Kruiswoordpuzzel
Horizontaal
3. Hij verloor zijn leven omdat zijn vader Jericho herbouwde (1 Koningen 16:34)
5. Als dit lekt, is een gestadige regen ronduit een ramp (Spreuken 27:15)
7. Een landbouwgewas; het minst waardevolle van de twee (Joël 1:11; vergelijk Openbaring 6:6)
8. Voorwerp waaruit werd gedronken (Genesis 44:12)
9. Wee voor wie dit zo maar toesluit (Spreuken 21:13)
10. Een Jaïriet, priester van David, hetgeen in zijn geval misschien staatsdienaar heeft betekend (2 Samuël 20:26; vergelijk 2 Samuël 8:18 en 1 Kronieken 18:17)
11. Niet aan de ander toebehorend (Matthéüs 7:3)
12. Tijdens Salomo’s regering werd dit om de paar jaar in grote hoeveelheden aangevoerd (2 Kronieken 9:21)
14. Jong, dun takje (Jesaja 11:1)
17. Plaats in het uiterste noorden van Israël (Rechters 20:1)
19. Lastdier (Exodus 23:5)
21. Heeft zíj wellicht Paulus’ brief naar Rome gebracht? (Romeinen 16:1)
23. Hoewel deze verbrand werd, ging de inhoud nog niet verloren (Jeremia 36:28)
24. Zoon van Jafeth; zijn vervolgens zijn afstammelingen in de meest afgelegen streken van het noorden terechtgekomen? (Genesis 10:2; Ezechiël 38:2; 39:1, 2)
27. Reis over zee (Handelingen 27:10)
30. Hij legert zich rondom degenen die Jehovah vrezen (Psalm 34:7)
32. Meubel om op te rusten, maar niet om dan kwaad te liggen uitbroeden (Micha 2:1)
33. Offerdier (Johannes 1:29)
34. Hij leert zijn jongen vliegen, en draagt ze op de wieken (Deuteronomium 32:11)
35. Het was was, want dit doet was (Psalm 68:2)
36. Het teken waarmee zijn verrader hem identificeerde (Lukas 22:48)
37. Ze komt hem toe, in eeuwigheid (Openbaring 1:6)
Verticaal
1. Geluid van een stad in rep en roer (1 Koningen 1:45)
2. Zoon van Saul; medeverantwoordelijk voor wat de Gibeonieten was aangedaan? (2 Samuël 21:1, 8)
3. Onbeweeglijk (Leviticus 26:32)
4. Hem vergaf de koning van Egypte zijn vergrijp niet (Genesis 40:1)
5. Hij vaardigde een bevel uit dat men de herbouw van Jeruzalems tempel moest ondersteunen (Ezra 6:12)
6. De plaats waar Nathanaël vandaan kwam (Johannes 21:2)
7. De tweede zei nee, kreeg spijt en . . . toch (Matthéüs 21:30)
8. Handwerk, waaraan goed verdiend werd (Handelingen 19:25)
13. Ook hieraan kan Gods zegen te zien zijn (Psalm 107:38)
15. Na een tijdlang gebruikt te zijn, wordt het weer gescherpt (Spreuken 27:17)
16. De vrouw in wier hand Jehovah Sísera verkocht (Rechters 4:9, 17)
17. Om haar zouden later Simeon en Levi de banvloek over hun vader brengen (Genesis 30:21; 34:30)
18. De berg waarop Mozes gestorven is (Deuteronomium 32:49)
20. En zulk water verachtten zij! (Jeremia 2:13)
22. Het is alleen maar passend elkaar dit te betonen (Romeinen 12:10)
25. Uiting van verheuging (Psalm 30:11)
26. Iets wat eerst verborgen was (Efeziërs 3:3)
28. Voor David een gebouw om met waardering te bezien (Psalm 27:4)
29. Een stad die, naar men aanneemt, niet ver van Hesbon lag (Numeri 32:37)
31. Offerdier (Leviticus 3:12)
32. De gevangenbewaarder sloot hun voeten erin (Handelingen 16:24)
33. Werp die op Jehóvah, raadt ons de psalmist (Psalm 55:22)
OPLOSSING OP BLZ. 18
Oplossing horizontaal
3. SEGUB
5. DAK
7. GERST
8. BEKER
9. OOR
10. IRA
11. EIGEN
12. IVOOR
14. RIJSJE
17. DAN
19. EZEL
21. FEBE
23. ROL
24. MAGOG
27. VAART
30. ENGEL
32. BED
33. LAM
34. AREND
35. SMELT
36. KUS
37. MACHT
Oplossing verticaal
1. RUMOER
2. ARMONI
3. STAR
4. BAKKER
5. DARÍUS
6. KANA
7. GING
8. BEDRIJF
13. VEE
15. IJZER
16. JAËL
17. DINA
18. NEBO
20. LEVEND
22. EER
25. GEDANS
26. GEHEIM
28. TEMPEL
29. ELEALE
31. GEIT
32. BLOK
33. LAST