Mijn vader werd ’met een atoombom uit de gevangenis gebombardeerd’
Op 6 augustus 1945 ontplofte er om 8.15 v.m. een atoombom boven Hiroshima (Japan), waardoor de stad werd verwoest en tienduizenden inwoners om het leven kwamen. Mijn vader had geweigerd de keizer te aanbidden en het Japanse militarisme te steunen, en daarom was hij destijds opgesloten in de gevangenis in Hiroshima.
VADER heeft de gebeurtenissen van die gedenkwaardige ochtend vaak beschreven. „Er flitste een licht tegen het plafond van mijn cel”, zei hij. „Toen hoorde ik zo’n verschrikkelijk luid gedonder dat het leek of alle bergen tegelijk instortten. Ogenblikkelijk werd de cel in dikke duisternis gehuld. Ik stopte mijn hoofd onder mijn matras om te ontsnappen aan wat een donker gas leek te zijn.
Na zeven of acht minuten trok ik mijn hoofd onder de matras vandaan en merkte dat het ’gas’ verdwenen was. Het was weer licht. Voorwerpen die op de plank hadden gestaan en een grote hoeveelheid stof waren naar beneden gekomen en hadden een enorme puinhoop aangericht. Door de hoge muur rondom de gevangenis was het vuur dat buiten woedde, niet de gevangenis binnengekomen.
Ik keek door het achterraam en was als door de bliksem getroffen! De werkplaatsen van de gevangenis en de houten gebouwen lagen allemaal tegen de grond. Toen keek ik door het raampje aan de voorkant. De cellen van het tegenoverliggende blok waren volledig verwoest. De gevangenen die het hadden overleefd, schreeuwden om hulp. Er heerste angst en paniek — het was een en al verwarring en verschrikking wat ik zag.”
Als jongen vond ik het altijd spannend Vader te horen vertellen hoe hij, zoals hij het uitdrukte, „met een atoombom uit de gevangenis werd gebombardeerd”. Hij vertelde het verhaal zonder schuldgevoelens, omdat hij ten onrechte was gevangengezet. Laat ik, voordat ik vertel over de beschuldigingen die tegen Vader werden ingebracht en hoe hij tijdens zijn gevangenistijd werd behandeld, uitleggen hoe mijn ouders verbonden raakten met de Todaisha, zoals het Wachttoren-, Bijbel- en Traktaatgenootschap in Japan destijds werd genoemd.
Op zoek naar een doel
Vader hield heel veel van lezen en reeds op jeugdige leeftijd probeerde hij zich te ontwikkelen. Toen hij nog in de vijfde klas van de lagere school zat, glipte hij in Ishinomori, in het noordoosten van Japan, het ouderlijk huis uit. Met slechts genoeg geld voor een enkele reis op zak nam hij de trein naar Tokio, waar hij vastbesloten was huisknecht te worden bij Shigenobu Okuma, die tweemaal eerste minister van Japan was geweest. Maar toen deze sjofel geklede plattelandsjongen bij mijnheer Okuma’s huis verscheen, werd zijn verzoek om daar te mogen werken, afgewezen. Later kreeg Vader werk als inwonend werknemer in een melkwinkel.
Nog in zijn tienerjaren begon mijn vader lezingen bij te wonen van politici en geleerden. In één lezing werd de bijbel genoemd als een heel belangrijk boek. Dus schafte Vader zich een bijbel aan, compleet met verwijsteksten en een bijbelse atlas. Hij was diep onder de indruk van wat hij las en wilde werk gaan doen waar de hele mensheid bij gebaat zou zijn.
Uiteindelijk keerde Vader naar huis terug, en in april 1931, toen hij 24 jaar was, trouwde hij met de 17-jarige Hagino. Kort nadat Vader getrouwd was, zond een familielid hem lectuur die door de Todaisha was uitgegeven. Onder de indruk van wat hij las, schreef Vader aan de Todaisha in Tokio. In juni 1931 bezocht een volle-tijdpredikster uit Sendai, Matsue Ishii genaamd, hem in Ishinomori.a Vader nam een serie boeken van haar, met inbegrip van De Harp Gods, Schepping en Regering.
Een doel in het leven gevonden
Vrijwel onmiddellijk ontdekte Vader dat verscheidene kerkelijke leerstellingen, bijvoorbeeld dat de mens een onsterfelijke ziel bezit, dat de goddelozen eeuwig in het hellevuur branden en dat de Schepper een drieënige God is, vals waren (Prediker 9:5, 10; Ezechiël 18:4; Johannes 14:28). Hij besefte ook dat deze wereld zou eindigen (1 Johannes 2:17). Omdat hij graag wilde weten wat hem te doen stond, nam hij contact op met de aangestelde vertegenwoordiger van de Todaisha, die hem in augustus 1931 bezocht. Als resultaat van hun gesprekken werd Vader gedoopt en besloot hij Jehovah als volle-tijdprediker te dienen.
Na langdurige gesprekken raakte ook Moeder ervan overtuigd dat wat zij uit de bijbel had geleerd, de waarheid was. Zij droeg haar leven aan Jehovah op en werd in oktober 1931 gedoopt. Toen mijn vader zijn huis en grond in veiling bracht, dachten zijn familieleden dat hij zijn verstand had verloren.
Het leven als volle-tijdpredikers
Vader gaf al het geld dat hij van de veiling ontving aan zijn moeder, en hij en Moeder gingen in november 1931 naar Tokio. Hoewel zij geen instructies hadden ontvangen over de manier waarop zij met anderen over het goede nieuws van het Koninkrijk moesten spreken, begonnen zij de dag na aankomst te prediken. — Mattheüs 24:14.
Hun leven was niet gemakkelijk. Het was vooral moeilijk voor mijn moeder, die toen pas zeventien jaar was. Er waren geen mede-Getuigen en geen vergaderingen en er was geen gemeente — niets dan een dagelijkse routine van bijbelverklarende lectuur van huis tot huis verspreiden, van 9 uur ’s ochtends tot 4 uur ’s middags.
In 1933 werd hun predikingstoewijzing veranderd van Tokio in Kobe. Daar werd ik op 9 februari 1934 geboren. Mijn moeder werkte ijverig in de bediening tot een maand voor mijn geboorte. Later verhuisden mijn ouders naar Yamaguchi, naar Ube, naar Kure en ten slotte naar Hiroshima, terwijl zij in elke plaats ongeveer een jaar predikten.
Mijn ouders worden gearresteerd
Toen het Japanse militarisme groeide, werden de publikaties van het Wachttorengenootschap verboden en de Getuigen onder strikt toezicht geplaatst van agenten van de Speciale Geheime Dienst. Op 21 juni 1939 werden overal in Japan volle-tijdpredikers gearresteerd. Ook Vader en Moeder behoorden tot de gearresteerden. Ik werd toevertrouwd aan de zorg van mijn grootmoeder, die in Ishinomori woonde. Na acht maanden hechtenis werd Moeder voorwaardelijk in vrijheid gesteld en ten slotte kon ik me in 1942 in Sendai bij haar voegen.
Intussen werd Vader, samen met andere Getuigen, door de geheime politie op het politiebureau van Hiroshima ondervraagd. Omdat de Getuigen weigerden de keizer te aanbidden of Japans militarisme te steunen, werden zij hevig geslagen. De ondervrager kon Vader niet van het aanbidden van Jehovah afbrengen.
Na meer dan twee jaar vastgezeten te hebben, werd Vader voor de rechter gebracht. Tijdens één zitting vroeg de rechter: „Miura, hoe denk je over Zijne Majesteit de Keizer?”
„Zijne Majesteit de Keizer is ook een nakomeling van Adam en is een sterfelijk, onvolmaakt mens”, antwoordde Vader. Die verklaring deed de griffier dermate versteld staan, dat hij naliet ze op te tekenen. De meeste Japanners geloofden destijds namelijk dat de keizer een god was. Vader kreeg vijf jaar gevangenisstraf, en de rechter vertelde hem dat als hij zijn geloof niet opgaf, hij de rest van zijn leven in de gevangenis zou doorbrengen.
Kort daarna, in december 1941, viel Japan Pearl Harbor (Hawaii) en daarmee de Verenigde Staten aan. Het voedsel in de gevangenis werd schaars en tijdens de wintermaanden had Vader vele koude, slapeloze nachten wegens gebrek aan kleding. Hoewel hij van alle geestelijke omgang was afgesneden, had hij toegang tot de bijbel in de gevangenisbibliotheek, en door de bijbel steeds weer opnieuw te lezen, bleef hij geestelijk sterk.
Toen de bom viel
Vroeg in de ochtend van 6 augustus 1945 wilde een gevangene boeken met Vader uitwisselen. Dit was verboden, maar omdat de gevangene zijn boek al via de gang in Vaders cel had doen belanden, schoof Vader zijn boek naar de cel van de andere gevangene. In plaats van zich die ochtend aan zijn gewoonlijk strakke schema te houden, zat Vader dus te lezen toen de bom viel. Normaal gesproken zou hij om die tijd van de ochtend het toilet in zijn cel gebruikt hebben. Na de explosie zag vader dat de toiletruimte door vallend puin verwoest was.
