Een door computers beheerste wereld — science fiction of werkelijkheid?
Door Ontwaakt!-correspondent op de Britse Eilanden
DE SCHRIJVERS van „science fiction”-verhalen scheppen vaak een beeld van een wereld waarin reusachtige computers regering, industrie en handel beheersen. Meer dan dat, zij voorzien een tijd dat elk huisgezin toegang heeft tot een computer die de huishouding voert en kennis en inlichtingen of adviezen over ieder mogelijk onderwerp verschaft — alles door louter een druk op de knop. Spreekt dat soort van wereld u aan? Zou dit ooit werkelijkheid kunnen worden?
De afgelopen 25 jaar is het gebruik van computers uitgegroeid van een nieuwigheid tot een industrie waarmee vele miljarden guldens gemoeid zijn. Twintig jaar geleden waren er over de hele wereld ongeveer 100 computers, terwijl er thans ongeveer 300.000 zijn. In de komende twee decennia zou dat aantal tot tientallen miljoenen hunnen stijgen. Met het oog op zo’n groei is het passend te vragen: Wat doen computers? Welke ontwikkelingen zijn er gaande? En wellicht nog belangrijker, waartoe leiden de ontwikkelingen?
Ontwikkelingen in computer-„hardware”
De laatste twintig jaar hebben een enorme technologische vooruitgang te zien gegeven op het vlak van de computer-„hardware”, dat wil zeggen de feitelijke onderdelen waaruit een computer is opgebouwd. Opeenvolgende technologische procédés brengen vaak revolutionaire vernieuwingen die honderden malen beter zijn. Een goed voorbeeld hiervan vindt men in de miniaturisatie van de elektronische schakelingen.
Twintig jaar geleden moest één binaire informatie-eenheid opgeslagen worden op een kaart ter grootte van een normale speelkaart, die een gedrukte bedrading had met erop bevestigde componenten. Dit wil dan zeggen dat een dergelijke kaart enkel de waarden 0 of 1 kon aannemen. Er waren minstens zes van zulke schakelingen of circuits voor nodig om een letter van het alfabet vast te leggen. Thans, vier of vijf technologische stappen verder, zijn er circuits die 16.000 van zulke binaire eenheden (bits) kunnen opbergen op een „chip” die kleiner is dan de nagel van een duim. Dit betekent dat alles wat op deze bladzijde staat, gemakkelijk op zo’n chip kan worden vastgelegd.
De interne verwerkingssnelheid van computers is al even indrukwekkend toegenomen. Oudere machines konden 30.000 tot 40.000 opdrachten per seconde verwerken, terwijl hun moderne equivalenten er in dezelfde tijd drie tot vier miljoen kunnen behandelen. Als wij bedenken dat slechts één opdracht een rekenkundige bewerking (optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, enzovoort) kan uitvoeren met twee getallen van praktisch elke grootte, dan krijgen wij enigszins een idee van de mogelijkheden van moderne computers. Geen wonder dat ze wel „getallenvreters” worden genoemd!
Behalve een „werkgeheugen” — met de informatie, de „data”, die op chips worden opgeborgen — hebben computers een zogenaamd hulpgeheugen. Dit wordt gebruikt voor het opslaan van grote hoeveelheden gegevens die niet direct in gebruik zijn, ongeveer zoals boekenplanken dienst doen om boeken op weg te bergen totdat ze nodig zijn. Dit soort van geheugen wordt gewoonlijk verkregen door magnetische registratie op banden, strips, schijven of trommels volgens precies hetzelfde principe als een bandrecorder. Ook op dit terrein is de vooruitgang treffend geweest. De schrijfdichtheid is verbeterd van 500 karakters per inch (2,5 centimeter) tot meer dan 6000. Massageheugeneenheden die op strips van magnetische tape deze dichtheid gebruiken, kunnen meer dan 200 miljard karakters bevatten. Dat is evenveel als wat er in 50.000 exemplaren van de bijbel staat.
Dan is er ten slotte nog het kanaal waardoor wij mensen inlichtingen aan computers toevoeren of eruit ontvangen. In het verleden beperkte dit zich tot het gebruik van ponskaarten of papierband met geponste gaatjes, en tot de bekende computerlijsten, de „printout” van de regeldrukker. De gebruiker moest ter plaatse bij de computer zijn om zijn kaarten te laten verwerken en zijn printout in ontvangst te nemen. Thans zijn er verscheidene andere mogelijkheden. De meest gebruikte in- en uitvoerapparaten zijn waarschijnlijk de zogenoemde beeldschermterminals. Deze lijken op televisietoestellen waaraan het toetsenbord van een schrijfmachine is gekoppeld. De gebruiker typt informatie in, die op het scherm verschijnt en door de computer kan worden gelezen. De computer antwoordt dan door op hetzelfde scherm informatie te verschaffen die door de gebruiker kan worden gelezen. Door middel van dit soort van terminal ontstaat er een wisselwerking in de communicatie tussen gebruiker en computer, dat wil zeggen er ontstaat zo iets als een dialoog. En bovendien hoeven deze terminals zich niet bij de computerinstallatie te bevinden. Ze kunnen aan het andere einde van een telefoonlijn of satellietverbinding in een kantoor, een laboratorium, een klaslokaal of een huis op een afstand van honderden, zelfs duizenden kilometers staan.
Ontwikkelingen in computer-„software”
Er hebben zich ook veelbetekenende ontwikkelingen voorgedaan in de computer-„software” of de programma’s die besturen wat de computer doet. Als u in het verleden een computer voor u wilde laten werken, was het noodzakelijk uw verzoek in computertaal te coderen. Dit „programmeren” is een ingewikkelde zaak en vergt heel wat tijd en inspanning. De programmeur moest een gedetailleerde kennis van de bouw van een computer bezitten. Daarom zijn computers traditiegetrouw het exclusieve domein geweest van de beroepsprogrammeurs. Maar dit is thans niet meer het geval. De laatste tien jaar zijn er besturingsprogramma’s of „operating systems” ontwikkeld die de computer „besturen” en hem bruikbaarder maken. Deze programma’s maken het de gebruikers mogelijk rechtstreeks in menselijke taal aan de computer over te brengen wat er moet gebeuren. Doktoren, geleerden, schooljongens, leraren, huisvrouwen — ja, personen zonder enige kennis van de werking van een computer — kunnen opdrachten laten uitvoeren door het gebruik van eenvoudige, op Engels gelijkende instructies. Bovendien „verdelen” besturingsprogramma’s de tijd, dat wil zeggen dat ze vele gebruikers in staat stellen computertijd met elkaar te delen, zodat de enorme capaciteit gebruikt kan worden om vele personen tegelijk te bedienen.
Dan is er het probleem geweldige hoeveelheden informatie op een bruikbare manier te bewaren. Als u ooit hebt nagedacht over de taak van de bibliothecarissen die voor een grote bibliotheek moeten zorgen, zult u begrijpen dat het opbergen van grote hoeveelheden informatie zeer zorgvuldige organisatie vereist. Computers hebben besturingsprogramma’s die dienst doen als bibliothecaris en gegevens, data, organiseren in een zogenaamde „data base”. Deze bestanden zijn zo gerangschikt dat afzonderlijke gegevens in fracties van een seconde kunnen worden teruggehaald. Dit betekent dat gebruikers bijna onmiddellijk toegang hebben tot grote hoeveelheden informatie.
Nog een erg belangrijke ontwikkeling in de programma’s staat in verband met computercommunicatie via telefoonlijnen. In de afgelopen jaren zijn de telefoonnetten gebruikt om in code informatie tussen terminals en computers te transporteren. Vanwege de groei van dit soort van activiteit werken telefoonmaatschappijen op internationale schaal samen om netten te ontwikkelen die uitsluitend computerinformatie zullen overbrengen. In tegenstelling tot de openbare telefoonnetten zullen deze „datanetten” de mogelijkheid bieden tot een gelijktijdige conversatie tussen verscheidene machines.
Zou u zich de taak van een telefoniste in een dergelijk netwerk kunnen voorstellen? Deze essentiële functie wordt echter niet door een telefoniste vervuld. Er zijn programma’s ontwikkeld die computers in staat stellen gelijktijdig inlichtingen uit te wisselen met terminals en andere computers. Door deze netwerken te gebruiken kunnen computers het werk dat gedaan moet worden, verdelen. Dit wordt „distributed processing” (gedistribueerde verwerking) genoemd. Bijvoorbeeld één computer met een grote verzameling medische gegevens zou alle medische vragen die het netwerk binnenkomen, kunnen behandelen.
Terwijl de vooruitgang in de apparatuur de computer tot meer verrichtingen in staat heeft gesteld, heeft de vooruitgang in de programma’s hem gemakkelijker te gebruiken gemaakt. Aangezien computers nu bruikbaarder zijn dan in vroeger jaren, zijn fabrikanten voor het eerst in staat geweest computers voor persoonlijk gebruik aan te bieden.
Gebruik en misbruik
In het licht van al deze ontwikkelingen is het begrijpelijk dat het gebruik van computers dagelijks toeneemt. Grote organisaties gebruiken ze voor allerlei toepassingen — administratie en boekhouding, opbergen en terugvinden van informatie, opleiding — de lijst is bijna eindeloos. Bij dergelijke toepassingen op grote schaal strekken netwerken voor gedistribueerde verwerking zich vaak over de hele organisatie uit, waardoor de computerfaciliteiten tot bij de bureaus van de directeuren, de ingenieurs en de studenten worden gebracht.
Een goed voorbeeld treft men in het bankwezen aan. Een plaatselijk kantoor kan via een terminal toegang hebben tot een computer die de details van iemands rekening bevat. Deze computer kan op zich weer deel uitmaken van een distribuerend netwerk dat het hele land beslaat en het de kolossale bankinstellingen mogelijk maakt hun zaken op een ordelijke manier te behartigen.
Ook enkele grote warenhuizen en supermarkten gebruiken kasregisters die verbonden zijn met minicomputers die elk twee of drie plaatselijke filialen kunnen verzorgen. Deze computers maken zelf deel uit van netwerken door het hele land die hele ketens van winkels met elkaar verbinden.
Denkt u zich eens in! Als de netten van het bankwezen en de detailhandel met elkaar verbonden werden, zou iemand inkopen kunnen doen, en zou zijn bankrekening kunnen worden gecontroleerd en gedebiteerd, zonder dat hij geld of kredietkaarten hoeft te gebruiken. Zou verder iemands huis met hetzelfde netwerk verbonden zijn, dan zou het zelfs niet nodig zijn de winkel te bezoeken. De persoon zou zijn inkopen uit een catalogus kunnen uitkiezen, zijn bestelling kunnen doorgeven en de artikelen kunnen betalen, allemaal via het computernet. Dit zijn zeer reële mogelijkheden.
Men schat dat er in de jaren tachtig elk jaar 13 miljoen wetenschappelijke geschriften zullen worden geproduceerd — evenveel als de totale voorraad die zich heeft opgehoopt sinds het wetenschappelijk schrijven een aanvang nam. Zonder computers om zulke enorme hoeveelheden informatie te hanteren, zouden geleerden, ingenieurs en technologen hun vak niet meer kunnen uitoefenen.
Computers zijn ook op het terrein van het onderwijs werkzaam. Grote organisaties gebruiken ze voor de opleiding van personeel, en dezelfde technieken kunnen op scholen en universiteiten worden gebruikt. Door een computer als leraar te gebruiken, is het probleem van ongeduld opgelost en kan de student zijn eigen leertempo bepalen.
De afgelopen drie jaar hebben ook een reusachtige groei in de verkoop van minicomputers te zien gegeven. Deze zijn vaak niet groter dan een kantoorbureau, maar ze brengen indrukwekkende computerfaciliteiten binnen het bereik van de kleine gebruiker. Ze kunnen voor dezelfde soort taken worden ingezet als hun kolossale neven. Hun geheugencapaciteit en mogelijkheid vele gebruikers van dienst te zijn, liggen natuurlijk niet op hetzelfde niveau.
Evenals in het geval van andere uitvindingen is de computerontwikkeling vergezeld gegaan van problemen. Zo ontstaat er bijvoorbeeld een nieuw soort misdadiger. Er zijn reeds meer dan 500 misdaden geregistreerd die met de hulp van een computer zijn gepleegd. Dit soort van criminele activiteit kost Amerikaanse zakenmensen tegenwoordig 300 miljoen dollar per jaar.
Dan is er de kwestie van privacy. Wij beleven wat wordt aangeduid als een „informatie-explosie” en al deze informatie wordt in computers gestopt; het kan niet anders want het is veel te veel om door mensen te kunnen worden gehanteerd. Veel van deze informatie is echter vertrouwelijk, en er heerst bezorgdheid dat ze in verkeerde handen kan komen en voor doeleinden kan worden gebruikt die niet de beste belangen van de maatschappij dienen. Er is wel eens gezegd dat ’hij die de informatie beheerst, de macht heeft’, en velen maken zich zorgen over dit aspect van een door computers beheerste wereld.
Men is ook bezorgd over de sociale gevolgen van deze ontwikkeling. Sommigen zijn van mening dat de ingenieurs en geleerden die deze technologieën ontwikkelen, vaak helemaal in beslag worden genomen door de technische aspecten van hun werk en zich niet voldoende bekommeren om de sociale gevolgen. Een andere zorg is dat de computer- en communicatie-industrieën meer aandacht hebben voor winstmarges dan voor de uitwerking die hun diensten op de maatschappij kunnen hebben. Deze ontwikkelingen, zo beweert men, zouden ons wel eens tot over onze oren kunnen bedelven onder informatie die wij heel goed zouden kunnen missen.
En wat valt er over de toekomst te zeggen? Uit wat wij hier hebben beschouwd, blijkt duidelijk dat alle factoren aanwezig zijn dat het werken met computers net zo’n algemene voorziening zal worden als elektriciteit, gas of telefoon. Nu reeds is de technologie aanwezig om elk kantoor of huis een aansluiting te geven op een enorm internationaal computernet dat onderwijs, informatie en allerlei verdere diensten zal verschaffen. Eén autoriteit voorspelt dat tegen 1985 70 percent van de beroepsbevolking in de Verenigde Staten computers zal gebruiken. En bovendien voorspellen deskundigen op het gebied van computers en communicatie dat de revolutionaire vooruitgang van de laatste 25 jaar zich zal voortzetten. Een door computers beheerste wereld is daarom helemaal niet fictief. Maar zal dat wenselijk zijn? Alleen de toekomst zal het leren.
[Illustratie op blz. 23]
Bankzaken verlopen eenvoudiger door gebruik van computers