Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 500-502
  • Gilead

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Gilead
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • GESCHIEDKUNDIGE GEBEURTENISSEN IN GILEAD
  • Gilead
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • Gilead — Gebied voor moedige mensen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1993
  • Jehovah’s leiding verheugd aanvaard
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1999
  • De Gileadschool bevordert de wereldomvattende bekendmaking van het Koninkrijk
    Ontwaakt! 1973
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 500-502

GILEAD

(Gi̱lead) [waarschijnlijk: getuigenishoop].

Algemeen wordt aangenomen dat de naam „Gilead” is afgeleid van Gal-Ed, doordat men twee klinkers veranderde. — Gen. 31:47, 48; zie GAL-ED.

Gilead is een geografische aanduiding die in de bijbel verschillend wordt toegepast. Strikt genomen had de naam Gilead betrekking op het bergland ten O. van de Jordaan, dat zich ten N. en ten Z. van het stroomdal van de Jabbok uitstrekte (Joz. 12:2). In het N. werd het begrensd door Basan, in het Z. door de ten N. van het stroomdal van de Arnon gelegen hoogvlakte en in het O. door het gebied van Ammon (Deut. 2:36, 37; 3:8-10). Soms werd „Gilead” of het „land Gilead” echter algemeen toegepast op het gehele Israëlitische gebied ten O. van de Jordaan, met inbegrip van Basan en de hoogvlakte ten N. van de Arnon. — Joz. 22:9; Recht. 20:1, 2; 2 Sam. 2:9; 2 Kon. 10:32, 33.

Klaarblijkelijk was men van mening dat „Gilead” uit twee delen bestond. Hoewel het aan de halve stam Manasse toegewezen gebied in Numeri 32:40 eenvoudig „Gilead” wordt genoemd, is een specifiekere aanduiding echter de „rest van Gilead” (Deut. 3:13) of de „helft van Gilead” (Joz. 13:31). Op overeenkomstige wijze werd het gemeenschappelijke gebied van Gad en Ruben, dat ten Z. van het aan de halve stam Manasse toegewezen erfdeel lag, specifieker als de „helft van het bergland van Gilead” aangeduid (Deut. 3:12). Maar ditzelfde gebied werd af en toe ook eenvoudig „Gilead” genoemd, evenals het deel dat aan Gad was toegewezen (waar de toevluchtsstad Ramoth lag). — Num. 32:29; Joz. 13:24, 25; 21:38.

Van minstens 210 m onder de zeespiegel in het Jordaandal verheft Gilead zich tot meer dan 1000 m boven de zeespiegel. Vroeger was dit gebied vanwege de overvloedige regenval in de winter, de zware dauw in de zomer en de talrijke bronnen zeer vruchtbaar en bosrijk. Het stond bekend om zijn geneeskrachtige balsem (Jer. 8:22; 46:11). Zijn glooiende hoogvlakten waren zeer geschikt voor veeteelt en graanbouw. Ook werden er in Gilead druiven verbouwd. — Num. 21:22; 32:1.

GESCHIEDKUNDIGE GEBEURTENISSEN IN GILEAD

Kort voordat de Israëlieten het Beloofde Land binnentrokken, stond het deel van Gilead ten Z. van het stroomdal van de Jabbok onder de heerschappij van de Amoritische koning Sihon, terwijl Og, de koning van Basan, over het noordelijke deel heerste (Joz. 12:1-4). Onder leiding van Mozes versloegen de Israëlieten deze beide koningen, en de stammen Gad en Ruben vroegen vanwege hun talrijke veestapel dit gebied als erfdeel (Num. 21:21-24, 33-35; 32:1-5). Hun verzoek werd ingewilligd onder voorwaarde dat de weerbare mannen van beide stammen de Jordaan zouden overtrekken om de andere stammen bij de verovering van het Beloofde Land te helpen (Num. 32:20-24, 28-30). Zij stemden hierin toe en gingen onmiddellijk aan de slag om voor hun families, die zij zouden achterlaten, steden te herbouwen (Num. 32:25-27, 31-38). De halve stam Manasse kreeg eveneens een erfdeel ten O. van de Jordaan. — Num. 32:33, 39, 40.

Toen de mannen van Ruben, Gad en de halve stam Manasse naar hun erfdeel in Gilead terugkeerden, bouwden zij een altaar als gedenkteken van hun trouw aan Jehovah (Joz. 22:9, 10, 26-29). Later kwamen zij samen met de overige stammen in actie tegen de Benjaminieten, omdat dezen de kwaaddoeners van Gibea hun gerechte straf hadden laten ontgaan (Recht. 20:1-48). Maar in scherpe tegenstelling hiermee werd „Gilead” berispt omdat het zich niet bij Barak in de strijd tegen Sisera had aangesloten (Recht. 5:17). En in een latere periode weigerden ook de mannen van Sukkoth en Pnuël — twee steden in Gilead — Gideon en zijn mannen te ondersteunen en hen bij de achtervolging van de Midianieten van voedsel te voorzien. — Recht. 8:4-9.

Nadat rechter Jaïr, een Gileadiet, gestorven was en de Israëlieten opnieuw tot afgoderij waren vervallen, werden zij 18 jaar lang zwaar onderdrukt door de Ammonieten. Toen de Ammonieten werkelijk de strijd tegen Israël aanbonden, keerden de mannen van Gilead de valse aanbidding de rug toe en vroegen de Gileadiet Jefta dringend om in de strijd tegen Ammon hun aanvoerder te zijn. Zo gebeurde het dat de Ammonieten onderworpen werden. — Recht. 10:3, 5-10; 11:4-11, 32, 33.

Jaren later echter had Gilead nog steeds moeilijkheden met de Ammonieten (Amos 1:13). Kort nadat Saul als eerste koning over Israël was gezalfd, belegerde de Ammoniet Nahas Jabes-Gilead en eiste de overgave van deze stad onder voorwaarde dat de mannen hun rechteroog lieten uitsteken. Toen Saul dit vernam, bracht hij snel een leger van 330.000 man op de been en versloeg de Ammonieten (1 Sam. 11:1-11). Daarna brak er voor Gilead schijnbaar een periode van betrekkelijke zekerheid aan, die zelfs na de dood van Saul voortduurde. Dit wordt te kennen gegeven door het feit dat Abner de Gileaditische stad Mahanaïm uitkoos om Sauls zoon Isboseth tot koning te maken (2 Sam. 2:8, 9). Tijdens Davids regering kwam het echter opnieuw tot een conflict met de Ammonieten. Gilead en zijn omgeving werden het toneel van de veldslagen die ten slotte tot de volledige onderwerping van Ammon leidden. — 2 Sam. 10:6-19; 11:1; 12:26-31.

Later, tijdens de opstand van Absalom, vluchtte koning David naar Gilead en werd in Mahanaïm vriendelijk en gastvrij ontvangen, vooral door de bejaarde Barzillai (2 Sam. 17:27-29; 19:32). Klaarblijkelijk trokken de strijdkrachten van David en van Absalom in Gilead tegen elkaar ten strijde. Doordat Absalom een verpletterende nederlaag leed, werd voor David de weg gebaand om Gilead te verlaten en zijn troon weer te bestijgen. — 2 Sam. 17:24; 18:6-8.

Niet lang nadat het tienstammenrijk was opgericht (997 v.G.T.), werd een deel van Gilead door de Syriërs ingelijfd. In de dagen van koning Achab en de Gileaditische profeet Elia was Ramoth-Gilead, een Gaditische toevluchtsstad in het O. van Gilead, in het bezit van de Syriërs (1 Kon. 17:1; 22:3). Tijdens de regering van koning Jehu en van zijn zoon Joahaz verloor Gilead vervolgens nog meer gebied en werd het door de Syrische koning Hazaël en zijn zoon Ben-Hadad zwaar onderdrukt en „gedorst” (2 Kon. 10:32-34; 13:1, 3, 7; Amos 1:3, 4). Joas, de zoon van Joahaz, versloeg de Syriërs echter driemaal en heroverde de steden die Israël tijdens de regering van zijn vader aan de Syriërs had moeten afstaan. — 2 Kon. 13:25.

In de dagen van de Israëlitische koning Pekah (ca. 778–758 v.G.T.) voerde de Assyrische koning Tiglath-Pileser III de bewoners van Gilead ten slotte in ballingschap (2 Kon. 15:29). Blijkbaar buitten de Ammonieten deze situatie onmiddellijk uit en begonnen het gebied van Gilead te bezetten (Ps. 83:4-8; Jer. 49:1-5). Jehovah gaf echter bij monde van zijn profeten de verzekering dat de Israëlieten na verloop van tijd weer in dit gebied zouden worden teruggebracht. — Jer. 50:19; Micha 7:14; Zach. 10:10.

[Kaart op blz. 501]

Het land Gilead

Berg Hermon

ZEE VAN GALILEA

BASAN

ARGOB

AMMON

DODE ZEE

Jordaan

Stroomdal v.d. Arnon

Stroomdal v.d. Jabbok

Rabba

Mahanaïm(?)

Jabes-Gilead

Ramoth-Gilead

Stroomdal v.d. Jarmoek

Astaroth

Golan

Edreï

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen