Jehovah verlaat zijn dienstknechten niet
Zoals verteld door Matsoeë Isjii
BIJNA een jaar had ik in een kleine, vuile, van vlooien vergeven gevangeniscel in Sendai (Japan) in eenzame opsluiting doorgebracht. Gedurende die gehele tijd was het mij niet toegestaan een douche of een bad te nemen. Mijn vlees zat onder de zweren, opgevreten door de bedwantsen. Ik was zo verzwakt door reumatiek dat ik niet meer kon zitten of staan. Louter vel over been, woog ik minder dan dertig kilo en was ik de dood nabij.
Maar waarom was ik daar? Waarom hadden de autoriteiten op 21 juni 1939 om vijf uur ’s ochtends op mijn deur gebonsd en mij gearresteerd? Wat had ik gedaan? Destijds, bijna vijftig jaar geleden, waren het moeilijke tijden in Japan. Laat mij u erover vertellen, alsook over de omstandigheden die mij in de gevangenis deden belanden en hoe ik dit alles heb overleefd.
Mijn vroege leven
Ik ben in 1909 in de stad Koere (Japan) geboren, ongeveer 25 kilometer van Hirosjima verwijderd. Mijn ouders hadden een rijsthandel en een kimonowinkel. Toen ik negen was, werd onze streek door de Spaanse griep getroffen, en al gauw stonden er rondom het crematorium grote stapels met lijken gevulde doodkisten. Mijn oudere zus en ik kregen deze griep, en een week later stierf zij. Bij haar plotselinge dood begon ik mij af te vragen: ’Waarom sterven mensen? Wat gebeurt er met hen bij de dood?’
Vader was een toegewijd boeddhist, en om het antwoord te weten te komen, bezocht ik verscheidene boeddhistische tempels. Ik vroeg de monniken daar: „Waarom sterven mensen?”
„Daar hoef je niet over na te denken”, antwoordden zij dan. „Als je op Boeddha blijft vertrouwen en je mantra’s blijft opzeggen, kun je er zeker van zijn dat je het nirvana zult bereiken en het paradijs zult binnengaan.”
Toen ik zeventien was, vernam ik over een boek dat de bijbel werd genoemd. Ik kocht een exemplaar, maar begreep er niet veel van. Later begon ik in de stad Koere de diensten van een „christelijke” kerk bij te wonen. Toen ik hoorde dat de mens sterft ten gevolge van Adams zonde, vond ik dit zinnig en werd ik een ijverig kerklidmaat.
Destijds werd in stadjes op het platteland vaak de mening geuit: „Jaso [christelijke] religie zal de natie in het verderf storten.” Aangezien ik de eerste ijverige „christen” in onze streek was, beschuldigden de stadsbewoners mij ervan schande over de stad te brengen en dwongen zij mij er feitelijk toe te vertrekken. Mijn ouders waren helemaal niet over mij te spreken.
De bijbelse waarheid leren kennen
In een poging mij mijn geloof te laten prijsgeven, trof Vader er regelingen voor dat ik met een volkomen vreemde man, Jizo Isjii, een toegewijd boeddhist, in het huwelijk trad. Zijn oudere broer was een vooraanstaand priester in een boeddhistische tempel. Er werd mij gezegd dat Jizo, alhoewel geen christen, welwillend zou staan tegenover mijn geloof. Ik verhuisde dus naar Osaka en trouwde op negentienjarige leeftijd met Jizo, die kleermaker was. Maar in tegenstelling tot wat mijn vader had gezegd, stond Jizo mij niet toe de kerk te bezoeken.
Achter ons huis in Todjo-cho (Osaka) stond een huis met een bord: „Bijkantoor van de Internationale Bijbelonderzoekers te Osaka”. Aannemend dat het een christelijke groepering was, bezocht ik het huis.
„Gelooft u in de tweede komst van de Heer”? vroeg ik de jonge man die de deur opendeed.
„Christus’ tweede komst heeft in 1914 plaatsgevonden”, antwoordde hij.
