GILGAL
(Gi̱lgal) [afwenteling].
1. Een stad „aan de oostelijke grens van Jericho” (Joz. 4:19). De plaats wordt met Chirbet el-Mefdzjir geïdentificeerd.
Haar ligging — ongeveer 2 km ten N.O. van het oude Jericho (Tell es-Sultan) — komt meer overeen met wat in vroege literaire werken (zoals van Josephus en Eusebius) over de afstand tussen Jericho en Gilgal wordt gezegd. Bij onderzoekingen in de omgeving van Chirbet el-Mefdzjir heeft men aardewerken fragmenten gevonden, waaruit valt op te maken dat daar reeds eeuwen vóór onze gewone tijdrekening een soort nederzetting moet zijn geweest.
Gilgal was de eerste legerplaats van de Israëlieten nadat zij in Nisan van het jaar 1473 v.G.T. de Jordaan overgetrokken waren. Op deze plaats richtte Jozua ter herinnering aan het feit dat Jehovah de wateren van de Jordaan had laten opdrogen zodat de Israëlieten de rivier konden overtrekken, 12 stenen op, die zij uit het midden van de rivierbedding hadden genomen (Joz. 4:8, 19-24). Alle mannelijke Israëlieten die in de wildernis waren geboren, werden in Gilgal besneden. Daarna zei Jehovah dat hij ’de smaad van Egypte van hen had afgewenteld’. Ter herinnering hieraan noemde men de plaats vervolgens „Gilgal”, wat „afwenteling” betekent (Joz. 5:8, 9). Later daalden vermomde Gibeonieten uit het in het W. gelegen heuvelland naar het Jordaandal af en begaven zich in Gilgal naar Jozua om een verbond met Israël te sluiten (Joz. 9:3-15). Toen de Gibeonieten naderhand door vijf geallieerde koningen der Amorieten werden aangevallen, marcheerde het leger van Jozua de hele nacht om van Gilgal naar hun stad toe te komen, waarna zij de aanvallers een verpletterende nederlaag toebrachten (Joz. 10:1-15). De verdeling van het land Kanaän geschiedde aanvankelijk vanuit Gilgal (Joz. 14:6–17:18) en werd ten slotte vanuit Silo voltooid. — Joz. 18:1–21:42.
Over Jehovah’s engel wordt bericht dat hij ’van Gilgal naar Bochim’ was gegaan (Recht. 2:1). Deze tekst zinspeelt wellicht op de vroegere verschijning van een engel in de omgeving van Gilgal kort nadat Israël de Jordaan was overgetrokken (Joz. 5:10-14), waaruit men kan opmaken dat dezelfde engel in Bochim verscheen.
Het is niet zeker of het Gilgal in de omgeving van de Jordaan of het Gilgal onder nr. 2 (hieronder) tot de plaatsen behoorde die Samuël jaarlijks in een kring bezocht (1 Sam. 7:15, 16). In Gilgal bracht hij na de zalving van Saul offers (1 Sam. 10:1, 8) en hernieuwde hij samen met het volk het koningschap van Saul. — 1 Sam. 11:14, 15.
Terwijl de Filistijnse strijdkrachten zich in het heuvelland rondom Michmas verzamelden, bevond koning Saul zich te Gilgal in het Jordaandal. Daar hij vreesde dat de vijand in het dal op hem zou aanstormen, was hij zo aanmatigend om het brandoffer te brengen (1 Sam. 13:4-15). Na zijn overwinning op Amalek was het wederom in Gilgal dat Saul ongehoorzaam was aan Jehovah’s gebod om alle Amalekieten en hun klein- en rundvee aan de vernietiging prijs te geven. Hierdoor werd hij definitief door Jehovah verworpen (1 Sam. 15:12-28). Toen de opstand van Absalom mislukte, kwamen de mannen van Juda naar Gilgal om David bij zijn overtocht over de Jordaan te begeleiden. — 2 Sam. 19:15, 40.
Bij monde van de profeet Micha herinnerde Jehovah zijn volk aan de zegeningen die over hen waren uitgestort. „Van Sittim . . . tot Gilgal” had hij de pogingen van de Moabieten om hen te verderven, verijdeld. Bovendien had hij zijn volk over de Jordaan gebracht en de smaad van Egypte van hen afgewenteld. Maar Israël onderscheidde deze „rechtvaardige daden van Jehovah” niet. — Micha 6:5; Num. 25:1.
2. Het in verband met Elia en Elisa genoemde Gilgal is klaarblijkelijk niet hetzelfde Gilgal als het hierboven onder nr. 1 genoemde, alhoewel sommigen daar een andere mening over hebben. Voordat Elia in een storm ten hemel werd opgenomen, daalde hij vergezeld door Elisa van Gilgal naar Bethel af en vervolgens naar Jericho (2 Kon. 2:1-5). Op grond van deze route zou men denken dat dit Gilgal zich in de buurt van Bethel bevond. Ook het feit dat zij ’afdaalden’ geeft te kennen dat het in een bergland lag. Deze beschrijving zou niet passen bij het Gilgal in het Jordaandal. Derhalve vereenzelvigen geografen dit tweede Gilgal gewoonlijk met Jiljulich, een groot dorp dat zo’n 11 km ten N. van Bethel op een heuvel ligt. Later maakte Elisa daar een vergiftigd gerecht eetbaar (2 Kon. 4:38-41). Misschien verwijst Deuteronomium 11:29, 30 naar dit of nog een ander Gilgal, want daar wordt gezegd dat het tegenover de berg Gerizim en de berg Ebal lag.
Mogelijk werd deze stad (of misschien nr. 1) in latere tijden een centrum van valse aanbidding (Hos. 4:15; 9:15; 12:11). Jehovah, die de latere ballingschap van het noordelijke koninkrijk voorzag, beval de onverbeterlijke Israëlieten bij monde van zijn profeet Amos spottend om ’te Gilgal veelvuldig overtredingen te begaan’, en voorzei bovendien dat de inwoners van Gilgal in ballingschap weggevoerd zouden worden. — Amos 4:4; 5:5.