Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g97 22/2 blz. 20-23
  • Een ontroerende verrassing

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Een ontroerende verrassing
  • Ontwaakt! 1997
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Romantiek en universiteit
  • Belangstelling voor godsdienst
  • Een verdrietige tijd
  • Ik stel orde op zaken
  • Mijn band met Pa
  • Hoe ik mijn echte moeder vond
  • Het telefoongesprek en de verrassing
  • Een gedenkwaardige hereniging
  • Een uitzonderlijke christelijke erfenis
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1993
  • Zij leerden de waarheid kennen over Jehovah’s getuigen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1969
  • Voorbeelden van gelukkige gezinnen — Deel 1
    Ontwaakt! 2009
  • Mijn lange, zware strijd voor het ware geloof
    Ontwaakt! 1995
Meer weergeven
Ontwaakt! 1997
g97 22/2 blz. 20-23

Een ontroerende verrassing

Dana Folz was acht jaar toen hij hoorde dat hij geadopteerd was. Jaren later begon hij zich af te vragen: ’Wie is mijn moeder? Wat was zij voor iemand? Waarom heeft ze me laten adopteren? Heb ik broers of zussen?’ Lees Dana’s verslag van zijn langdurige speurtocht naar zijn echte moeder en van de aangrijpende verrassing die erop volgde.

IK BEN geboren op 1 augustus 1966 in Ketchikan, een plaats in Alaska. Mijn zus Pam was twee jaar ouder dan ik. Onze vader was maatschappelijk werker bij het Bureau voor Indianenzaken en hij werd vaak overgeplaatst. Wij verhuisden van de ene plaats naar de andere in Alaska. Later woonden wij in Iowa, Oklahoma, Arizona en Oregon.

Tijdens een bezoek in de zomer van 1975 aan familieleden in Wisconsin maakten een paar neven van me onvriendelijke opmerkingen over een andere neef. „Hij is geadopteerd”, zeiden zij, „en is dus geen echte Folz.” Toen wij weer thuis waren, informeerde ik daarnaar bij mijn moeder en ik was verbaasd over de geschokte uitdrukking op haar gezicht. Zij legde uit wat adoptie is. Die avond vertelde zij me, terwijl de tranen haar over het gezicht liepen, dat ik geadopteerd was en mijn zusje eveneens.

Destijds zei adoptie me niet zo veel en een tijdlang heb ik er nauwelijks een gedachte aan gewijd. Ik had een vader en een moeder en het leven leek zoals het moest zijn. Mijn ouders besloten niet meer te verhuizen maar het gezin een vaste woonplaats te geven. Toen ik negen was, vestigden wij ons in Vancouver in de staat Washington. Pa en ik hadden een heel nauwe band, maar Ma en ik minder. Ik was zelfstandig en soms opstandig en de frustratie die dit Ma bezorgde, zou kunnen verklaren waarom wij van elkaar leken te vervreemden.

Romantiek en universiteit

Toen ik op de middelbare school zat, leerde ik Trina kennen en wij waren onmiddellijk onafscheidelijk. Na mijn eindexamen aanvaardde ik een beurs voor de Oregon State University in Corvallis (Oregon). Mijn vrije tijd besteedde ik aan reizen van en naar Vancouver om bij Trina te zijn, die nog een jaar naar de middelbare school moest. Ik studeerde weinig maar ging ervan uit dat ik het op de universiteit toch wel goed zou doen. Mijn eerste cijferlijst was een schok — het was de slechtste die ik ooit had gehad! Ik schaamde me. Maar ik stopte niet met mijn bezoeken aan Trina; ik nam gewoon mijn boeken mee zodat ik tijdens mijn bezoeken kon studeren.

Toen ik op een dag op mijn motorfiets van Vancouver naar de universiteit terugreed, raakte ik betrokken bij een ernstig ongeluk. Kort daarna liep ik nog ernstiger verwondingen op toen ik door een auto werd aangereden terwijl ik op een zebrapad een straat overstak. Ik ging werken en had geen zin meer om naar de collegebanken terug te gaan.

Belangstelling voor godsdienst

Mettertijd gingen Trina en ik samenwonen. Wij geloofden in God en wilden hem leren kennen. Wij vonden echter dat de kerken huichelachtig waren. Dus probeerden wij in ons eentje de bijbel te lezen, maar wij konden er geen touw aan vastknopen.

Op een dag begonnen op mijn werk in Portland (Oregon) collega’s een man te pesten die ik een van de aardigste mensen vond die ik ooit had ontmoet. Randy nam de pesterijen kalm op. Later die dag vroeg ik hem: „Wat hoorde ik, ga jij uit preken?”

„Dat klopt”, zei hij.

„Voor welke kerk?”, vroeg ik.

„Ik ben een van Jehovah’s Getuigen.”

„Wie zijn Jehovah’s Getuigen?”

„Meen je dat nou?”, vroeg hij met een verbaasd gezicht.

„Ja”, zei ik. „Wie zijn Jehovah’s Getuigen? Moet ik dat weten?”

„Ja,” zei hij glimlachend, „dat moet je weten. Wat doe je in de lunchpauze?”

Dat werd het eerste van een aantal gesprekken over de bijbel in lunchtijd. Op een avond vertelde ik Trina erover. „Je moet niet met Jehovah’s Getuigen praten!”, riep ze. „Die mensen zijn gek! Het zijn niet eens christenen. Ze vieren geen Kerstmis.” En zij vertelde me nog meer dingen die zij over Jehovah’s Getuigen gehoord had.

„Iemand heeft jou een heleboel dingen verteld die gewoon niet waar zijn”, zei ik. Na een lang gesprek kon ik haar ervan overtuigen dat zij niet de hele waarheid had gehoord. Daarna liet zij me vragen aan Randy stellen en ik kwam met het ene duidelijke schriftuurlijke antwoord na het andere thuis. Ten slotte zei Trina: „Ik heb nooit geweten dat dit allemaal in de bijbel staat, maar ik denk nog steeds dat het rare mensen zijn. Als jij met hem over de bijbel wilt blijven praten, vind ik dat prima; maar probeer niet het mij op te dringen als je thuiskomt.”

Een verdrietige tijd

Ik geloofde wat ik uit de bijbel leerde, maar ik had het idee dat ik het niet op kon brengen om ernaar te leven. Trina en ik schenen steeds vaker ruzie te hebben. Dus besloten een vriend en ik allebei onze vriendin te verlaten en een nieuw leven te beginnen in Oklahoma. Ik vroeg een tijdje verlof van mijn werk. Kort daarna hadden wij ons geïnstalleerd in een flat in een plaatsje bij de grens met Texas. Het duurde niet lang of ik besefte hoe ik Trina miste, maar ik besloot dat ik het er toch van zou nemen.

Ik hoorde dat de wettelijke minimumleeftijd voor het drinken van alcohol in Texas negentien was en dus stak ik, toen mijn vriend een tocht ging maken, op een avond de grens over om wat vertier te zoeken in een bekende rock en rollbar. Ik bedronk me, reed mijn auto in de vernieling en belandde in de gevangenis. Na een poosje wist ik contact met mijn vader te krijgen en hij zorgde ervoor dat ik op borgtocht vrijkwam. Bovendien wilde Trina me terug hebben, waarvoor ik haar dankbaar was! Ik nam mijn oude baan weer op en hervatte de bijbelbesprekingen met Randy.

Ik stel orde op zaken

Het was bijna twee jaar geleden dat ik voor het eerst van Jehovah’s Getuigen had gehoord en ik besloot me meer op mijn bijbelstudie te concentreren. Ik was nu twintig jaar en de vragen over mijn adoptie die ik aan het begin van dit artikel noemde, begonnen me dwars te zitten. Dus begon ik aan een serieuze speurtocht naar mijn echte moeder.

Ik belde op naar het ziekenhuis in Alaska waar ik geboren was en vroeg hoe ik te werk moest gaan. Na dat vernomen te hebben, vroeg ik om een afschrift van mijn oorspronkelijke geboorteakte en ontdekte dat de naam van mijn moeder Sandra Lee Hirsch was; maar er stond geen vader op vermeld. Sandra was nog maar negentien toen ik geboren werd, dus ik nam aan dat zij een bang alleenstaand meisje geweest moest zijn dat in verwachting was geraakt en een heel zware beslissing had moeten nemen. Er stond niet voldoende informatie op mijn geboorteakte om mijn moeder te kunnen lokaliseren.

Ondertussen was ik er als resultaat van mijn bijbelstudie met Randy van overtuigd geraakt dat ik het ware geloof had gevonden. Maar keer op keer lukte het me niet met het verontreinigende gebruik van tabak te stoppen (2 Korinthiërs 7:1). Ik dacht dat Jehovah me een hopeloos geval vond. Toen zei een Getuige in de Koninkrijkszaal iets wat mij echt hielp. Hij vertelde dat het Satan is die wil dat wij tekortschieten en dat het droevig is te zien dat sommigen het eeuwige leven verspelen door het op te geven. „Wij moeten onze lasten op Jehovah werpen”, zei hij, „en er volkomen op vertrouwen dat hij ons door onze moeilijke momenten heen helpt.” — Psalm 55:22.

Dat was precies wat ik nodig had! Ik begon zijn woorden in praktijk te brengen en bad Jehovah vaak om hulp. Weldra stopte ik met roken, Trina en ik trouwden en ik bracht regelmaat in mijn bijbelstudie. Na enige tijd ging ook Trina studeren. Op 9 juni 1991 symboliseerde ik mijn opdracht aan Jehovah door de waterdoop. Nog geen twee weken later werd ons eerste dochtertje geboren, Breanna Jean.

Mijn band met Pa

Mijn vader en ik konden het heel goed met elkaar vinden. Hij was een erg vriendelijke man die me altijd aanmoedigde als ik teleurgesteld was. Toch was hij streng wanneer ik straf verdiend had. Het was dus een verschrikkelijke slag toen ik begin 1991 hoorde dat Pa terminale longkanker had. Ma en Pa waren ondertussen naar Hamilton in Montana verhuisd. Wij gingen er vaak heen om hem te bezoeken en te proberen Ma tot steun te zijn.

Wij konden Pa het boek Is dit leven alles wat er is? geven. Hij beloofde het te lezen en zei dat hij zich zorgen maakte over het welzijn van zijn gezin. Tijdens mijn laatste bezoek vertelde hij me hoe trots hij was dat ik zijn zoon was en hoeveel hij van me hield. Toen kon hij zijn tranen niet meer bedwingen en keerde hij zijn hoofd naar het raam. Wij omhelsden elkaar verscheidene keren voordat ik vertrok. Pa las ongeveer een derde van het boek voordat hij op 21 november 1991 stierf.

Na Pa’s dood en onze daaropvolgende verhuizing naar Moses Lake in Washington werd mijn verlangen om meer over mijn verleden te weten nog intenser. Maar ondanks alle tijd die ik aan de speurtocht besteedde, verwaarloosden wij de geestelijke belangen niet. Trina werd op 5 juni 1993 gedoopt en zes maanden later beviel zij van ons tweede dochtertje, Sierra Lynn.

Hoe ik mijn echte moeder vond

Ik bleef de justitiële instanties van Alaska bestoken, schreef de ene brief na de andere aan allerlei instellingen en speurde ook zelf met behulp van mijn computer. Het mocht allemaal niet baten. Toen kreeg ik tegen eind 1995 een medische checkup waarbij aan het licht kwam dat ik een hartafwijking had. Ik was nog maar 29 en mijn dokter wilde mijn anamnese weten.

De dokter diende schriftelijk een goedgefundeerd, duidelijk gesteld verzoek in, waarbij hij beklemtoonde dat gegevens in mijn adoptiedossier essentieel konden zijn voor mijn lichamelijk welzijn. Na verloop van tijd kregen wij antwoord. Het bevatte de uitspraak van een rechter dat hij niet van mening was dat mijn medische toestand ernstig genoeg was om het dossier te openen. Ik was ten einde raad. Maar enkele weken later kwam er een brief van een tweede rechter. Bij gerechtelijk bevel was mij toegang verleend tot mijn adoptiedossier!

Mijn adoptiedossier arriveerde begin januari 1996. De woonplaats en familieachtergrond van mijn echte moeder stonden erin. Onmiddellijk speurde ik met mijn computer naar Sandra’s naam in combinatie met de naam van haar woonplaats en ik vond zes vermeldingen in het telefoonboek. Trina en ik besloten dat het het beste was dat Trina opbelde. Bij het derde gesprek zei een vrouw dat Sandra haar nicht was en zij gaf Trina haar telefoonnummer.

Het telefoongesprek en de verrassing

Toen Trina het nummer belde, weigerde de vrouw die de telefoon opnam te zeggen wie zij was. Ten slotte zei Trina op de man af: „Mijn man is geboren in Ketchikan in Alaska, op 1 augustus 1966, en ik moet weten of u degene bent die ik zoek.” Er volgde een lange stilte en toen vroeg de vrouw met trillende stem om Trina’s naam en telefoonnummer en zei dat zij terug zou bellen. Ik verwachtte niet dat zij onmiddellijk terug zou bellen en besloot dus wat boodschappen te gaan doen.

Toen ik terugkwam, was Trina in gesprek; haar ogen stonden vol tranen. Zij overhandigde de telefoon aan mij. Terwijl Moeder en ik groeten en wat algemeenheden uitwisselden, fluisterde Trina dringend: „Zij heeft je echt willen houden.” Ik was intens begaan met Moeder toen zij over zichzelf begon te vertellen. „Ik wil u bedanken voor het leven dat u me hebt gegeven”, zei ik. „Ik heb een goed leven en ik heb alles gekregen wat ik nodig had. Ik heb goede ouders gehad en veel liefde en nu heb ik een geweldige vrouw en twee schattige dochtertjes. Ik ben erg gelukkig.”

Zij begon te huilen. Wij bleven praten en zij vertelde me dat zij was verkracht, waardoor zij in verwachting was geraakt, en mij onder druk van anderen had afgestaan; vervolgens vertelde zij me dat zij later was getrouwd en dat enige tijd daarna, toen zij in het ziekenhuis herstelde van een operatie, haar baby, een meisje, en haar moeder bij een brand waren omgekomen. Ze zei dat zij toen dacht dat God haar deze dierbaren afgenomen had als vergelding voor de zoon die zij had afgestaan. „Nee,” reageerde ik onmiddellijk, „zo werkt God niet!” Ze zei dat zij dat nu ook wist, want na die tragedie was zij gaan „zoeken naar de waarheid uit de bijbel” en zij was nu „een bijbelstudent”.

’Dat kan niet waar zijn’, was mijn eerste gedachte en ik vroeg: „Met wie hebt u gestudeerd?” Er volgde een lange stilte. Toen zei ze: „Met Jehovah’s Getuigen.” Ik was zo ontroerd dat ik niets uit kon brengen. In tranen lukte het me eindelijk te zeggen: „Ik ben ook een Getuige.” Toen ik het duidelijker herhaalde, was zij buiten zichzelf van vreugde. Het was allemaal te mooi om waar te zijn!

Moeder was in 1975 een Getuige geworden, enige tijd na de dood van haar dochtertje. Toen haar man geestelijke vorderingen begon te maken, vertelde zij hem over mij. Hij troostte haar en zei dat zij naar me op zoek zouden gaan. Maar niet lang daarna kwam hij om bij een auto-ongeluk en liet haar met drie kleine kinderen achter. Verscheidene avonden daarna praatten wij urenlang met elkaar. Ten slotte besloten wij elkaar te ontmoeten in Phoenix (Arizona), in de tweede week van februari 1996. Moeder was al van plan geweest daar een christelijke zuster te bezoeken.

Een gedenkwaardige hereniging

Trina en ik gingen samen op reis en lieten de kinderen thuis. Toen ik uit het vliegtuig kwam, zag ik mijn moeder en was ik eindelijk in staat haar in mijn armen te nemen. Toen wij elkaar omhelsden, zei ze dat zij daar 29 jaar op gewacht had en zij hield mij lang omklemd. Het bezoek was geweldig en wij wisselden foto’s en verhalen uit. Het hoogtepunt was echter, naast mijn moeder te zitten in een Koninkrijkszaal in Phoenix! Samen luisterden wij naar de vergadering en wij stonden naast elkaar Koninkrijksliederen te zingen. Het was een heerlijk gevoel, dat me altijd bij zal blijven.

In april 1996 kwam mijn zus Laura ons vanuit haar woonplaats in Iowa bezoeken. Wat was het fijn als christenen hartelijk met elkaar om te gaan! Ik heb ook telefonisch contact gehad met mijn twee pasgevonden broers. Met mijn familie verenigd te zijn is heerlijk, maar in liefde verenigd te zijn binnen Jehovah’s organisatie is een geschenk dat alleen onze grote God, Jehovah, kon geven. — Verteld door Dana Folz.

[Illustratie op blz. 23]

Met mijn echte moeder

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen