Een man die het vond
Zoals verteld aan Ontwaakt!-correspondent in Burma
IK WERD geboren in een gezin van bijzonder vrome rooms-katholieken. Twee van mijn ooms traden zelfs toe tot de onderwijsorde van de Rooms-Katholieke Broeders. Ik werd gedoopt toen ik drie weken oud was. Rooms-katholieken geloven dat als een kind sterft voordat het gedoopt kan worden, het naar een plaats gaat die het „voorgeborchte” genoemd wordt, hetgeen iets anders is dan de hemel of de hel.
Toen ik de St. Paul-school in Rangoon bezocht, waar ik mijn middelbare schoolopleiding ontving, werd het katholicisme er bij mij ingehamerd door de Rooms-Katholieke Broeders, die ons leerden dat de katholieke religie het enige ware geloof was. Als ontvankelijke jongeling was ik er erg trots op dat ik katholiek was. Aan de andere kant had ik heel erg te doen met enkelen van mijn klasgenoten die, naar ik dacht, niet zo fortuinlijk waren katholiek te zijn. Het was een eer, zo werd ons vaak gezegd, om met de enige ware religie verbonden te zijn. Het religieuze praalvertoon en de kerkceremonies spraken me erg aan.
Maar mijn houding zou niet zo blijven. Tegen de tijd dat ik midden-twintig was, raakte ik langzamerhand ontgoocheld over de rooms-katholieke manier van aanbidden. Uiteindelijk werd de mis, waarvan ik eens zo diep onder de indruk was, voor mij een leeg en tamelijk zinloos ritueel. Elke zondag verrichtte de priester dezelfde ceremonie zonder de gemeente op geestelijk gebied iets nieuws te leren. Hoewel ik in mijn leven nog steeds een behoefte aan religie voelde, ging ik niet langer naar de kerk.
In die jaren werd ik een, wat men zou kunnen noemen, ’op-en-af’-katholiek. Toen ik 30 was, leerde ik mijn vrouw kennen. Vier jaar later trouwden we, waarbij er een huwelijksmis voor ons werd gehouden met orgelmuziek en koorzang — een werkelijk schitterende plechtigheid. Hoewel mijn vrouw uit een boeddhistisch gezin kwam, werd zij een week voor ons huwelijk tot het katholicisme bekeerd. Hiervoor moest zij gedurende een behoorlijk lange tijd voor ons huwelijk ieder weekend de parochiepriester bezoeken ten einde religieus onderricht te ontvangen. Dat betekende heel wat gereis voor haar, want zij woonde 13 kilometer buiten de stad.
Na ons huwelijk leek het passend dat ik de leiding in religieuze activiteiten op me zou nemen. Ik begon weer geregeld naar de kerk te gaan, kreeg belangstelling voor kerkelijke activiteiten, werd kerk-ouderling en begon zelfs tijdens de zondagsmis, die toen in het Engels werd gehouden, in het openbaar het epistel voor te lezen. Maar langzamerhand verflauwde deze uitbarsting van religieuze ijver en opnieuw hield ik ermee op de kerk te bezoeken.
Een wonderbaarlijk ontwaken
In 1976 overkwam me iets geweldigs. Ik kwam te weten dat God een persoonlijke naam heeft, JEHOVAH. Als katholiek wist ik niet dat God een naam had. Dit was het begin van een voortreffelijke opleiding die mijn vrouw en ik ontvingen toen een echtpaar, beiden Jehovah’s Getuigen, een bijbelstudie met ons begonnen. Het maakte indruk op me dat zij bereid waren iedere week, ondanks moeilijke omstandigheden, 10 kilometer naar ons huis te reizen. U zou een rit in een van de bussen van Rangoon moeten meemaken om te weten wat ik bedoel. Een bus waarin 40 personen gemakkelijk een plaatsje kunnen vinden, is genoodzaakt meer dan 100 passagiers te vervoeren, die bijgevolg als sardientjes op elkaar gepakt zitten. Ik kan me niet voorstellen dat een priester hetzelfde zou doen om iemand het katholieke geloof te onderwijzen.
Naarmate ik meer bijbelkennis ontving, werd het me duidelijk dat veel van mijn katholieke geloofsopvattingen niet met het Woord van God in overeenstemming waren. Klaarblijkelijk behaagde mijn religie God niet. Laat ik me nader verklaren.
Religieuze afbeeldingen en beelden
Kijk eens bij een willekeurige katholieke kerk naar binnen en u zult er religieuze afbeeldingen en beelden aantreffen waaraan eer wordt geschonken. In katholieke huizen zult u deze zelfde dingen aantreffen. Afbeeldingen, beelden, medailles en zelfs „relikwieën” van „heiligen” zijn bij katholieken voorwerpen van verering.
Door onze bijbelstudie kwamen we te weten dat beeldenaanbidding God niet behaagt. De Schrift waarschuwt er bijvoorbeeld voor in Jesaja 42:8, waar staat: „Ik ben Jehovah. Dat is mijn naam; en aan niemand anders zal ik mijn eigen heerlijkheid geven, noch mijn lof aan gehouwen beelden.” Zijn houding ten aanzien van beelden kenbaar makend, verklaarde God in het tweede van de Tien Geboden: „Gij moogt u geen gesneden beeld maken, noch enige gedaante gelijkend op iets wat in de hemel boven of wat op de aarde beneden of wat in de wateren onder de aarde is. Gij moogt u voor die niet buigen, noch u ertoe laten bewegen ze te dienen, want ik, Jehovah, uw God, ben een God die exclusieve toewijding eis” (Ex. 20:4, 5). Niettemin worden er in de katholieke religie voor beelden kaarsen gebrand, en krijgen ze bloemen en geld aangeboden, terwijl aanbidders in gebed voor ze neerbuigen of neerknielen. Ik placht hetzelfde te doen.
Katholieken geloven dat beeldenaanbidding de „heiligen” ertoe kan bewegen als middelaars tussen God en de aanbidder op te treden. De bijbel geeft echter te kennen dat dit onjuist is, want wij lezen: „Er is één God en één middelaar tussen God en de mensen, een mens, Christus Jezus” (1 Tim. 2:5). Behalve Jezus Christus kan niemand ten behoeve van ons bij God bemiddelen. (Vergelijk Johannes 14:6; Handelingen 4:12.) Het verbaasde ons te vernemen dat wij aan geschapen personen en geschapen dingen meer eer hadden geschonken dan aan de Schepper zelf. — Rom. 1:25.
Een voorbeeld van een gebed waarin tot andere personen dan alleen tot God wordt gebeden, is het Confiteor (hetgeen „ik belijd” betekent), een gebed dat tijdens de mis gebruikt wordt. Het omvat onder andere het volgende: „Ik belijd aan God almachtig, aan de heilige Maria altijd Maagd, aan de heilige aartsengel Michaël, aan de heilige Johannes de Doper, aan de heilige apostelen Petrus en Paulus, aan alle heiligen en aan u, Vader, dat ik zeer gezondigd heb, met gedachten, woorden en werken.” Maar volgens de bijbel is alleen God de „Hoorder van het gebed” (Ps. 65:2). Jezus leerde dat gebeden tot „Onze Vader in de hemelen” gericht dienen te worden. — Matth. 6:9.
Dat riep bij ons een vraag op met betrekking tot het gebruik van de rozenkrans en de veelvuldige herhaling van bepaalde gebeden daarbij, in het bijzonder een gebed tot Maria, het „Weesgegroet Maria”. Met het oog op hetgeen wij uit de bijbel leerden, drong het langzamerhand tot ons door dat gebeden tot Maria en tot „heiligen” God niet konden behagen.
Bovendien gaf Jezus zelf te kennen dat God geen behagen schept in herhaaldelijk opgezegde gebeden, toen hij zei: „Als gij echter bidt, zegt dan niet steeds weer dezelfde dingen, zoals de mensen der natiën doen” (Matth. 6:7). En wat is het bidden van de rozenkrans anders dan steeds opnieuw hetzelfde zeggen? Maria is trouwens ook niet „altijd Maagd” gebleven; wist u dat zij na Jezus aan verscheidene kinderen het leven heeft geschonken? Wij lezen in Matthéüs 13:55, 56: „Is dit niet de zoon van de timmerman? Heet zijn moeder niet Maria, en zijn broers Jakobus en Jozef en Simon en Judas? En zijn zijn zusters niet allen bij ons?” Voor ons was dit een hele openbaring.
Onsterfelijkheid van de ziel
Als katholiek had men mij geleerd dat mijn ziel onsterfelijk is, dat wanneer ik sterf mijn lichaam tot stof zou terugkeren, maar mijn ziel het lichaam zou verlaten. Volgens de leer van de Kerk zou mijn ziel, afhankelijk van mijn gedrag tijdens mijn leven op aarde, hetzij naar de hemel of naar een vurige hel gaan, of naar een lijdensplaats van tijdelijke straf, het vagevuur genaamd.
Door bijbelstudie kwam ik echter te weten dat de menselijke ziel de hele persoon is, en niet een onzichtbaar deel van hem. Beschouwt u eens enkele bewijzen die de bijbel hiervoor geeft:
„En Jozefs zonen, die hem in Egypte geboren werden, waren twee zielen” (Gen. 46:27). „Ingeval nu enige ziel een graanoffer als offergave aan Jehovah aanbiedt . . .” (Lev. 2:1). „In geval een ziel bij vergissing zondigt . . .” (Lev. 4:2). „Geen ziel van u dient bloed te eten” (Lev. 17:12). „Alle ziel werd door vrees overvallen” (Hand. 2:43). „In het geheel nu waren wij met ongeveer tweehonderd zesenzeventig zielen in de boot.” — Hand. 27:37.
Als de ziel de persoon zelf is, dan betekent dat vanzelfsprekend dat als de persoon sterft, de ziel sterft. Vandaar dat de bijbel herhaaldelijk vermeldt dat zielen sterven of vernietigd worden. Er staat bijvoorbeeld: „Die ziel moet ik uit het midden van zijn volk verdelgen” (Lev. 23:30). Jezus vroeg: „Is het geoorloofd op de sabbat . . . een ziel te redden of te vernietigen?” (Luk. 6:9) Wat de toestand van de doden aangaat, de Schrift stelt heel nadrukkelijk: „Wat de doden betreft, zij zijn zich van helemaal niets bewust.” — Pred. 9:5.
In de korte tijd van één jaar leerde ik meer over God en de bijbel dan gedurende alle 46 jaren van mijn leven als katholiek. Wat ik leerde, was werkelijk „goed nieuws”. Mijn studie van de bijbel heeft mij beslist de juistheid van de volgende woorden van Jezus doen beseffen: „Gij zult de waarheid kennen en de waarheid zal u vrijmaken” (Joh. 8:32). Tijdens de „Vreugdevolle werkers”-districtsvergadering van Jehovah’s Getuigen in 1977 hebben mijn vrouw, mijn oudste zoon en ik onze opdracht aan God door middel van de waterdoop gesymboliseerd. Hoe gelukkig stemt het ons dat wij ten slotte de wijze van aanbidding gevonden hebben die God werkelijk behaagt!