Stomverbaasd zei ik hem dat dit onmogelijk was. „Leest u dit boek eens”, zei hij, en gaf mij De Harp Gods.
Ten einde te voorkomen dat mijn man het boek zou zien, verborg ik het in een strooien mand waarin houtskool werd bewaard en las het wanneer ik maar kon. Elk feit trof mij als een donderslag — slechts 144.000 gaan naar de hemel; Christus maakt geen deel uit van een Drieëenheid maar is de eniggeboren Zoon van Jehovah, de almachtige God; wij leven in de tijd van het einde; en de Spaanse griep, die het leven van mijn zuster had opgeëist, vormde een onderdeel van de vervulling van bijbelse profetieën. Ik was ervan overtuigd dat dit de waarheid was waarnaar ik had gezocht.
Ten slotte ontdekte mijn man dat ik een christelijk boek las. Maar toen ik een krachtig standpunt voor mijn geloof innam, begon hij zich af te vragen of er soms iets heel belangrijks bij betrokken was, en daarom begon hij zelf De Harp Gods te lezen. Het volgende jaar, op 23 maart 1929, werd ik gedoopt, en mijn man werd kort daarna gedoopt.
Als colporteurs dienst verrichten
Wij sloten de kleermakerij en ontsloegen de werknemers. Vreugdevol namen wij in Osaka de van-huis-tot-huisprediking ter hand. In september 1929 werd ik Japans tweede colporteur, zoals de volle-tijdbedienaren toen werden genoemd, en later sloot mijn man zich bij de colporteursgelederen aan. Samen hebben wij driekwart van Japan bewerkt, met inbegrip van Osaka, Kioto, Nagoja, Tokio, Sendai, Sapporo, Okajama en het eiland Sjikokoe. Wij huurden in elke plaats voor ongeveer zes maanden een flat en concentreerden ons in die periode op de verspreiding van lectuur.
Wij gebruikten lectuur die in het Japans beschikbaar was, zoals de boeken De Harp Gods, Bevrijding, Schepping, Verzoening en Regeering, alsook de tijdschriften Het Gouden Tijdperk (nu Ontwaakt!) en De Wachttoren. Als colporteurs besteedden wij 180 uur per maand aan het van-huis-tot-huiswerk. Hoewel wij fysiek doodmoe waren, was onze vreugde in de dienst groot.
In die dagen werden de uitgaven van de Japanse colporteurs niet vergoed, maar zij mochten de helft van het geld van de lectuurverspreiding voor de kosten van het levensonderhoud gebruiken. Het leven was niet gemakkelijk. Een mede-colporteur stierf aan dysenterie. Toen ik de patiënt verpleegde, liep ik ook deze ziekte op en moest ik in een ziekenhuis worden opgenomen. Terwijl wij in Nagoja dienst verrichtten, brak in het huis van de mensen die naast ons woonden brand uit. Wij renden van de tweede verdieping de trap af met alleen de kleren die wij aan hadden en konden ternauwernood aan de dood ontsnappen. Onze weinige bezittingen en de verspreidingslectuur gingen allemaal in vlammen op, zodat wij berooid achterbleven.
Toen wij in Okajama dienden, had mijn man dagen achtereen hoge koorts en bleek hij longtuberculose te hebben. Tuberculose was destijds meestal dodelijk. Als de dood onvermijdelijk was, wilden wij naar Sapporo, op het noordelijkste eiland Hokkaido, gaan om getuigenis te geven waar nog nooit eerder was gepredikt.
In september 1930 verhuisden wij naar Hokkaido, waar ik verwachtte dat mijn man zou sterven. Hier was de lucht zuiver en waren melk en eieren goedkoop, en geleidelijk ging de gezondheid van mijn man vooruit. Jehovah heeft ons nooit in de steek gelaten maar heeft ons met bijzonder veel vreugde in onze bediening gezegend.
Toen wij voor het eerst in Sendai werkten, stond de heer Inoeë, de president van de keizerlijke Tohokoe-universiteit, mij een persoonlijk onderhoud toe. Hij nam de boeken die ik bij mij had en begeleidde mij tot de deur om afscheid van mij te nemen. Toen wij van huis tot huis getuigenis gaven, ontmoette ik ook Bansoei Doi, een beroemd letterkundige, die Homerus’ Ilias en Odyssee in het Japans heeft vertaald. Hij nam het Schepping-boek van mij.
Tot de dankbare personen die onze boodschap hebben aanvaard, behoorde de familie Mioera uit Isjinomori. Hagino, de echtgenote, was zeventien jaar toen zij ons in Sendai bezocht. Na de hele avond over de bijbel gesproken te hebben, was zij ervan overtuigd dat wij de waarheid hadden. Niet lang daarna verhuisde de hele familie naar Tokio, waar Hagino en haar man, Katsoeo, als colporteurs dienden. Katsoeo is als een getrouwe Getuige gestorven en Hagino dient nog steeds getrouw. Hun zoon, Tsoetomoe, werkt al vele jaren als vertaler op het Japanse bijkantoor van het Wachttorengenootschap.
Tijdelijke Betheldienst
In de jaren dertig werkten mijn man en ik elk jaar enkele maanden op Bethel, dat in Ogikoebo (Tokio) was gelegen. Er waren daar destijds ongeveer twintig werkers. Twee lawaaierige persen drukten Het gouden tijdperk. Jizo en ik werkten in de kledingafdeling. Met de seizoenwisselingen stuurden colporteurs kapotte kleding naar Bethel. Wij wasten, verstelden en streken de kleding en stuurden die dan weer naar hen terug. Wij naaiden zelfs nieuwe kleding voor de colporteurs. Als dit werk klaar was, gingen wij zelf weer in de colporteursdienst.
Een van mijn dierbaarste herinneringen aan Bethel houdt verband met het historische congres dat in 1931 in Columbus (Ohio, VS) werd gehouden. Een broeder had een kortegolfontvanger gebouwd om buitenlandse uitzendingen te horen. Terwijl wij dag en nacht aan de afstemknop draaiden, probeerden wij wanhopig het congresprogramma op te vangen. Midden in de nacht kwam de stem van de president van het Wachttorengenootschap, J. F. Rutherford, met volle kracht door. Onmiddellijk begon een broeder te vertalen. Zo hoorden wij de resolutie ter aanvaarding van de nieuwe naam, „Jehovah’s Getuigen” en het donderende goedkeurende applaus. Ver weg in het Japanse Bethelhuis, verhieven wij vreugdevol onze stem met onze broeders en zusters in Amerika. Enkele minuten later ging de radio-ontvangst snel achteruit en werd er niets meer gehoord. Maar Jehovah had ons laten delen in dit historische moment.
Ondanks tegenstand getuigenis geven
Tijdens de wereldomvattende malaise na de Eerste Wereldoorlog kwam Japan in een maalstroom van nationalisme en militarisme terecht. De keizer werd als een levende god beschouwd aan wie alle burgers loyaliteit verschuldigd waren. Maar wij zeiden tot de mensen: „Er is slechts één God.”
„Willen jullie beweren dat de keizer niet God is?” antwoordden zij dan.
„Er ligt een prachtige toekomst in het verschiet die door Gods koninkrijk bewerkstelligd zal worden”, legden wij uit.
„Willen jullie een andere heerschappij dan die van de keizer?” vroegen zij dan. Wàt wij ook zeiden, onze woorden werden altijd verdraaid en wij werden verraders genoemd. De autoriteiten verscherpten hun censuur op onze lectuur en wij werden steeds vaker door rechercheurs geschaduwd.
