Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g97 8/12 blz. 24-27
  • Jehovah heeft onze weg geëffend

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Jehovah heeft onze weg geëffend
  • Ontwaakt! 1997
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Ik had vragen
  • Huwelijk en kinderen
  • Op zoek naar de bijbelse waarheid
  • De bijbelse waarheid gevonden
  • De Koninkrijksbelangen op de eerste plaats
  • Een gelukkig gezinsleven — Hoe wij dit bereiken
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1976
  • Een man die het vond
    Ontwaakt! 1978
  • Acht kinderen grootbrengen in Jehovah’s wegen was een uitdaging en een vreugde
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2006
  • Hun zoeken naar ware religie beloond
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1973
Meer weergeven
Ontwaakt! 1997
g97 8/12 blz. 24-27

Jehovah heeft onze weg geëffend

IK BEN in 1924 geboren bij Cham, een stad in het Zwitserse kanton Zug. Mijn ouders hadden dertien kinderen — tien jongens en drie meisjes. Ik was de oudste, een jongen. Twee jongens zijn al heel jong gestorven. De rest van ons kreeg in de tijd van de Grote Depressie een degelijke katholieke opvoeding op een boerderij.

Pa was een eerlijke, goedmoedige man, maar hij had last van woedeaanvallen. Nu en dan gaf hij zelfs Moeder ervanlangs als haar jaloezie haar tot ongerechtvaardigde verwijten aanzette. Zij kon niet hebben dat hij met de vrouwen uit onze buurt babbelde, hoewel zij geen reden had om aan zijn trouw te twijfelen. Dit maakte mij altijd erg van streek.

Moeder was heel bijgelovig. Zelfs kleine voorvalletjes interpreteerde zij als een teken van „de arme zielen in het vagevuur”. Ik had een hekel aan die lichtgelovigheid. Maar de priesters stimuleerden haar bijgelovige opvattingen met lectuur die haar in haar vals-religieuze denkwijze staafde.

Ik had vragen

Als jonge jongen al hield ik mij bezig met vragen over God en de bestemming van de mens. Ik probeerde tot logische conclusies te komen, maar er waren zo veel tegenstrijdigheden! Ik las katholieke publikaties over de heiligen, wonderen, enzovoort. Die bevredigden echter mijn gevoel voor redelijkheid niet. Ik had het gevoel in het duister rond te tasten.

De plaatselijke priester vermaande mij niet te piekeren over de vragen die ik had. Hij zei dat alles willen begrijpen een teken van trots was, en dat God de hoogmoedigen weerstaat. De leerstelling die mij vooral tegen de borst stuitte, was dat God iedereen die stierf zonder zijn zonden te hebben beleden, eeuwig zou pijnigen in een brandende hel. Aangezien dit betekende dat de meeste mensen op aarde eeuwig gepijnigd zouden worden, vroeg ik mij dikwijls af: ’Hoe valt dit te rijmen met Gods liefde?’

Ik had ook mijn twijfels over het katholieke gebruik te biechten. Ik werd bang toen wij op de katholieke school te horen kregen dat onkuise gedachten een ernstige zonde waren, die bij een priester gebiecht moesten worden. Steeds weer vroeg ik mij af: ’Heb ik er wel aan gedacht alles te biechten? Of ben ik iets vergeten, waardoor mijn biecht ongeldig is en mijn zonden niet vergeven zijn?’ Zo werden er twijfels over Gods barmhartigheid en zijn vergevensgezindheid in mijn hart gezaaid.

Een jaar of drie, vier lang streed ik tegen afmattende deprimerende gedachten. Ik overwoog alle geloof in God op te geven. Maar dan bedacht ik weer: ’Als ik volhoud, zal ik ongetwijfeld de juiste weg vinden.’ Mettertijd ontwikkelde ik een vast vertrouwen in het bestaan van God, maar ik werd gekweld door onzekerheid over mijn geloofsovertuiging.

Als gevolg van de indoctrinatie in mijn prille jeugd geloofde ik dat Jezus Christus de Rooms-Katholieke Kerk in gedachten had toen hij tot de apostel Petrus zei: „Op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen” (Mattheüs 16:18, Petrus-Canisiusvertaling). Ik ging geloven dat uiteindelijk de goede elementen in de kerk zouden zegevieren, en met dat doel voor ogen wilde ik met de kerk samenwerken.

