Kruiswoordpuzzel
Horizontaal
2. Periode van licht (1 Thessalonicenzen 5:5)
4. Bezitting (Psalm 2:8)
7. Onreine geïnspireerde uitingen, als kikvorsen, liet de draak eruit komen (Openbaring 16:13)
9. Als met het Beth-Semes (letterlijk: „Huis der zon”) van Jeremia 43:13 de „Zonnestad” Heliopolis wordt bedoeld, dan is dat dezelfde stad waar al in Jozefs dagen de zonnegod Ra vereerd werd (Genesis 41:45)
10. Van een beer heeft dit dier dan niets te duchten (Jesaja 11:7)
11. Een zoon was een overste van Juda, een dochter getrouwd met Aäron (Numeri 1:7; Exodus 6:23)
13. Kenmerk dat aanvankelijk scheiding bracht (Handelingen 10:28)
14. Een christen in Rome van wie Paulus de groeten overbracht aan Timótheüs (2 Timótheüs 4:21)
17. Wanneer ’al wat u doet, zal gelukken’ (Jozua 1:8)
19. Het was een bijl die hij te . . . had en die hij dus moest teruggeven (2 Koningen 6:5)
21. Ook een graf bijvoorbeeld kon men ermee wit maken (Deuteronomium 27:2)
23. Daden, handelwijze (Kolossenzen 3:9)
24. Door zijn handelingen identificeert hij zich (Spreuken 20:11)
27. Twee van Davids sterke mannen heetten zo (2 Samuël 23:24-39)
28. Mits gij blijft in het geloof en u niet laat . . . van uw hoop (Kolossenzen 1:23)
32. Een wagenwiel als beeld voor harde maatregelen die ’het kaf van het koren scheiden’ (Spreuken 20:26)
33. In die tijd een wereldhandelscentrum met een grote kosmopolitische bevolking (Genesis 15:7)
34. Geestelijk volwassen (1 Korinthiërs 2:6)
35. Steunen (1 Samuël 2:8)
36. Een rivier die bloed werd (Exodus 7:17)
Verticaal
1. Een van Davids vrouwen, die hem een zoon baarde tijdens zijn regeringsperiode in Hebron (2 Samuël 3:4)
2. Personen die wat dóen met wat zij horen (Jakobus 1:22)
3. Gereinigd (Openbaring 7:14)
4. Stad in de nabijheid van Bethlehem; „vader” zou namelijk „stichter” kunnen betekenen (1 Kronieken 4:3; vergelijk 2 Kronieken 11:6)
5. Een van de dochters in het huisgezin waarmee Jakob naar Egypte kwam (Genesis 46:7, 15)
6. Priester die tijdens Nehemía’s stadhouderschap inzicht gaf in de woorden van de Wet (Nehemía 8:9, 13)
8. Wat deze mannen van Galiléa stonden te doen (Handelingen 1:11)
9. Hierop zinnen zij in hun hart (Psalm 5:9)
12. Babylons vernederde god (Jesaja 46:1)
15. Kostbaar materiaal waarmee de boeg van Tyrus’ schepen was ingelegd (Ezechiël 27:6)
16. Een van de mannen die hun buitenlandse vrouw wegzonden (Ezra 10:34)
18. De Alfa en de . . ., een titel waarmee Jehovah zich aanduidt (Openbaring 21:6)
20. Opvolgster van Vasthi
21. Zij van 20 werd dit
22. ’Jehovah is mijn helper. Wat . . . een mens mij doen?’ (Hebreeën 13:6)
23. Zij was een collega van Sifra (Exodus 1:15)
24. Op deze berg hielp Elia het volk om niet langer op twee verschillende gedachten te hinken (1 Koningen 18:19)
25. Er is geen . . . fundament dan Jezus Christus (1 Korinthiërs 3:11)
26. Ogenblikkelijk (Jakobus 1:24)
29. Gegeven waaruit een conclusie getrokken kan worden (1 Johannes 2:18)
30. Afwezigheid van werk; kwam ook dieren ten goede (Exodus 23:12)
31. „. . . rampspoed zal u treffen” (Psalm 91:10)
OPLOSSING OP BLZ. 22
Oplossing horizontaal
2. DAG
4. ERFDEEL
7. BEK
9. ON
10. KOE
11. AMMINADAB
13. RAS
14. LINUS
17. SUCCESVOL
19. LEEN
21. KALK
23. PRAKTIJKEN
24. KNAAP
27. IRA
28. AFBRENGEN
32. RAD
33. UR
34. RIJP
35. STUTTEN
36. NIJL
Oplossing verticaal
1. ABITAL
2. DADERS
3. GEWASSEN
4. ETAM
5. DINA
6. EZRA
8. KIJKEN
9. ONHEIL
12. BEL
15. IVOOR
16. UËL
18. OMEGA
20. ESTHER
21. KONINGIN
22. KAN
23. PUA
24. KARMEL
25. ANDER
26. PROMPT
29. FEIT
30. RUST
31. GEEN