Meestal werd er eens per jaar een openbare lezing gehouden. Hoewel wij in Tokio slechts ongeveer twintig Getuigen hadden, luisterden ongeveer vijfhonderd personen naar de lezing „De val van de christelijke beschaving”, die in de Tokiose Jodobasji-stadsgehoorzaal werd gehouden. De spreker werd op het podium door politieagenten omringd, en als hij ook maar iets zei wat zij als aanstootgevend beschouwden, weergalmde een stem: „Spreker, stop!” Op dat moment haalde de spreker tactvol een schriftplaats aan en las die voor. Aangezien de bijbel niet verboden was, werd het hem toegestaan door te gaan.
Arrestatie en gevangenzetting
Bijna tien jaar nadat wij met het colporteurswerk waren begonnen, kwamen er massale arrestaties van Jehovah’s Getuigen in Japan. Op die noodlottige ochtend van 21 juni 1939 werd ik naar de politiepost in Isjinomaki gebracht en in een donker arrestantenlokaal opgesloten waar roet van het plafond hing. Kort daarna werd ik naar Sendai overgebracht en in een isoleercel geworpen. Mijn man werd ook gearresteerd en tot na de oorlog verloor ik alle contact met hem.
Ik heb bijna een jaar in die vuile cel gelegen en heb het amper overleefd. Later vernam ik dat de autoriteiten in die periode Joenzo Akasji, de opziener van het Japanse bijkantoor, aan de tand voelden. Ten slotte begon mijn ondervraging. „Smijt de bijbel op de grond en trap erop”, beval een beledigende ondervrager. Toen toonde hij mij het verslag van de ondervragingen van Akasji. In het begin dacht ik dat het een list was.
„Gelooft u in Akasji?” vroeg de ondervrager.
„Akasji is slechts een onvolmaakt mens”, antwoordde ik. „Zolang Akasji bijbelse beginselen volgde, is hij als een dienstknecht van God gebruikt. Maar aangezien zijn verklaringen van de bijbel afwijken, is hij niet langer mijn broeder.” Helaas had Akasji de waarheid inderdaad verlaten.
Ten slotte werd het vonnis uitgesproken en werd ik in de vrouwengevangenis van Sendai opgesloten. Opnieuw kwam ik in een isoleercel terecht. Er werden — weliswaar povere — maaltijden verschaft. Elke ochtend mocht ik onder toezicht van een vrouwelijke bewaker dertig minuten luchten. Eens zei een van hen tegen mij: „Als de tijden beter zouden zijn, zou u in de positie zijn ons te onderwijzen. Maar de tijden zijn slecht, dus heb alstublieft geduld.” Haar woorden moedigden mij aan.
Intussen stortte Japan zich in de oorlog met de Verenigde Staten, waarna dit conflict het wereldtoneel beheerste. Tegen het einde van 1944, vijf en een half jaar na mijn arrestatie, werd ik vrijgelaten. In augustus 1945 werden atoombommen op Hirosjima en Nagasaki geworpen en verloor Japan de oorlog.
Van de duisternis in het licht
Mijn man en ik keerden terug naar de stad Koere en scharrelden in de naoorlogse chaos met moeite ons kostje bijeen door een kleermakersbedrijfje te runnen. Onze oude metgezellen waren overal heen verspreid en wij waren vrijwel alle contact met hen kwijtgeraakt. Maar ongeveer vier jaar na de oorlog hoorden wij dat er uit de Verenigde Staten zendelingen zouden worden gestuurd en dat het werk in Japan heropend zou worden.
Samen met onze zesjarige zoon, die wij na de oorlog hadden geadopteerd, bezocht mijn man het eerste naoorlogse congres, dat in Taroemi (Kobe) werd gehouden. Het liep van eind december 1949 tot in het nieuwe jaar 1950. Sinds 1939 had het Koninkrijkswerk in Japan een duistere tijd meegemaakt, maar ten slotte werden wij overgebracht naar het licht!
In 1951 hoorden wij dat Nathan H. Knorr, de toenmalige president van het Wachttorengenootschap, Japan zou bezoeken, maar wij wisten niet precies wanneer. Toen wij op 27 april 1951 tot middernacht in de kleermakerij aan het naaien waren, hoorden wij het laatste radionieuws van die dag. „De heer N. H. Knorr, president van de Wachttoren, zal Japan bezoeken en in de Kjoritsoezaal een lezing houden”, zei de nieuwslezer. De volgende dag stapte ik op de trein en reisde, te midden van chaotische naoorlogse armoede, de 900 kilometer naar Tokio. Op 29 april zat ik tussen de toehoorders die naar broeder Knorr luisterden.
Het ontroerde mij de aankondiging te horen dat De Wachttoren voor het eerst na de oorlog in het Japans zou verschijnen. Ik ging naar huis met de zojuist gepubliceerde uitgave van 1 mei 1951. Ik kan mij in mijn hele leven geen andere tijd herinneren dat ik mij gelukkiger voelde. „Nu is het werk in Japan officieel heropend”, dacht ik, „en precies zoals is geprofeteerd, zal Jehovah’s werk toenemen — één zal tot duizend worden.”
Sindsdien hebben wij de vreugde van volledig contact met Jehovah’s organisatie gesmaakt. In augustus 1951 bezocht broeder Adrian Thompson ons voor het eerst als kringopziener. Er werd een begin gemaakt met het houden van vergaderingen en de eerste twee speciale pioniers in Japan werden aan de stad Koere toegewezen. De gemeente werd geleidelijk aan groter en mijn man verrichtte dienst als gemeentedienaar.
Wat is er met de ongeveer 130 Getuigen in het vooroorlogse Japan gebeurd? Het slechte voorbeeld van Joenzo Akasji, de bijkantooropziener, heeft op velen een traumatische uitwerking gehad. Enkelen werden zijn volgelingen, anderen zijn verspreid geraakt en sommigen zijn klaarblijkelijk tijdens de vervolging gestorven. Een tiental bleef actief in Jehovah’s dienst en sommigen genieten nog steeds een mate van gezondheid en verrichten ijverig dienst.
Aangezien het met mijn gezondheid beter ging, heb ik enkele jaren als gewone pionierster dienst kunnen verrichten. Toen mijn man 71 jaar was, kreeg hij een hevige bloedspuwing en werd hij in allerijl naar het ziekenhuis vervoerd. Gelukkig respecteerden de artsen zijn weigering om bloedtransfusie te aanvaarden. Hoewel hij weer behoorlijk opknapte, is hij zes maanden later gestorven. Onze geadopteerde zoon, Kozo, is jaren achtereen speciale pionier geweest en is nu een christelijke ouderling.
Achteraf bezien, schijnt het me toe dat de meesten van degenen uit de vooroorlogse tijd die uitblonken in bekwaamheden en verstand, Gods organisatie hebben verlaten toen zij aan grote druk werden blootgesteld. Misschien hadden zij zich op hun eigen bekwaamheden verlaten. Degenen die getrouw bleven, bezaten geen speciale bekwaamheden en waren onopvallend. Wij allen moeten beslist altijd met geheel ons hart op Jehovah vertrouwen. — Spreuken 3:5.
De „grote verdrukking” zal ten slotte beslist aanbreken (Matthéüs 24:21). Misschien moeten wij dan wel het hoofd bieden aan beproevingen waarbij de vorige in het niet verzinken. Deze beproevingen zouden wel eens minder gemakkelijk te verduren kunnen zijn dan wij misschien denken. Maar als wij werkelijk op Jehovah vertrouwen, hem waarlijk liefhebben en van ganser harte zijn hulp inroepen, zal hij zijn dienstknechten die ernaar streven hem getrouw te dienen, niet verlaten, evenmin als hij mij verlaten heeft. — Psalm 37:25.
[Illustratie op blz. 23]
Ik trouwde met Jizo Isjii, een volkomen vreemde voor mij
[Illustratie op blz. 25]
Toen broeder Knorr in 1951 Japan bezocht, hield hij lezingen voor zendelingen en op congressen in Tokio, Nagoja en Kobe (hierboven)