Congres over godsdienstvrijheid ’laat een vervelende nasmaak achter’
Door Ontwaakt!-correspondent in Nederland
VORIG jaar was Amsterdam de plaats van een uniek gebeuren, toen daar van 21 tot 23 maart in het Hilton-hotel het Eerste Wereldcongres over Godsdienstvrijheid werd gehouden.
Wat de doeleinden betreft van dit congres, de begunstigers verklaarden officieel dat het werd gehouden: (1) om ervoor te zorgen dat de Internationale Vereniging ter Bevordering van de Godsdienstvrijheid (IRLA) tot een levensvatbaar instrument werd gemaakt om overal ter wereld de ’godsdienstvrijheid te bevorderen’ (2) om via de massamedia deze IRLA onder de aandacht van de wereldleiders te brengen, (3) om een internationale onderscheiding te geven aan staatslieden die in hun land godsdienstvrijheid hebben bevorderd, en (4) om een vredig forum te verschaffen voor een uitwisseling van zienswijzen omtrent de kwestie van godsdienstvrijheid.
„Een congres van vrijblijvendheid”
De officiële ondersteuners van het congres stelden met klem dat het de bedoeling was „stille diplomatie” te beoefenen en ’niet om aantasting van religieuze vrijheid bloot te leggen en te veroordelen’. In het algemeen prezen de sprekers hun respectieve landen voor de grote stappen die ze reeds hadden genomen in de richting van religieuze vrijheid en verbloemden ze de gevallen waarbij die vrijheid beknot was.
Bepaalde toespraken bevatten enkele zeer goede verklaringen. Eén afgevaardigde merkte bijvoorbeeld op hoe na de protestantse hervorming de regeerders overeenkomsten hadden opgesteld om de belangen van grote religieuze groepen te beveiligen, maar dat kleinere groepen en afzonderlijke personen het over het algemeen zonder die bescherming en vrijheid hadden moeten stellen. Veel vrijheden, zo stelde hij, waren slechts aan de grote religieuze organisaties verleend.
En in verband met de onthouding van religieuze vrijheid op bepaalde plaatsen, merkte deze spreker op dat religie in verband met de kolonisatie een slechte naam had gekregen. De officiële reden waarom kolonies werden opgericht, was om beschaving (en godsdienst) naar achtergebleven volken te brengen. Het bleek in de praktijk echter al snel dat de werkelijke redenen van politieke en economische aard waren.
Hoe het echter ook zij, de totale uitwerking van de bijeenkomst was teleurstellend te noemen. Er werden zelfs argumenten aangevoerd om vrijheid van aanbidding onder bepaalde omstandigheden te beknotten. De vertegenwoordiger van de Islam beweerde bijvoorbeeld dat wanneer mensen honger en dorst lijden, en gebukt gaan onder ongunstige sociale omstandigheden, zij niet in staat zijn om helder te denken en in geloofszaken juiste beslissingen te nemen. Volgens de mening van deze afgevaardigde zouden Moslims pas na het rechtzetten van zulke onrechtvaardige omstandigheden aan de invloed van buitenlandse godsdiensten mogen worden blootgesteld. Tot dan, zo verklaarde hij, zou het wellicht verstandig zijn om religieuze vrijheid in te perken.
De afgevaardigden op deze bijeenkomst drongen herhaaldelijk aan op vertrouwen in de Verenigde Naties als een instrument om vrijheid van aanbidding te garanderen. Velen spraken er hun bezorgdheid over uit dat in de Verenigde Naties nog geen verklaring tegen religieuze discriminatie was aangenomen.a Met betrekking tot de algehele sfeer van dit congres schreef een waarnemer:
„Men proefde niet de geest van ernst, de geest dat het hier ging om een grimmige realiteit, om de vertreding van vrijheid van godsdienst en meningsuiting, waar een groot deel van de mensheid onder gebukt gaat. In plaats daarvan leek het meer op een gezellige bijeenkomst van oude kameraden, er werden handjes geschud, schouders beklopt en zeer welwillende glimlachen rondgestrooid. In elk geval weerspiegelde deze sfeer wel zeer goed de bedoeling en het doel van dit congres.
Het was een congres van vrijblijvendheid. Men was erg voorzichtig om elkaar niet op de tenen te trappen, Of zoals een staffunctionaris tijdens de pauze opmerkte: ’Wanneer je naar al die geweldige toespraken luistert, krijg je de indruk dat er wat religieuze vrijheid betreft nergens ter wereld wat aan de hand is. Natuurlijk is er wel wat aan de hand. Heel veel zelfs. Maar ik denk dat wanneer de sprekers zich aan de feiten zouden houden, zij na hun thuiskomst zwaar in de moeilijkheden zouden raken.’”
Een commissie luistert naar Jehovah’s Getuigen
Er werd een regeling getroffen dat twee vertegenwoordigers van Jehovah’s Getuigen ten overstaan van een speciale commissie over de vervolging van Jehovah’s Getuigen in Malawi en andere landen zouden spreken. De commissieleden luisterden zeer aandachtig en beleefd en toonden oprechte belangstelling voor de aangelegenheid.
Later, in persoonlijke gesprekken, uitten zij hun waardering over hetgeen er met betrekking tot het lot van Jehovah’s Getuigen was gezegd. Zij gaven toe dat ze weliswaar op de hoogte waren geweest van zulke vervolgingen maar er in feite geen idee van hadden gehad hoe ernstig de situatie wel was. De afzonderlijke leden van deze commissie gaven de indruk oprecht iets ten behoeve van de slachtoffers te willen doen.
„Muisstil”
Op de laatste dag vaardigde het congres een resolutie uit. Dit was oorspronkelijk niet de bedoeling. Maar na de voorgaande avond ’diverse klachten’ over religieuze onverdraagzaamheid en vervolging te hebben gehoord, had het congres het passend geoordeeld een verklaring op te stellen. In de congreszaal werd echter niets in het openbaar gezegd over de onmenselijke behandeling van christenen in Malawi of andere delen van de wereld. In overeenstemming met de geest van „stille diplomatie” en de bedoeling om op geen enkele manier ’aantasting van religieuze vrijheid bloot te leggen en te veroordelen’ bleef de resolutie vaag en weinigzeggend.
De afgevaardigden besloten onder meer om (1) de organisaties die dit congres hadden begunstigd, te verzoeken een commissie in het leven te roepen die de situatie van religieuze vrijheid overal ter wereld zou moeten observeren, (2) de aandacht van alle regeringen te vestigen op het fundamentele menselijke recht van religieuze vrijheid, en (3) er bij regeringen op aan te dringen de Verenigde Naties onder druk te zetten om een verklaring tegen religieuze discriminatie aan te nemen.
In de Nederlandse nieuwsmedia ontving het Eerste Wereldcongres over Godsdienstvrijheid nauwelijks enige aandacht. Er was een kort bericht in de radionieuwsdienst. En op de televisie gaf Dr. Philip Potter, de secretaris-generaal van de Wereldraad van Kerken, enig commentaar op de bijeenkomst. Kranten schreven er nauwelijks over. Eén artikel dat melding verdient — „Muizen in het Hilton hotel” in het Amsterdamse Nieuws van de dag — gaf tot slot de volgende samenvatting:
„Na dit gebeuren in Amsterdam blijft de vervelende nasmaak hangen, dat men veel te bang is zich aan koud water te branden. Horen, zien en zwijgen. Naar buiten toe muisstil in het Hilton. We kunnen misschien hopen dat die driehonderd muizen zich snel vermenigvuldigen, zoals het muizen betaamt. Maar omdat we daar niet op mogen rekenen, hadden er best wat hardere geluiden uit mogen komen.”
[Voetnoten]
a Zie de artikelen: „Is de V.N. eropuit de religie te beknotten?” en: „Hoe twee V.N.-resoluties een verrassende wending ondergingen” in de Ontwaakt! van 8 februari 1977, blz. 3-6.