Kruiswoordpuzzel
Horizontaal
1. Was dit gelukt, dan was niet „alles wat rechtvaardig is” volbracht (Mattheüs 3:14, 15)
4. Gebruikt om een arkje van papyrus mee te bestrijken voordat dat aan het water werd toevertrouwd (Exodus 2:3)
6. Voedsel waar — in terecht vertrouwen — om gevraagd kan worden (Mattheüs 7:9, 10)
8. Het verkrijgen van koningsmacht was niet zo heel nabij; eerst kwam een ’reis naar een ver . . .’ (Lukas 19:12)
9. Het was er toen nog niet de tijd voor dat de bewoners van dit district het woord van de Heer te horen kregen (Handelingen 16:6, 7; vergelijk Handelingen 19:10)
10. Dochter van Kaleb (Rechters 1:12, 13)
11. Zij verzegelden het graf én plaatsten nog een wacht . . . (Mattheüs 27:66)
13. Ze heeft openbare pleinen en poorten en rumoerige straten: allemaal plekken waar de ware wijsheid luisteraars hoopt te vinden (Spreuken 1:20, 21)
14. Zoon van Joktan; stamvader van een van de families van kort na de Vloed (Genesis 10:26)
16. ’Uit zijn mond komt een scherp . . . zwaard’: autoriteit aanduidend om terechtstellingsbevelen uit te vaardigen (Openbaring 19:15)
19. ’s Mensen graf: het huis dat van . . . duur zal zijn (Prediker 12:5)
20. Voordat zijn gehoor werd geopend (Markus 7:32-35)
22. Lag dit gebied ten zuiden of ten oosten van het land Israël? (Jesaja 49:12)
23. Zoon van Kelub, opziener over hen die zorg droegen voor de velden van de koning (1 Kronieken 27:26)
25. Dit dier mocht gegeten worden (Deuteronomium 14:4)
26. De levieten waren aangesteld over de tabernakel en al zijn gerei en alles wat . . . behoort (Numeri 1:50)
28. Schrijver van een uiteenzetting over de aangelegenheden van Salomo, Rehabeam en Abia (2 Kronieken 9:29; 12:15; 13:22)
30. Brenger van een godswoord (Rechters 3:20)
31. Zijn zoon was Hosea, die Jehosua werd genoemd of, in de verkorte en bekendere vorm, Jozua (Numeri 13:16)
32. Om zo’n woord stuurde koning Eglon alle anderen weg uit zijn privé-vertrek (Rechters 3:19)
33. Op zulke kleding moet het accent niet liggen (1 Timotheüs 2:9)
Verticaal
2. Zo bezagen Sanballat en Tobia deze gunstige ontwikkeling voor de zonen van Israël, als iets heel . . . (Nehemia 2:10)
3. En ook niet (Genesis 49:10)
4. Plaats die Paulus benutte toen in de joodse synagoge sommigen nadelig bleven spreken over De Weg (Handelingen 19:9)
5. Dit voegwoord duidt erop dat er een voorwaarde wordt genoemd — en daar had Jakob dan ook een hele nacht om geworsteld (Genesis 32:26)
6. Hoop als een anker, zeker en . . . (Hebreeën 6:19)
7. Schoeisel, waarvan een slaaf zijn meester ontdeed (Mattheüs 3:11)
9. Zoon van Benjamin (Numeri 26:38)
11. David droeg er een terwijl hij danste voor het aangezicht van Jehovah toen de ark met vreugdebetoon naar Jeruzalem werd opgevoerd (2 Samuël 6:14)
12. Een leviet uit de zonen van Merari, in de tijd van David (1 Kronieken 24:26, 27)
14. De profeet Elisa verbleef er vaak (2 Koningen 4:8)
15. Deze hadden anders deel uitgemaakt van een vreugdevol uitgeleide (Genesis 31:27)
17. Zo iemand zou in een juridisch geschil gemakkelijk het slachtoffer van partijdigheid kunnen worden (Exodus 23:6)
18. De Simon die zij moesten vinden, verbleef als . . . in het huis van een leerlooier (Handelingen 10:6)
21. De koning van Egypte (Genesis 41:46)
24. Toen Jezus de twaalf uitzond, zei hij hun onder meer: „Maakt melaatsen . . .” (Mattheüs 10:8)
25. Bij voorkeur (Mattheüs 6:5)
26. Een transactie die van minachting voor heilige dingen getuigde, leverde hem deze bijnaam op (Genesis 25:30)
27. Was dit een vreedzame onderneming, dat hij naar Assyrië . . .? (Genesis 10:11)
29. Tijdruimte (Prediker 12:5)
Oplossing op blz. 19
Oplossing horizontaal
1. BELETTEN
4. ASFALT
6. VIS
8. LAND
9. ASIA
10. ACHSA
11. ERBIJ
13. STAD
14. SELEF
16. LANG
19. LANGE
20. DOOF
22. SINIM
23. EZRI
25. GEIT
26. ERTOE
28. IDDO
30. EHUD
31. NUN
32. GEHEIM
33. KOSTBARE
Oplossing verticaal
2. ERGS
3. NOCH
4. AULA
5. TENZIJ
6. VAST
7. SANDALEN
9. ASBEL
11. EFOD
12. BENO
14. SUNEM
15. LIEDEREN
17. ARME
18. GAST
21. FARAO
24. REIN
25. GRAAG
26. EDOM
27. TROK
29. DUUR