Heeft Jantje nu echt een computer nodig?
Welke rol speelt de computer in het onderwijs van onze kinderen?
Hoe goed is hij als onderwijzer?
JANTJES moeder luisterde ernstig naar de onderwijzer van haar zoon. De leerkracht vertelde haar dat het op school niet zo goed met Jantje ging.
„Wat raadt u mij aan?”, vroeg de moeder.
„Hebt u wel eens aan een home computer gedacht?”, antwoordde de onderwijzer.
Reclameboodschappen met tafereeltjes zoals hierboven beschreven, hebben er veel toe bijgedragen bezorgde ouders te doen geloven dat zij, om hun kinderen te verzekeren van de juiste opleiding — en toekomstige vooruitzichten op werk — erop moeten toezien dat hun kinderen zo veel mogelijk over computers leren. Bovendien verschijnen er in steeds sneller tempo computers in de schoolklassen.
De computer heeft beslist het vermogen om op manieren die voorheen onmogelijk werden geacht te onderwijzen en bij het kind creativiteit en de bekwaamheid problemen op te lossen te ontwikkelen.
Zo laat één computerprogramma de leerling bijvoorbeeld niet alleen een kikker ontleden, maar deze ook weer in elkaar zetten. Als de leerling de „operatie” correct uitvoert, wordt hij beloond doordat hij de kikker tot leven ziet komen en van het scherm af ziet huppen. Andere programma’s bootsen de beweging van de planeten na, laten kaarten van de aarde zien, of laten de leerling een vliegtuig besturen, autorijden of chemische proeven uitvoeren.
Een andere manier waarop de computer wordt gebruikt, wordt gewoonlijk computergestuurd leren genoemd. De computer stelt een vraag. Als de leerling correct antwoordt, gaat het programma verder naar de volgende vraag. Is het antwoord onjuist, dan geeft de computer de leerling aanwijzingen. De leerling ontvangt hierdoor persoonlijk onderwijs, wat hem in staat stelt in zijn eigen tempo vorderingen te maken. Bovendien heeft een computer eindeloos „geduld” en wordt hij niet „boos” op de leerling als deze verkeerde antwoorden geeft, wat een onderwijzer wel kan overkomen. Ook dat is bevorderlijk voor het leren.
De meeste scholen hebben nu computerkunde als vak. Deze lessen leren de scholieren hoe zij zo’n computer moeten gebruiken en programmeren. Voor degenen die geïnteresseerd zijn in een loopbaan in de computerbranche kan dit heel belangrijk zijn. Voorstanders van een dergelijke cursus vinden dat alle leerlingen tenminste enige kennis van computers moeten hebben. De werkelijke of veronderstelde vooruitzichten op werk verlenen dat schoolvak een sterke aantrekkingskracht.
Ook bij schrijven en nazoekwerk kunnen schoolcomputers nuttig zijn. Docenten die schrijfopdrachten geven, bemerken vaak dat leerlingen die de computer als tekstverwerker gebruiken, eerder bereid zijn hun teksten te herschrijven en te redigeren — een essentieel onderdeel van goed schrijven — omdat zij altijd een verzorgd, net produkt voor zich hebben.
Met de computer kan de leerling ook een enorme hoeveelheid informatie aanboren. Met de juiste apparatuur kunnen leerlingen van de ene school voor speciale projecten gegevens uitwisselen met leerlingen van andere scholen. Zij kunnen ook grote centrale bibliotheken en gegevensbanken raadplegen, waar zij toegang krijgen tot de allerlaatste informatie over een brede scala van onderwerpen. Hun eigen schoolbibliotheek zou het zich nooit kunnen permitteren zo up to date te blijven.
Het is duidelijk dat de computer, indien juist gebruikt, een hulp bij het leren is. De praktische ervaring en „persoonlijke aandacht” die mogelijk worden wanneer er voldoende computers zijn, zijn waardevol voor jonge leerlingen. Oudere leerlingen kunnen verder gaan dan de op lesboeken gebaseerde leerstof en profiteren van de nieuwe onderwijsmethoden die de computer mogelijk maakt.
Dit alles klinkt beslist fantastisch. Maar hoe ziet de werkelijkheid er uit? Heeft de computer aan de verwachtingen beantwoord?
Is er aan de verwachtingen voldaan?
Een succes maken van het gebruik van computers in het onderwijs verschilt in feite niet van een succes maken van een willekeurig ander leervak. Men moet over de juiste soort programma’s en bekwame leerkrachten beschikken. Is er aan deze voorwaarden voldaan?
In hun haast om computertechnologie in huis te halen, hebben sommige scholen voortvarend computers gekocht zonder zorgvuldig te overwegen hoe ze zouden worden gebruikt en wat de behoeften van de leerlingen waren. Het gevolg is dat veel scholen zich voor de onplezierige taak geplaatst zien nuttige toepassingen voor hun computers te vinden.
Deze stand van zaken wordt weerspiegeld in de manier waarop schoolcomputers momenteel worden gebruikt. Hoewel er fascinerende programma’s en ingenieuze onderwijsmethoden zijn, is bij enquêtes gebleken dat dergelijke programma’s slechts een minimum vertegenwoordigen van het totale aantal op scholen gebruikte programma’s. De meeste programma’s die in de klas worden gebruikt, zijn hetzij voor het maken van oefeningen en het inprenten van leerstof of voor het leren omgaan met computers.
Oefeningen maken en dingen uit het hoofd leren, horen natuurlijk bij het onderwijs. Maar er is weinig in te brengen tegen de logica van een onderwijzer en docent computerkunde, die vroeg: „Waarom zou je $2000, of $1200 of zelfs $600 uitgeven voor een elektronisch opgavenboek wanneer een simpel ouderwets opgavenboek van $2,95 met veel oefenstof en oefenbladen even goed voldoet?” Bovendien vinden sommige leerkrachten dat zulke toepassingen volkomen voorbijgaan aan het doel van het gebruik van computers in de klas, omdat het leren erdoor wordt teruggebracht tot een keuze maken tussen het goede en het verkeerde antwoord in plaats dat het denken en de creativiteit erdoor worden gestimuleerd.
En wat de noodzaak om geen ’computer-analfabeet’ te zijn betreft, velen denken dat dit een slimme truc is van de computerfabrikanten en aanverwante industrieën. Door reclameboodschappen zoals de in het begin aangehaalde, en misschien door hun eigen vrees voor deze nieuwe machine, menen veel ouders dat hun kinderen zeker zullen mislukken als zij niet met computers kunnen omgaan. In werkelijkheid zijn er maar weinig toekomstige banen waarvoor men kennis van computers nodig heeft, dat wil zeggen, kennis van programmeren, computertalen, enzovoort. Computers zullen veeleer worden gebruikt als een stuk gereedschap, zoals de huidige calculators of elektronische schrijfmachines. Natuurlijk is het een voordeel als men deze machines weet te gebruiken, maar niemand maakt zich er zorgen over dat hij niet weet hoe ze werken tenzij hij geïnteresseerd is in een loopbaan in deze branche. De algemeen heersende mening is dat computerkunde slechts een keuzevak moet blijven.
Aangezien computers nog maar betrekkelijke nieuwkomers in de klas zijn, blijken leerkrachten zonder de technische achtergrond ze vaak even raadselachtig te vinden als de leerlingen. De weerstand tegen veranderingen, zo constateren schoolautoriteiten, vormt derhalve een belangrijk obstakel voor het verhogen van het peil van het computeronderwijs.
„Veel leerkrachten voelen zich niet op hun gemak met computers”, zei een schoolhoofd. „Zij weten dat de computers er zijn en dat zij erin geïnteresseerd zouden moeten zijn. Maar het opleiden van leerkrachten vormt nog steeds het grootste probleem.” De bijscholing van de onderwijzers kost tijd en geld. De schoolautoriteiten hopen echter dat naarmate de leerkrachten meer ervaring opdoen en meer docenten die al wat van computers afweten, hun gelederen versterken, er voor dit hulpmiddel een effectiever gebruik gevonden kan worden.
Wat ouders moeten doen
Heeft Jantje nu dus echt een computer nodig? Het antwoord zou heel goed van u, de ouder, kunnen afhangen. Als u bang bent dat uw kind tot mislukken gedoemd is als hij geen computer heeft, zal het voorgaande u misschien helpen de zaak evenwichtiger te bezien.
Het onderwijzend personeel is het er meestal over eens dat schoolkinderen enige ervaring met computers moeten opdoen. Om die reden hebben de meeste openbare scholen thans bepaalde lessen in hun programma om leerlingen wat over computers te leren, zodat zij bekend raken met de basiselementen van de apparatuur — computer, toetsenbord, disk drive (schijvenaandrijfmechanisme), printer (regeldrukker), enzovoort — en met elementair programmeren. Op de scholen is gewoonlijk de benodigde apparatuur voor de computerlessen aanwezig, waardoor de leerlingen praktijkervaring kunnen opdoen. Degenen die belangstelling hebben voor de computerbranche, kunnen later een speciale cursus volgen, net zoals andere leerlingen voor een cursus handvaardigheid of boekhouden, een secretaresse-opleiding of een andere cursus kiezen.
Er zijn natuurlijk scholen waar computers intensiever worden gebruikt en innovatieve programma’s worden benut om een verscheidenheid van onderwerpen te onderwijzen. Maar omdat zo’n aanpak nog betrekkelijk nieuw is, kan niemand met zekerheid zeggen of die beter is dan de conventionele onderwijsmethoden.
Misschien vatten de woorden van een middelbare scholier in een artikel in The New York Times de situatie goed samen. Hij schrijft: „Computers zijn in het onderwijs op hun plaats als hulpmiddelen, maar ze zijn niet een vorm van verzekering die ervoor zorgt dat je ondanks onbekwaamheid en warrig denken toch aan de slag komt.” Tot besluit beklemtoont hij hoe belangrijk het is dat schoolkinderen wordt geleerd hoe te denken en zegt: „Ook de technologie heeft geen korter binnenweggetje naar dat doel.”
[Kader op blz. 26]
„Het kind zal veel meer baat hebben bij een uur met een belangstellende ouder dan bij een uur voor zo’n piepjes uitbrengend apparaat.” — Personal Computers-column, The New York Times