Huwelijk en kinderen

Als de oudste zoon in het gezin werkte ik met mijn vader op de boerderij tot de broer onder mij mijn plaats kon innemen. Toen ging ik naar een katholieke landbouwhogeschool, waar ik mijn ingenieurstitel behaalde. Daarna ging ik op zoek naar een huwelijkspartner.

Via een van mijn zussen leerde ik Maria kennen. Ik hoorde dat zij had gebeden om een echtgenoot met wie zij naar eeuwig leven kon streven. Op onze huwelijksaankondiging schreven wij: „Verenigd in liefde zoeken wij het geluk, onze ogen houden wij op God gericht. Onze weg is het leven en ons doel eeuwige zaligheid.” Op 26 juni 1958 trouwden wij in het klooster Fahr bij Zürich.

Maria en ik hadden een zelfde achtergrond. Zij kwam uit een diepreligieus gezin en was de oudste van zeven kinderen. Zij hadden het allemaal druk met karweitjes op de boerderij, huiswerk en kerkbezoek, zodat er weinig tijd was om te spelen. Onze eerste huwelijksjaren waren niet gemakkelijk. Vanwege mijn vele vragen over religieuze aangelegenheden ging Maria eraan twijfelen of zij wel de juiste man had getrouwd. Zij weigerde vraagtekens te zetten bij kerkelijke leerstellingen of de gewoonte van de kerk om steun te verlenen aan oorlogen, kruistochten en inquisities. Wij stelden echter allebei ons vertrouwen op God en waren ervan overtuigd dat zolang wij zo goed mogelijk zijn wil probeerden te doen, hij ons nooit in de steek zou laten.

In 1959 pachtten wij een boerderij bij Homburg in het oosten van Zwitserland. Daar hebben wij 31 jaar gewoond. Op 6 maart 1960 werd onze eerste zoon, Josef, geboren. Na hem kwamen er zes broertjes en een zusje, Rachel. Maria heeft zich een rechtvaardige en onpartijdige moeder betoond, trouw aan diepgewortelde beginselen. Zij is een ware zegen voor het gezin geweest.

Op zoek naar de bijbelse waarheid

Geleidelijk aan werd onze religieuze onwetendheid steeds ondraaglijker. Tegen het eind van de jaren ’60 begonnen wij lezingen te volgen aan de Katholieke Volkshogeschool, maar als wij naar huis gingen, was onze verwarring groter dan ooit. De sprekers weidden uit over hun eigen zienswijzen, zonder daar schriftuurlijke bewijzen voor aan te voeren. Begin 1970 overpeinsde ik Jezus’ woorden: „Wat gij den Vader moogt vragen, Hij zal het u geven in mijn naam. . . . Vraagt en gij zult verkrijgen.” — Johannes 16:23, 24, PC.

De bovenstaande verzekering uit Gods Woord bracht mij ertoe herhaaldelijk te bidden: „Vader, als de Katholieke Kerk de ware religie is, maak mij dat dan alstublieft ondubbelzinnig duidelijk. Maar als het een valse religie is, laat mij dat dan even duidelijk zien en ik zal het aan iedereen bekend maken.” Telkens opnieuw smeekte ik dat, in overeenstemming met Jezus’ instructie in de Bergrede om te ’blijven vragen’. — Mattheüs 7:7, 8.

Mijn gesprekken met Maria — vooral over veranderingen in de katholieke leer in de jaren ’60 in verband met de aanbidding van „heiligen”, vlees eten op vrijdag, enzovoort — brachten haar uiteindelijk aan het twijfelen. Op een keer dat wij in het voorjaar van 1970 de mis bijwoonden, bad zij: „O God, toon ons de weg die tot eeuwig leven leidt. Wij weten niet meer wat de juiste weg is. Ik zal mij aan alles onderwerpen, maar wijs ons alstublieft de juiste weg voor ons hele gezin.” Ik wist niets van haar gebed af en zij wist niets van het mijne, totdat wij beseften dat onze gebeden verhoord waren.