Vader werd vervolgens overgebracht naar de nabijgelegen gevangenis in Iwakuni. Toen Japan zich kort daarna overgaf aan de Geallieerden, werd hij te midden van de naoorlogse chaos vrijgelaten. Hij kwam in december 1945 weer thuis in Ishinomori. Zijn gezondheid was geruïneerd. Hij was pas 38 jaar, maar hij zag er uit als een oude man. Eerst kon ik niet geloven dat hij mijn vader was.
Nog steeds een sterk geloof
Japan bevond zich in een chaotische toestand en wij wisten niet waar het handjevol getrouwe Getuigen terechtgekomen was. Ook beschikten wij over geen enkele publikatie van Jehovah’s Getuigen. Toch leerde Vader mij rechtstreeks uit de bijbel de waarheid over Jehovah’s koninkrijk, de nieuwe wereld en de naderende strijd van Armageddon. — Psalm 37:9-11, 29; Jesaja 9:6, 7; 11:6-9; 65:17, 21-24; Daniël 2:44; Mattheüs 6:9, 10.
Toen ik later op de middelbare school in de evolutietheorie werd onderwezen en aan het bestaan van God begon te twijfelen, probeerde mijn vader mij van Gods bestaan te overtuigen. Ik aarzelde er geloof in te stellen en ten slotte zei hij: „De meeste wereldse mensen hebben de oorlog ondersteund en zich schuldig gemaakt aan bloedvergieten. Ik voor mij heb mij aan de bijbelse waarheid gehouden en noch het militarisme, noch de keizeraanbidding, noch de oorlog ooit gesteund. Ga dus zorgvuldig zelf na wat de ware levensweg is die je dient te bewandelen.”
Ik wist wat mijn vader onderwees en naleefde en toen ik dit vergeleek met wat ik op school leerde, werd het mij duidelijk dat de evolutietheorie geen deugdelijke denkwijze kon zijn. Geen enkele evolutionist had zijn leven voor zijn overtuiging geriskeerd, maar mijn vader was bereid voor zijn overtuiging te sterven.
Op zekere dag in maart 1951, meer dan vijf jaar na het einde van de oorlog, zat Vader de krant Asahi te lezen. Plotseling riep hij uit: „Hé, ze zijn gekomen, ze zijn gekomen!” Hij gaf de krant aan mij. Het was een artikel over vijf zendelingen van Jehovah’s Getuigen die zojuist in Osaka waren gearriveerd. Dansend van vreugde nam Vader contact op met de redactie van de krant en hoorde dat Jehovah’s Getuigen een bijkantoor in Tokio hadden opgericht. Hij kreeg het adres en bezocht het bijkantoor, en zo werd het contact met Jehovah’s organisatie hersteld.
Getrouw tot het einde
In 1952 verhuisde ons gezin naar Sendai. De Wachttoren-zendelingen Donald en Mabel Haslett verhuisden er datzelfde jaar heen en huurden een huis voor het houden van de Wachttoren-studie. Slechts vier personen bezochten die eerste vergadering — de Hasletts, mijn vader en ik. Later voegden Shinichi en Masako Tohara, Adeline Nako en Lillian Samson zich als zendelingen bij de Hasletts in Sendai.
Door de omgang met deze zendelingen groeide ons gezin in kennis van Gods Woord en organisatie. Moeders geloof was geschokt door dingen die tijdens de oorlog waren gebeurd, maar zij ging al gauw samen met ons de vergaderingen bezoeken en aan de velddienst deelnemen. Ik werd ertoe bewogen mijn leven aan Jehovah God op te dragen en werd op 18 april 1953 gedoopt.
Na de oorlog werkte Vader als vertegenwoordiger voor een verzekeringsmaatschappij. Ondanks de gevolgen van zijn gevangenschap, een nierkwaal en hoge bloeddruk onder andere, verlangde hij er vurig naar de volle-tijddienst als pionier te hervatten. Hij deed dit omstreeks dezelfde tijd dat ik werd gedoopt. Hoewel hij door zijn zwakke gezondheid niet lang kon pionieren, bewoog zijn ijver voor de bediening mij ertoe de universiteit die ik bezocht te verlaten en een loopbaan als volle-tijdprediker te gaan volgen.
Isamu Sugiura, een aardige jongeman uit Nagoya, werd aangesteld als mijn pionierpartner. Op 1 mei 1955 begonnen wij onze bediening als speciale pioniers in Beppu op het eiland Kyushu. Er was toen slechts een handjevol Getuigen op het hele eiland. Nu, meer dan 39 jaar later, zijn er 15 geestelijk bloeiende kringen met ruim 18.000 Getuigen op het eiland. En in heel Japan zijn nu bijna 200.000 Getuigen.
In het voorjaar van 1956 ontvingen Isamu en ik een uitnodiging om de Wachttoren-Bijbelschool Gilead in de Verenigde Staten bij te wonen. Wij waren overgelukkig. Maar toen ik als voorbereiding op de reis een algemeen medisch onderzoek onderging, ontdekten de artsen dat ik tuberculose had. Hevig teleurgesteld keerde ik naar Sendai terug.
Tegen die tijd was Vaders lichamelijke gezondheid verslechterd en lag hij thuis op bed. Ons huurhuis bestond uit slechts één kamer van tien vierkante meter met een vloer van stromatten (tatami). Mijn vader en ik lagen naast elkaar. Omdat Vader niet kon werken, viel het Moeder financieel zwaar om ons van het nodige te voorzien.
In januari 1957 bracht Frederick W. Franz, de toenmalige vice-president van het Wachttorengenootschap, een bezoek aan Japan en werd er een speciaal congres georganiseerd, dat in Kyoto gehouden zou worden. Vader drong er bij Moeder op aan het congres bij te wonen. Hoewel zij aarzelde ons in onze zieke toestand achter te laten, gehoorzaamde zij Vader en bezocht het congres.
Kort daarna ging Vaders toestand zienderogen achteruit. Toen wij daar naast elkaar lagen, begon ik mij zorgen te maken, en ik vroeg hem hoe wij in ons levensonderhoud zouden moeten voorzien. Hierop antwoordde hij: „Wij hebben Jehovah God gediend, zelfs ons leven op het spel gezet, en hij is de almachtige God. Waarom maak je je zorgen? Jehovah zal ons zonder mankeren van het nodige voorzien.” Hij moedigde mij toen op een bijzonder liefdevolle manier aan met de woorden: „Ontwikkel een sterker geloof.”
Op 24 maart 1957 sliep Vader rustig in. Na zijn begrafenis bezocht ik de verzekeringsmaatschappij waarvoor hij had gewerkt om bepaalde dingen met hen te regelen. Toen ik wegging, gaf de filiaalmanager mij een papieren zak en zei: „Dit is van uw vader.”
Bij mijn thuiskomst ontdekte ik dat er een vrij groot geldbedrag in zat. Toen ik de manager er later naar vroeg, legde hij uit dat het geld een premie was die maandelijks van Vaders salaris was ingehouden zonder dat hij het wist. Vaders woorden „Jehovah zal ons zonder mankeren van het nodige voorzien”, zijn dus inderdaad uitgekomen. Dat heeft mijn geloof in Jehovah’s beschermende zorg heel erg versterkt.
Tientallen jaren van voortdurende dienst
De materiële hulp die door dat geld werd verschaft, heeft mij geholpen mij thuis op mijn herstel te concentreren. Een jaar later, in 1958, werden Moeder en ik als speciale pioniers aangesteld. Daarna heb ik als reizend opziener in Japan gediend en in 1961 had ik het voorrecht de tien-maandencursus van de Gileadschool op het internationale hoofdbureau van het Genootschap in Brooklyn (New York) bij te wonen.
Toen ik terug was in Japan, ben ik opnieuw de gemeenten als reizend opziener gaan dienen. In 1963 trouwde ik met Yasuko Haba, die op het bijkantoor van Jehovah’s Getuigen in Tokio werkte. Tot 1965 hebben wij samen in de reizende dienst gestaan; toen werden wij uitgenodigd om op het bijkantoor in Tokio te dienen. Sindsdien werken wij daar beiden — eerst in Tokio, toen in Numazu en nu in Ebina.
Moeder is tot 1965 speciale pionierster gebleven. Daarna is zij actief gebleven en heeft veel mensen geholpen de bijbelse waarheden te aanvaarden. Nu is zij 79 jaar, maar zij is betrekkelijk gezond. Wij zijn blij dat zij in de buurt woont en dezelfde gemeente kan bezoeken waar wij naar toe gaan, dicht bij het bijkantoor in Ebina.
Wij zijn Jehovah God werkelijk dankbaar dat mijn vader de atoombomexplosie boven Hiroshima heeft overleefd. Hij heeft zijn geloof behouden en ik hoop hem in de nieuwe wereld te verwelkomen en hem te vertellen hoe wij door Armageddon heen zijn gekomen, de strijd die hij zo graag had willen meemaken (Openbaring 16:14, 16; 21:3, 4). — Verteld door Tsutomu Miura.
[Voetnoot]
a Zie voor Matsue Ishii’s levensverhaal De Wachttoren van 1 mei 1988, blz. 21-25.
[Illustratie op blz. 11]
Katsuo en Hagino Miura met hun zoon Tsutomu
[Illustratie op blz. 15]
Tsutomu Miura aan het werk op het Japanse bijkantoor
[Illustratieverantwoording op blz. 13]
Stichting voor Vrede en Cultuur in Hiroshima, uit door het Institute of Pathology van de Amerikaanse strijdkrachten teruggegeven materiaal