De toekomst van de religie gezien haar verleden
Deel 14: Vanaf 622 G.T. — Onderwerping aan Gods wil
„Van deze boodschappers hebben wij sommigen boven anderen verheven.” — Al-Baqarah (soerah 2), vers 254, uit de Qorʼaana
MENSEN die in een almachtige, liefdevolle God geloven, erkennen de wijsheid van onderwerping aan zijn wil. Zij waarderen de leiding die hij hun door bemiddeling van boodschappers, toegerust met goddelijke kennis, verschaft. Sommige van deze boodschappers worden door meer dan een van de grote wereldgodsdiensten erkend. Meer dan 800 miljoen aanhangers van de islam beschouwen de joods-christelijke figuren Adam, Noach, Abraham, Mozes, David en Jezus als grote profeten van God. Maar een zevende, zo geloven zij, is boven alle andere boodschappers verheven — de profeet Mohammed.
De naam islam is veelbetekenend, want die duidt op onderworpenheid of overgave — in dit verband aan de wet en de wil van Allah. Iemand die deze weg van onderworpenheid of overgave bewandelt, wordt een „moslim” genoemd, het actieve deelwoord van het woord islam. Degene aan wie moslims onderworpen moeten zijn, is Allah. Allah is een verkorting van al-ilah, Arabische woorden die „de God” betekenen. De naam komt zo’n 2700 maal in de Qorʼaan voor.
De belangrijkste profeet van de islam
Mohammed bin Abdoellah (de zoon van Abdoellah), de stichter van de islam, werd omstreeks 570 G.T. in Mekka (Saoedi-Arabië) geboren. Hij was teleurgesteld over plaatselijke polytheïstische geloofsopvattingen en riten. Hij voelde zich blijkbaar noch tot het judaïsme noch tot het christendom aangetrokken. H. M. Baagil, een islamitische schrijver, verduidelijkt: „Omdat het christendom ver van de oorspronkelijke leringen van Jezus was afgeweken, zond Allah voorts als een onderdeel van Zijn oorspronkelijke plan Zijn laatste Profeet, Mohammed, als revivalist om al deze veranderingen te herstellen.”
Mohammed gaf riten en ceremoniën een Arabisch tintje. Jeruzalem en zijn tempel werden vervangen door Mekka en zijn heiligdom, de Kaäba. De zaterdag voor de joden en de zondag voor de christenen werden vervangen door vrijdag als een dag voor gemeenschappelijk gebed. En in plaats van hetzij Mozes of Jezus werd nu Mohammed door moslims als Gods belangrijkste profeet beschouwd.
Op ongeveer veertigjarige leeftijd verklaarde Mohammed dat hij tot Gods boodschapper geroepen was. Aanvankelijk deelde hij zijn geloofsovertuigingen met familieleden en vrienden en geleidelijk kreeg hij een groep aanhangers. Het werkelijke begin van het moslimtijdperk was in 622 G.T., toen hij van Mekka naar Medina emigreerde, een gebeurtenis die de hidjra wordt genoemd, het Arabische woord voor „emigratie”. Islamitische datums worden dan ook aangegeven als A.H. (Anno Hegira, jaar van de vlucht).
Mohammed trachtte de joden in Medina voor zijn nieuwe religie en zijn rol als profeet te winnen. Maar hij kon hen niet overtuigen. Zij keerden zich tegen hem en smeedden zowel in Mekka als in Medina met zijn vijanden een komplot tegen zijn leven. Mettertijd werden de voornaamste joodse groepen verdreven, en één stam, de Koeraisjiten, werd uitgeroeid doordat de mannen ter dood werden gebracht en de vrouwen en kinderen tot slaven werden gemaakt.
Ten slotte werd Mekka, evenals het grootste deel van het Arabische schiereiland, in 8 A.H. (630 G.T.) zonder strijd ingenomen. Enkele tientallen jaren na Mohammeds dood leidde een geschil over zijn opvolging tot zo’n burgertwist dat als reactie hierop de gemeenschap een bijna inschikkelijke houding jegens niet-islamitische groepen en ideeën aannam.
Meer dan slechts een religie
De islam is een totale levenswijze, die de Staat, zijn wetten, zijn sociale instellingen en zijn cultuur omvat, en is daarom niet slechts een religie. Dit verklaart waarom in het boek Early Islam staat dat gedurende ruim 600 jaar „de islam de uitdagendste godsdienst ter wereld, haar sterkste politieke kracht en haar belangrijkste cultuur was”.
Inderdaad, nog geen eeuw na Mohammeds dood strekte een Arabisch rijk, groter dan het Romeinse Rijk op zijn hoogtepunt, zich van India over Noord-Afrika uit tot Spanje en droeg ertoe bij dat uitvindingen werden doorgegeven die de westerse beschaving verrijkten. Het leverde belangrijke bijdragen op het gebied van de wetgeving, mathematica, astronomie, geschiedenis, literatuur, geografie, filosofie, architectuur, geneeskunde, muziek en de sociale wetenschappen.
Als een meteoor spoedig uitgeblust
„De Arabische veroveringen waren het rechtstreekse gevolg van de prediking van Mohammed”, zegt The Collins Atlas of World History. Natuurlijk droegen ook andere factoren tot de islamitische expansie bij. Religieuze conflicten tussen de christenen van Byzantium en de Zoroastriërs van Perzië bijvoorbeeld verblindden beide groepen voor de Arabische opmars.
Het streven om een wijdverbreid rijk door middel van religie bijeen te houden, was niet nieuw. Maar „moslims waren ervan overtuigd dat zij in de koran de uiteindelijke en onbetwiste uiteenzetting van de waarheid bezaten”, verklaart de schrijver Desmond Stewart. Zij werden zelfgenoegzaam en „geloofden dat alles wat de moeite waard was om te weten, reeds bekend was en dat de opvattingen van niet-moslims van geen belang waren”. Veranderingen stuitten op „hardnekkig verzet”.
Bijgevolg raakte het rijk tegen de elfde eeuw reeds in verval. Stewart vergelijkt het met „een meteoor die langs de nachtelijke hemel schiet [waarvan] . . . de levenskracht spoedig is uitgeblust”. Derhalve droeg deze godsdienst, die een besef van broederschap schiep en een betrekkelijk gemakkelijke manier voor persoonlijk contact met God bood, er in werkelijkheid toe bij het rijk dat eens door zijn toedoen was geschapen, ten val te brengen. Zo snel als het opkwam, zo plotseling ging het ten onder. Het rijk was dood, maar de religie ervan leefde voort.b
Ware onderwerping houdt ook in God, zijn wetten en zijn vertegenwoordigers te gehoorzamen. Mohammed slaagde erin de Arabische stammen in Arabië te verenigen en stichtte een islamitische gemeenschap (de oemma) waarin hij en de Qorʼaan centraal stonden. Het was een religieuze staat waarin onderworpenheid ertoe bijdroeg hen tot broeders onder één leider te maken. De islam stond het gebruik van het zwaard toe om de vijanden van de Arabische stammen te bestrijden. Met behulp van dit zwaard werden zowel hun rijk als hun religie uitgebreid. Toen Mohammed stierf, rezen er heftige geschillen. Ze waren in de eerste plaats van politieke aard en draaiden om de vraag wie er tot Khalifah, leider, gekozen moest worden. Op grond hiervan grepen velen naar het zwaard om hun broeders te bestrijden. Door de samensmelting van religie met de regering raakte de gemeenschap verdeeld. „Onderworpenheid” kon het volk niet onder één leider verenigen.
Volgens de overlevering voorzag Mohammed zelf dat er 72 ketterse sekten van de islam zouden ontstaan. Maar tegenwoordig spreken sommige autoriteiten over enkele honderden sekten.
De voornaamste twee afscheidingen zijn de sjia en de soenni. Elk van deze groepen telt echter talrijke afsplitsingen. Van elke 100 moslims zijn er ongeveer 83 soenniet en ongeveer 15 sji’iet. De anderen behoren tot diverse sektarische groepen zo uiteenlopend als de Droezen, de zwarte moslims en de abangans van Indonesië, die de islam met het boeddhisme, het hindoeïsme en plaatselijke religies vermengen.
Een kenmerk van de sji’itische minderheid is het geloof dat religie en de Qorʼaan een esoterische, of verborgen, betekenis hebben. Maar de afscheiding van de sji’iten vond in werkelijkheid plaats vanwege de kwestie van de opvolging. De sji’iten (een woord dat „partijgenoten” betekent, doelend op „de partijgenoten van Ali”) huldigen het zogenoemde legitimiteitsprincipe door te beweren dat het recht op heerschappij beperkt is tot Ali, Mohammeds neef en schoonzoon, en tot Ali’s nakomelingen.
Ali en zijn nakomelingen waren imams, leiders met een absoluut geestelijk gezag. Er bestaat verschil van mening over het aantal imams dat er is geweest, maar de grootste sji’itische groep, de twaalver sji’iten genoemd, gelooft dat het er twaalf zijn geweest. In 878 G.T. raakte de twaalfde imam „verborgen”, dat wil zeggen, hij verdween na beloofd te hebben dat hij aan het einde van de wereld zou terugkeren om een islamitische regering van gerechtigheid op te richten.
Sji’itische moslims herdenken jaarlijks het martelaarschap van Hoesein, Mohammeds kleinzoon. De schrijver Rahman merkt hierover op: „Van jongs af grootgebracht met zulke representatieve opvoeringen van deze gebeurtenis zal een sji’itische moslim waarschijnlijk een diep gevoel voor tragedie en onrecht ontwikkelen en als gevolg daarvan het martelaarschap idealiseren.”
Tekenen van verdeeldheid?
„Door de invoering van de Griekse filosofie en logica in de negende eeuw”, zo wordt in The Columbia History of the World opgemerkt, „ontstond een aparte islamitische filosofie (falsafa) die een verstrekkende invloed had op de rationalistische en theologische zienswijze van de islam. . . . Met het verstrijken van de tijd onderging de islam zelf, als godsdienst en levenswijze, diepgaande veranderingen die van invloed waren op de eenheid ervan.”
Het soefisme bijvoorbeeld, de westerse term voor de islamitische mystiek, verscheen in de achtste en negende eeuw en ontwikkelde zich snel tot een religieuze massabeweging. Tegen de twaalfde eeuw waren soefi-orden, of broederschappen, wijdverbreid. Het soefi-klooster begon de moskee bijna in belangrijkheid te overschaduwen. In het soefisme beoefent men onder meer autohypnose, die wordt teweeggebracht door concentratietechnieken of woeste dansen, het opdreunen van formules, het geloof in wonderen en de aanbidding van heiligen.
De soefi’s gingen een compromis aan met de plaatselijke gebruiken en geloofsovertuigingen. De Turken behielden hun sjamanistische praktijken, de Afrikanen hun medicijnmannen, de Indiërs hun hindoe- en prehindoe-heiligen en -godheden, en de Indonesiërs — zoals The New Encyclopædia Britannica het uitdrukt — hun „pre-islamitische wereldbeschouwing verborgen achter een vernisje van islamitische praktijken”.
Een bekende sektarische ontwikkeling uit meer recente tijd is het bahaïsme, dat zich in het midden van de negentiende eeuw in Iran uit de sji’itische islam heeft ontwikkeld. Dan is er nog een soenni-sekte genaamd de Ahmadiyya, die aan het einde van de negentiende eeuw in India is ontstaan, toen Mirza Goelam Ahmad, die zichzelf tot profeet had uitgeroepen, beleed een herverschijning van Mohammed, de wedergekeerde Jezus en een reïncarnatie van de hindoeïstische Krishna te zijn. Hij leerde dat Jezus, na op Golgotha aan de dood te zijn ontsnapt, naar India vluchtte, waar hij tot aan zijn dood op de leeftijd van 120 jaar actief bleef.
In zijn commentaren op de Qorʼaan zegt de moslimschrijver S. Abul Aʽla Maududi: „Ten tijde van de openbaring van Al-Baqarah [de in het opschrift van dit artikel aangehaalde soerah] waren er reeds allerlei huichelaars op het toneel verschenen.” Hiertoe behoorden onder meer „’moslims’, moenafikoen (huichelaars) . . . die verstandelijk overtuigd waren van de waarheid van de islam maar niet genoeg morele moed hadden om hun vroegere overleveringen op te geven”.
Dus al vanaf het allereerste begin bleven vele volgelingen kennelijk in gebreke zich aan Allah te onderwerpen op de wijze die Mohammed bedoeld had. Anderen deden dit echter wel. Om de uitdaging die zij vormden af te weren, schrok de christenheid er niet voor terug ’naar het zwaard te grijpen’, zoals in onze uitgave van 8 augustus besproken zal worden.
[Voetnoten]
a „Qorʼaan” (wat „lezing, reciet, voordracht” betekent) is de spelling waaraan islamitische schrijvers de voorkeur geven en die wij hier zullen bezigen in plaats van de westerse vorm „koran”.
b De algemene opvatting dat de islam een strikt Arabische godsdienst is, is onjuist. De meeste hedendaagse moslims zijn niet-Arabieren. Indonesië, het volkrijkste moslimland, telt 150 miljoen aanhangers.
[Kader op blz. 22]
Om u te helpen de islam beter te begrijpen
De vijf zuilen van de islam eisen van de moslims dat zij ten minste eenmaal in het openbaar de geloofsbelijdenis afleggen die bekendstaat als de sjahada — „Er is geen god behalve God; Mohammed is Gods profeet”; vijfmaal per dag gebeden uitspreken; de zakat betalen, een verplichte belasting, die nu gewoonlijk op vrijwillige basis wordt geïnd; gedurende de negende maand, Ramadan, van zonsopgang tot zonsondergang vasten; en, indien zij hier financieel toe in staat zijn, ten minste eenmaal de hadj (bedevaart) naar Mekka ondernemen.
„Djihad” („heilige oorlog” of „heilige strijd”) wordt door de sekte der charidjiten, doch niet door de moslims in het algemeen, als een zesde zuil beschouwd. Het doel ervan, zo zegt The New Encyclopædia Britannica, „is niet de bekering van afzonderlijke personen tot de islam, maar veeleer het verkrijgen van de politieke macht over de gezamenlijke aangelegenheden van samenlevingen om ze in overeenstemming met de beginselen van de islam te besturen”. De Qorʼaan laat zo’n „heilige oorlog” toe met de woorden: „En doodt niemand die Allah heilig heeft verklaard tenzij het met recht geschiedt.” — Soerah 17:34.
De voornaamste bronnen van de islamitische leer en het islamitisch recht zijn de Qorʼaan, geschreven gedurende een periode van ongeveer een kwart eeuw; de soennah (overleveringen); de idjma (de overeenstemming der gemeente); en de kijas (individuele gedachte). Het islamitische wetsstelsel, de sjariʹa, omvat het geheel van voorschriften op het gebied van het godsdienstige, politieke, sociale, huiselijke en persoonlijke leven van de moslims en werd gedurende de achtste en negende eeuw G.T. gesystematiseerd.
Mekka, Medina en Jeruzalem, in die volgorde, zijn de heiligste drie plaatsen van de islam: Mekka omdat zich daar het Kaäba-heiligdom bevindt, dat volgens de overlevering door Abraham gebouwd is; Medina, waar Mohammeds moskee staat; en Jeruzalem omdat volgens de overlevering Mohammed vandaar naar de hemel is opgestegen.
[Kaart/Illustraties op blz. 23]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
Het Islamitische Rijk zoals het er op zijn hoogtepunt uitzag