De bijbelse waarheid gevonden

Toen wij op een zondagochtend begin 1970 uit de kerk waren thuisgekomen, werd er aan de deur geklopt. Een man, in gezelschap van zijn tienjarige zoontje, stelde zich voor als een van Jehovah’s Getuigen. Ik stemde toe in een gesprek over de bijbel. Ik dacht dat ik zijn ongelijk gemakkelijk zou kunnen bewijzen, omdat ik naar wat mij over Jehovah’s Getuigen was verteld, niet geloofde dat zij bijzonder goed ingelicht waren.

Onze bespreking duurde twee uur, zonder bevredigend resultaat, en de volgende zondag ging het net zo. Ik keek uit naar een derde discussie, maar de Getuige kwam niet opdagen. Maria zei dat hij ingezien moest hebben dat het geen zin had. Ik was blij toen hij twee weken later terugkwam. Onmiddellijk zei ik: „Al 35 jaar heb ik mijn twijfels over de hel. Ik kan eenvoudig niet aanvaarden dat God, die liefde is, schepselen op zo’n wrede manier zou pijnigen.”

„U hebt gelijk”, antwoordde de Getuige. „De bijbel leert niet dat de hel een plaats van pijniging is.” Hij liet mij zien dat het Hebreeuwse en het Griekse woord voor Sjeool en Hades, in de katholieke bijbel vaak met „hel” vertaald, eenvoudig betrekking hebben op het gemeenschappelijke graf (Genesis 37:35; Job 14:13; Handelingen 2:31). Ook las hij schriftplaatsen voor die bewezen dat de menselijke ziel sterfelijk is en dat de straf voor de zonde de dood is, en niet pijniging (Ezechiël 18:4; Romeinen 6:23). Daarop begon ik helder in te zien dat ik mijn hele leven door religieuze leugens verblind was geweest. Nu begon ik mij af te vragen of andere dogma’s van de kerk ook niet deugden.

Ik wilde niet langer bedrogen worden en dus kocht ik een katholiek bijbels woordenboek en een vijfdelige geschiedenis van de pausen. Deze publikaties hadden het imprimatur, wat wil zeggen dat de rooms-katholieke bisschoppelijke overheid verlof had gegeven ze te drukken. Door de geschiedenis van de pausen te lezen, ontdekte ik dat sommigen van hen tot de grootste misdadigers van de wereld hadden behoord! En door er het bijbelse woordenboek op na te slaan, leerde ik dat de Drieëenheid, het hellevuur, het vagevuur en zo veel andere leringen van de kerk niet op de bijbel gebaseerd zijn.

Nu was ik rijp voor een bijbelstudie met de Getuigen. Aanvankelijk zat Maria er alleen maar uit beleefdheid bij, maar het duurde niet lang of zij aanvaardde wat zij leerde. Na vier maanden verliet ik de Katholieke Kerk en stelde de priester ervan in kennis dat onze kinderen niet meer naar catechisatie zouden gaan. De zondag daarop waarschuwde de priester zijn parochianen voor Jehovah’s Getuigen. Ik bood aan mijn geloofsovertuiging aan de hand van de bijbel te verdedigen, maar de priester wilde niet instemmen met zo’n discussie.

Daarna maakten wij snel vorderingen. Ten slotte symboliseerden mijn vrouw en ik op 13 december 1970 onze opdracht aan Jehovah door de waterdoop. Een jaar later moest ik in verband met de kwestie van christelijke neutraliteit twee maanden de gevangenis in (Jesaja 2:4). Het was niet gemakkelijk mijn vrouw met acht kinderen achter te laten, zelfs voor zo’n korte tijd niet. De kinderen varieerden in leeftijd van net vier maanden tot twaalf jaar. Bovendien hadden wij een boerderij en levende have waarvoor gezorgd moest worden. Maar met Jehovah’s hulp hebben zij het zonder mij gered.

De Koninkrijksbelangen op de eerste plaats

Nooit zou iemand van ons gezin een gemeentevergadering overslaan, tenzij hij ziek was. En wij organiseerden ons werk zo dat wij nooit een van de kringvergaderingen of congressen hebben hoeven overslaan. Al gauw draaiden de spelletjes van de kinderen op onze zolder om het uitbeelden van wat zij op onze christelijke vergaderingen zagen. Zij wezen elkaar bijvoorbeeld oefenlezinkjes toe en oefenden aanbiedingen. Gelukkig reageerden zij allemaal gunstig op ons geestelijke onderricht. Ik heb dierbare herinneringen aan een interview met mijn vrouw en mij op een kringvergadering, waarbij onze acht kinderen op een rij — in volgorde van leeftijd — aandachtig zaten te luisteren.

Het grootbrengen van onze kinderen in „het strenge onderricht en de ernstige vermaning van Jehovah” werd onze voornaamste zorg (Efeziërs 6:4). Wij besloten ons televisietoestel weg te doen en nodigden dikwijls ijverige medechristenen bij ons thuis uit opdat onze kinderen van hun ervaringen en enthousiasme konden profiteren. Wij letten erop onnadenkend gepraat en kritiek op anderen te vermijden. Als iemand iets misdeed, praatten wij erover en trachtten verzachtende omstandigheden aan te voeren. Wij probeerden onze kinderen te helpen een situatie redelijk en rechtvaardig te beoordelen. Zorgvuldig vermeden wij vergelijkingen met andere jongeren. En wij zagen er het belang van in dat ouders hun kinderen niet verwennen of beschermen tegen de consequenties van hun daden. — Spreuken 29:21.

Toch verliep de opvoeding van onze kinderen niet zonder problemen. Op een keer bijvoorbeeld zetten medescholieren hen ertoe aan snoep uit een winkel weg te nemen zonder ervoor te betalen. Toen wij hoorden wat er gebeurd was, lieten wij onze kinderen naar de winkel teruggaan om ervoor te betalen en vergeving te vragen. Het was gênant voor hen, maar zij leerden een les in eerlijkheid.

In plaats van onze kinderen eenvoudig te dwingen met ons mee te gaan in de prediking, gaven wij het voorbeeld door aan die activiteit prioriteit te geven. De kinderen zagen dat wij vergaderingen en velddienst voorrang gaven boven werk dat op de boerderij gedaan moest worden. Onze inspanningen om onze acht kinderen in de weg van Jehovah op te leiden, zijn beslist gezegend.

Onze oudste zoon, Josef, is een christelijke ouderling en heeft samen met zijn vrouw verscheidene jaren op het bijkantoor van Jehovah’s Getuigen in Zwitserland gediend. Thomas is ouderling, en hij en zijn vrouw zijn pioniers, zoals volle-tijddienaren worden genoemd. Daniel, die zijn carrière als wielrenner heeft opgegeven, is ouderling, en hij en zijn vrouw zijn pioniers in een andere gemeente. Benno en zijn vrouw zijn actieve predikers in Midden-Zwitserland. Onze vijfde zoon, Christian, dient als ouderling in de gemeente die wij bezoeken. Hij is getrouwd en heeft twee kinderen. Franz is pionier en ouderling in een gemeente in Bern, en Urs, die enige tijd op het Zwitserse bijkantoor heeft gediend, is getrouwd en is in de pioniersdienst. Onze enige dochter, Rachel, en haar man hebben ook verscheidene jaren in de pioniersdienst gestaan.

In navolging van het voorbeeld van mijn kinderen ben ik ook pionier geworden toen ik in juni 1990 met pensioen ging. Terugkijkend op mijn leven en dat van mijn gezin kan ik beslist zeggen dat Jehovah onze weg heeft geëffend en ons zegeningen heeft geschonken „totdat er geen gebrek meer is”. — Maleachi 3:10.

De favoriete bijbeltekst van mijn lieve vrouw is: „Werp uw last op Jehóvah, en hijzelf zal u schragen. Nooit zal hij toelaten dat de rechtvaardige wankelt” (Psalm 55:22). En de mijne is: „Schep . . . heerlijke verrukking in Jehovah, en hij zal u de beden van uw hart geven” (Psalm 37:4). Beiden hebben wij de waarheid van deze prachtige uitspraken ondervonden. Ons doel is onze God, Jehovah, eeuwig te loven, samen met onze kinderen en hun gezin. — Verteld door Josef Heggli.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen