan. Gevoel voor humor is eveneens een belangrijke factor. Wanneer je samen met de broeders en zusters kunt lachen — en om jezelf kunt lachen — lijken problemen op de een of andere manier minder overweldigend.
Maar bovenal is voor volharding in weerwil van beproevingen Jehovah’s sterkte vereist. Ik denk altijd aan Paulus’ woorden: „Voor alle dingen bezit ik de sterkte door hem die mij kracht verleent.” Met Jehovah aan onze zijde hoeven wij de moed nooit op te geven. — Filippenzen 4:13.
[Illustraties op blz. 23]
Ronald en Rafaela Taylor in 1958
[Illustraties op blz. 24, 25]
Vergaderen onder verbodsbepalingen in Spanje (1969)