Huis van aanbidding in brand gestoken
OP ZONDAGMIDDAG, 4 oktober 1992, stormde een man totaal buiten zinnen een kleine, op de eerste etage gelegen Koninkrijkszaal in het Zuidkoreaanse Wundzjoe binnen, waar meer dan negentig gelovigen dicht opeen zaten. Hij schreeuwde verscheidene malen: „Breng mijn vrouw naar buiten!” Toen zijn vrouw hem hoorde, glipte zij snel weg via de nooduitgang aan de achterkant.
De man goot een jerrycan met benzine leeg op het tapijt voor de hoofduitgang. Toen stak hij, ondanks de smeekbeden van de aanwezigen, het tapijt in brand. De benzine explodeerde letterlijk en vlammen en zwarte rook schoten naar het plafond, in de richting van het podium en toen weer terug de hele zaal door, zodat binnen enkele seconden veel van de aanwezigen erdoor omspoeld werden. Uit elk raam kwamen vlammen en rook.
Velen vluchtten door de achteruitgang of de ramen en kwamen dan op een smalle richel terecht. Vandaar begaven zij zich naar het dak van een aangrenzend gebouw en vervolgens naar de begane grond. Anderen sprongen gewoon van de eerste etage naar beneden. Nadat de brandstichter ontkomen was, schopte hij verachtelijk de gewonden die naar beneden gesprongen waren.
De reizende opziener, die de speciale openbare lezing hield, riep: „Snel, red de kinderen.” Overlevenden geloven dat hij en zijn vrouw hadden kunnen ontkomen als zij niet geprobeerd hadden anderen te helpen. Zij behoorden tot de 15 die omkwamen; daarnaast raakten in totaal 26 personen gewond. Een andere man, die later in het ziekenhuis stierf, riskeerde zijn leven door bejaarden naar buiten te helpen.
Degenen die omkwamen, hadden voor in de zaal gezeten. De reizende opziener en zijn vrouw werden bevangen door de dikke rook en stikten. De doden kwamen uit negen gezinnen; drie van hen waren kinderen, van drie, vier en veertien jaar. Dat er niet meer zijn omgekomen of gewond zijn geraakt, was bijna een wonder, in aanmerking genomen dat de ruimte klein was en ontkoming via de hoofdingang door de vlammen onmogelijk was.
Al snel arriveerden er zeven brandweerauto’s en dertig brandweerlieden, maar de snelheid waarmee het vuur om zich heen greep, had al levens geëist. De vlammen werden binnen een uur gedoofd. Door de intensiteit van het vuur was het identificeren van de doden echter bijzonder moeilijk; het duurde ruim twee uur.
De politie van Wundzjoe arresteerde later de man die de brand had veroorzaakt en legde hem moord en brandstichting ten laste. Terwijl hij door de politie in hechtenis werd gehouden, deed hij een vergeefse poging tot zelfmoord.
Onmenselijke behandeling
Toen de vrouw van de brandstichter steeds meer belangstelling kreeg voor de bijbelse leer, werd het zijn gewoonte haar te bedreigen. Half september, ongeveer twee weken voordat de reizende opziener de gemeente Wundzjoe van Jehovah’s Getuigen bezocht, sloeg de brandstichter zijn vrouw tot zij bewusteloos was. Toen zij bijgekomen was, goot hij thinner over haar heen en stak haar in brand. Maar zodra het vuur ontvlamde, kwam hij tot bezinning en doofde het haastig uit.
Die tragische zondag eiste de man dat zijn vrouw niet naar de Koninkrijkszaal ging. Ondanks het feit dat hij woedend werd, weigerde zij zich te laten intimideren. Zij vond dat zij God op dit punt van aanbidding meer moest gehoorzamen dan enig mens, haar echtgenoot inbegrepen (Handelingen 5:29; Hebreeën 10:24, 25). Dus woonde zij de vergadering bij.
Na de brandstichting in de Koninkrijkszaal probeerde de advocaat van de man de vrouw ertoe te pressen een verklaring te tekenen waarin stond dat haar man tot het begaan van zijn afschuwelijke daad was gedreven omdat zij weigerde een fanatieke godsdienst op te geven en omdat zij in gebreke was gebleven een goede vrouw voor hem te zijn. Zij wilde de verklaring echter niet tekenen. Zij weigerde de waarheid in diskrediet te brengen door te kennen te geven dat de verschrikkelijke tragedie in enig opzicht te wijten was aan haar studie van de bijbel.
Het weekend na de tragedie hield de vrouw op een grote vergadering van Jehovah’s Getuigen vast aan haar besluit zich te laten dopen als symbool van haar opdracht aan Jehovah God, de Soeverein van het universum. — Psalm 83:18.
Hulp van alle kanten
Zodra het bericht over de tragedie op het bijkantoor van Jehovah’s Getuigen in Ansung, zo’n 100 kilometer van Wundzjoe, was ontvangen, werd er hulp gezonden voor de gewonden en hun familie, alsook voor de familieleden van de overledenen. Niet alleen werd er in geld voorzien, maar ook werden er christelijke ouderlingen van het bijkantoor gestuurd om na te gaan wat voor hulp er nog meer nodig mocht zijn.
Afgesproken werd dat de gemeente gebruik zou maken van een andere Koninkrijkszaal in Wundzjoe en er werden meer voorzieningen voor de getroffenen beschikbaar gesteld. Er kwam al gauw ondersteuning van medechristenen uit heel Zuid-Korea. Vlak na de ramp kwamen er al veel mensen uit andere steden om hulp te bieden. Typerend was een schenking van ƒ 2150 van een gemeente van 75 Getuigen, en een andere gemeente van 87 personen schonk ƒ 4000.
De christelijke ouderlingen in de gemeente waar de tragedie zich had afgespeeld, deden wat zij konden om anderen te helpen, maar zij behoorden tot degenen die de grootste verliezen hadden geleden. Twee kinderen van de presiderende opziener behoorden tot de doden, een andere christelijke ouderling verloor zijn zoon en nog een andere ouderling had zeer ernstige brandwonden aan zijn gezicht opgelopen. Ondanks alles wat deze christenen hadden verloren, bleven zij en de gemeente in haar geheel kalm en vast in het geloof.
Enkele dagen na de tragedie leidde een vertegenwoordiger van het bijkantoor de massabegrafenis. Veel Getuigen uit het hele land waren aanwezig en toonden op die manier hun liefde en bezorgdheid voor hun vrienden. Uitingen van medeleven werden zelfs ontvangen van veel van de bijkantoren van Jehovah’s Getuigen in allerlei delen van de wereld.
Het hoofd van de Veiligheidsdienst van de plaatselijke politie woonde de begrafenis bij en was onder de indruk van het gedrag van de Getuigen. Hij zag hoe rustig en kalm zij waren en hoe liefdevol zij anderen bejegenden die verliezen hadden geleden bij de brand. De directeur van het Bureau voor Maatschappij en Industrie was ook op de begrafenis. Toen hem later verteld werd van de liefdevolle schenkingen die uit het hele land waren ontvangen, zei hij dat dit zonder geloof niet mogelijk zou zijn geweest. De loco-burgemeester van Wundzjoe gaf ook van oprechte belangstelling blijk. Hij zei dat hij persoonlijk onder de indruk was van de kalmte, de wederzijdse liefde en het organisatietalent van de Getuigen.
Deze tragedie is eenvoudig een bewijs te meer dat wij „in de laatste dagen” leven, met ’kritieke tijden die moeilijk zijn door te komen’ (2 Timotheüs 3:1). Het is te verwachten dat er zulke afschuwelijke dingen zullen plaatsvinden. Maar Jehovah’s Getuigen in Wundzjoe zijn niet ontmoedigd. Zij zijn vastbesloten met hun aanbidding van de enige ware God, Jehovah, door te gaan en volharden in het doen van zijn wil. — Verslag van Ontwaakt!-correspondent in Zuid-Korea.
[Illustraties op blz. 26]
Rechts: De Koninkrijkszaal en (onder) het afgebrande podium waar velen stierven
Onder: Suh, Sun-ok, die twee kinderen bij de brand verloor, wordt getroost door een mede-Getuige, en Shim, Hyo-shin, een christelijke ouderling van wie twee kinderen gewond raakten