De opkomst en val van de wereldhandel
Deel 3: De hebzuchtige handel vertoont zich in zijn ware gedaante
TOEN de zestiende eeuw aanbrak, werd de Europese handel in het noorden beheerst door de Hanzebond, een handelsvereniging van Noordduitse steden, in het westen door Engeland en de Nederlanden, en in het zuiden door Venetië.
Eeuwenlang had Venetië het monopolie van de specerijenhandel. Door met de Arabieren en later met de Ottomaanse Turken gemaakte afspraken werden de oostelijke handelsroutes met succes afgesloten voor mogelijke mededingers. Als anderen dit monopolie wilden doorbreken, moesten zij nieuwe routes naar het Verre Oosten zien te vinden. Het zoeken begon. Eén resultaat ervan was de ontdekking en onderwerping van Amerika.
Kort na 1490 gaf de paus Portugal en Spanje het pauselijk fiat voor een campagne om de toen onbekende wereld te veroveren. Maar het was meer dan slechts religieuze overtuiging die deze twee katholieke machten dreef. Professor Shepard Clough merkt op: „Zodra landen hun aanspraken op de pas ontdekte delen van de wereld hadden afgepaald, haastten ze zich als waanzinnigen om zoveel mogelijk economisch voordeel van hun ontdekkingen te trekken.” Hij voegt eraan toe: „Er lag een bijna onnatuurlijke wellust in de haast waarmee de pioniers verwachtten rijk te worden. Het illustreerde interessant zowel de drijfveer achter de ontdekkingsreizen als de heersende ideologieën in de westerse wereld.” De begeerte naar goud en bekeerlingen dreef de Spaanse conquistadores voort bij hun plundering van de Nieuwe Wereld.
Ondertussen groeiden de Nederlanden uit tot een overheersende handelsmacht, een tendens die geen van de andere handelsreuzen kon tegenhouden. In feite bleek in de loop van de zeventiende eeuw duidelijk dat alleen Engeland sterk genoeg was om het tegen de Nederlanders op te nemen. De economische wedijver werd feller. Binnen dertig jaar, in 1618, hadden de Engelsen de omvang van hun vloot verdubbeld; tegen het midden van de zeventiende eeuw was de Hollandse koopvaardijvloot ongeveer viermaal zo groot als de vloten van Italië, Portugal en Spanje bij elkaar.
Zo werd het commerciële middelpunt van Europa verlegd van het Middellandse-Zeegebied naar de Atlantische kust. Clough spreekt van een „commerciële revolutie” en „een van de grote verschuivingen in de geschiedenis” en zegt dat daardoor een „economische welvaart [ontstond] die West-Europa’s politieke en culturele leiderschap in de westerse cultuur mogelijk maakte”.
Wereldrijken gegrondvest op meer dan suiker en specerijen
In 1602 lieten de Nederlanders een aantal handelscompagnieën geleid door Hollandse kooplieden samensmelten en vormden de Vereenigde Oost-Indische Compagnie. In de daaropvolgende decennia had deze compagnie niet alleen een mate van commercieel succes in Japan en op Java, maar verdreef ze ook de Portugezen uit wat nu West-Maleisië, Sri Lanka en de Molukken (Specerijeilanden) is. „Net als de Portugezen en de Spanjaarden”, zegt Clough, „wilden [de Nederlanders] het rendement van de handel op het Verre Oosten exclusief voor zichzelf houden.” En geen wonder! Die handel was zo winstgevend dat de Nederlanden tegen de zeventiende eeuw hoofdelijk de rijkste staat van West-Europa waren geworden. Amsterdam werd het financiële en commerciële centrum van de westerse wereld. — Zie kader, blz. 23.
Denemarken en Frankrijk richtten soortgelijke compagnieën op. Maar de eerste, en later de invloedrijkste, werd opgericht in 1600, de Engelse Oostindische Compagnie. Ze verdrong de Fransen en de Portugezen in India. Later kregen de Engelsen ook in China commercieel de overhand.
Ondertussen dreef op het westelijk halfrond de Nederlandse West-Indische Compagnie handel in suiker, tabak en pelzen. En de Engelsen, die in 1670 in Canada de Hudsonbaaicompagnie gesticht hadden, waren al handeldrijvend met de landen rond de Hudsonbaai, druk bezig met het zoeken van een noordwestelijke doorgang naar de Grote Oceaan.
De journalist Peter Newman zegt dat de strijd tussen de Hudsonbaaicompagnie en een van haar rivalen, de North-West Company, „een krachtmeting tussen handelsmaatschappijen was om markten en pelzen; maar ze veranderde al snel in een najagen van macht en gebiedsuitbreiding. . . . Beide partijen vereffenden hun rekeningen bloedig.” De feitelijke slachtoffers waren de Indianen met wie beide compagnieën handeldreven. „Sterke drank werd het betaalmiddel bij de bonthandel”, zegt hij, en voegt eraan toe dat deze „handel in sterke drank gezinnen demoraliseerde en de Indiaanse cultuur te gronde richtte”.a
Zo ontstonden er twee machtige en invloedrijke wereldrijken, beide op meer dan slechts suiker en specerijen gegrondvest — ook op bloed! De hebzuchtige handel vertoonde zich in zijn ware gedaante. The Columbia History of the World zegt in dat verband: „De Nederlanders en Engelsen bevoeren de wereldzeeën als behartigers van commerciële belangen . . . Voor deze compagnieën overheerste het winstmotief.” — Wij cursiveren.
Winst ten koste van anderen
Vanaf de zestiende tot de achttiende eeuw werd het Europese denken sterk beïnvloed door een economisch stelsel dat bekendstond als het mercantilisme. The New Encyclopædia Britannica legt uit: „[Het mercantilisme] beklemtoonde dat het verwerven van rijkdom, vooral rijkdom in de vorm van goud, van het grootste belang was in de nationale politiek. . . . Het handelsbeleid dat de mercantilistische filosofie voorschreef, was dan ook eenvoudig: bevorder de export, ontmoedig de import en eis dat voor het daaruit voortvloeiende exportoverschot wordt betaald in goud.”
De uitvoering van dit beleid leidde vaak tot grove onrechtvaardigheden. Kolonies werden uitgebuit doordat beslag werd gelegd op tonnen goud ten behoeve van het moederland. Eenvoudig gezegd weerspiegelde het mercantilisme de egocentrische, hebzuchtige houding die de handelswereld van meet af aan heeft gekoesterd, een geest die nog steeds bestaat.
Het mercantilisme had zijn critici, van wie een Adam Smith geheten Schot niet de minste was. Smith, een bekend moraalfilosoof en econoom, publiceerde in 1776 een studie over economie getiteld An Inquiry Into the Nature and Causes of the Wealth of Nations. Hoewel Smith een tegenstander van het mercantilisme was, veroordeelde hij niet het nastreven van winst uit eigenbelang. Integendeel, hij beweerde dat mensen worden geleid door een „onzichtbare hand” die hen beweegt tot economische concurrentie in een nastreven van persoonlijk eigenbelang; maar datzelfde eigenbelang, zo betoogde hij, kan de maatschappij in haar geheel ten goede komen.
Smith was een voorstander van de laissez-faire-theorie, de idee dat regeringen zo weinig mogelijk moeten ingrijpen in de economische aangelegenheden van individuen. Daarmee gaf hij duidelijk de ideologie van het klassieke kapitalisme weer.
Het kapitalisme, in deze tijd het voornaamste en, zoals sommigen beweren, het succesvolste economische stelsel, wordt gekenmerkt door privé-eigendom van onroerend goed, met vrije handel tussen individuen of bedrijven, die elkaar beconcurreren uit het oogpunt van winst. De moderne geschiedenis van het kapitalisme begon in de zestiende eeuw in de steden van Midden- en Noord-Italië, maar de oorsprong ervan gaat veel verder terug. Elias J. Bickerman, emeritus hoogleraar in de geschiedenis, legt uit dat „het in economische zin gebruiken van ons woord ’kapitaal’ — afgeleid van het Latijnse caput, wat ’hoofd’ betekent — teruggaat op een Babylonische term die ook ’hoofd’ betekende en dezelfde economische betekenis had”.
De handel vertoont zich in zijn ware gedaante in het najagen van individueel of nationaal eigenbelang. Zo is men er niet voor teruggedeinsd de waarheid geweld aan te doen. The Collins Atlas of World History zegt in dat verband: „De cartograaf heeft ook een rol gespeeld in commerciële strategieën en heeft zich er af en toe onvrijwillig door laten manipuleren. Ontdekkingen brengen onschatbare bronnen van rijkdom aan het licht. Kan er toegelaten worden dat de kaartenmaker deze informatie aan de wereld onthult? Moet hij die niet veeleer geheimhouden voor potentiële mededingers? . . . In de zeventiende eeuw publiceerde de Vereenigde Oost-Indische Compagnie geen documenten die haar concurrenten informatie zouden kunnen verschaffen.”
De handel heeft nog veel erger dingen op zijn geweten. Van de zeventiende tot de negentiende eeuw werden er goede zaken gedaan met de verkoop als slaven van naar schatting tien miljoen Afrikanen, van wie er duizenden stierven tijdens hun transport naar Amerika. Het boek Roots van Alex Haley en de televisiebewerking ervan uit 1977 schilderden een treffend beeld van deze afschuwelijke tragedie.
Bouwstenen — Hoe zouden ze gebruikt worden?
Vanaf het begin van de menselijke geschiedenis hebben onvolmaakte mensen met vallen en opstaan moeten leren. Niet door een goddelijke openbaring maar door onvermoeid speurwerk of misschien bij toeval hebben zij fundamentele wetenschappelijke waarheden ontdekt, die toegepast werden in nieuwe uitvindingen. In 1750, toen Groot-Brittannië van een agrarische economie begon over te gaan op een door industrie en het gebruik van machines overheerste economie, waren enkele van deze uitvindingen — bouwstenen als het ware — beschikbaar om er een nieuwe wereld mee op te bouwen.
De windmolen, reeds in de zesde of zevende eeuw G.T. in Iran en Afghanistan bekend, bereidde de weg voor de ontdekking en ontwikkeling van andere bronnen van energie. Maar zou de hebzuchtige handel bereid zijn buitensporige winsten te laten schieten om te garanderen dat deze bronnen veilig, niet vervuilend en betrouwbaar zouden zijn? Of zou hij gebruik maken van energiecrises — ze mogelijk zelfs scheppen — met het oog op persoonlijk gewin?
Buskruit, in de tiende eeuw in China uitgevonden, was een grote hulp in de mijnbouw en bij bouwwerkzaamheden. Maar zou de hebzuchtige handel de morele moed hebben om na te laten ervan te profiteren door wapens te maken, ter verrijking dus van wapenhandelaars ten koste van mensenlevens?
Gietijzer, waarschijnlijk al in de zesde eeuw beschikbaar in China, was een voorloper van het staal dat de grondslag van een moderne wereld zou worden. Maar zou de hebzuchtige handel iets van zijn winst willen opofferen om de vervuiling, de ongelukken en de opstoppingen te voorkomen die een industrieel tijdperk met zich mee zou brengen?
De tijd zou het leren. In ieder geval waren deze en andere bouwstenen bestemd om bij te dragen tot de ontketening van een wereldrevolutie, die op haar beurt zou bijdragen tot iets wat de wereld nog nooit had beleefd. Lees in onze volgende uitgave: „De Industriële Revolutie — Waar heeft ze toe geleid?”
[Voetnoot]
a Nog een onschuldig slachtoffer van de hebzuchtige commercie in de Nieuwe Wereld was de Noordamerikaanse kudde van zestig miljoen bizons, die gewoon nagenoeg helemaal werd afgeslacht, vaak alleen voor de huiden en de tongen.
[Kader op blz. 23]
Het bankwezen
V.G.T.: Bij de oude Babylonische en Griekse tempels werden geldstukken in bewaring gegeven; daar niet iedereen zijn geld op hetzelfde moment terugvroeg, kon een deel ervan door anderen geleend worden.
Middeleeuwen: Het moderne bankwezen begint, ontwikkeld door Italiaanse kooplieden die reizende geestelijken als tussenpersoon gebruikten om kredietbrieven van het ene land naar het andere te brengen; in Engeland begonnen goudsmeden tegen rente de bedragen uit te lenen die bij hen in bewaring waren gegeven.
1408: Een instelling die door sommigen de voorloper van de hedendaagse banken wordt genoemd, werd opgericht in het Italiaanse Genua, gevolgd door soortgelijke instellingen in Venetië (1587) en Amsterdam (1609). Een historicus zegt dat „de efficiënte diensten verleend door de Amsterdamsche Wisselbank er hun deel toe bijdroegen dat Amsterdam het financiële centrum van de wereld werd”.
1661: De Bank van Stockholm, een filiaal van de Amsterdamsche Wisselbank, begon bankbiljetten (beloften van de bank om aan toonder te betalen) uit te geven, een gebruik dat de Engelsen later perfectioneerden.
1670: Het eerste verrekenkantoor, geopend in Londen, was een bankinstelling voor het verrekenen van wederzijdse vorderingen en schulden; de geboorte van de moderne cheque, ook in dit jaar, stelde een bankcliënt in staat tegoeden naar andere banken over te boeken of een deel van zijn tegoed aan andere personen over te dragen.
1694: Oprichting van de Bank of England, die een vooraanstaande bankbiljetten uitgevende bank (schepper van papiergeld) werd.
1944: Oprichting van de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling, ook de Wereldbank genoemd, een gespecialiseerde instelling nauw verbonden met de Verenigde Naties en bedoeld om lidstaten financiële hulp te verlenen voor herstel- en ontwikkelingsprojecten.
1946: Internationaal Monetair Fonds opgericht ter „bevordering van monetaire samenwerking, wisselkoersstabilisatie, uitbreiding van de handel; verlichting van betalingsbalansproblemen”. — The Concise Columbia Encyclopedia.
1989: Met het plan-Delors wordt voorgesteld dat de Europese Gemeenschap in de jaren ’90 een gemeenschappelijke munt gaat gebruiken en een Europese centrale bank instelt.
1991: Opening van de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, een in 1990 door ruim veertig landen gevormd orgaan ter verstrekking van financiële hulp bij het herstellen van de verzwakte economieën van Oost-Europa.
[Illustratie op blz. 21]
De Indianen, vaak betaald met sterke drank, waren het slachtoffer van de handel met de blanke
[Verantwoording]
Harper’s Encyclopædia of United States History