Met de trein door China naar Europa
Zoals verteld aan Ontwaakt!-correspondent op de Filippijnen
HET was een zonnige, vochtig warme ochtend toen we op het station van Hong Kong op de trein stapten, bewapend met camera’s, woordenboeken, kaarten en Chinese visums. Tassen en verdere bagage waren snel afgegeven en met alle andere buitenlanders werden we langs drommen Chinezen naar een wachtende trein gevoerd. De volgende drie uur waren gevuld met gespannen afwachten in een trein die langzaam door heuvels en boerendorpen in de richting van de Chinese grens koerste.
Wat zochten wij, een Amerikaans zendelingenechtpaar uit de Filippijnen, daar in die trein op weg naar het hartje van China? Wel, we hadden ons al zo lang afgevraagd hoe de Chinese bevolking op het uitgestrekte Aziatische continent zou leven, dat we, toen we met vakantie naar Amerika zouden gaan, besloten het eerste deel van onze reis per trein af te leggen en Azië door te steken.
China in
Ten slotte arriveerden we bij de grensplaats Sjoem-tsjoen, met slechts een vage voorstelling van wat ons te wachten stond. Na onze bagage uit de trein te hebben gehaald, liepen we een houten brug over, welke de grens met China vormde. Om ons heen repten zich vele Chinezen en enkele buitenlanders over de brug; allemaal worstelend met tassen, dozen en bundels. De Chinese beambten ontvingen ons hoffelijk, hielpen ons bij alle douaneformaliteiten, gaven ons ons eerste Chinese maal en zetten ons toen op de trein naar Canton. Tijdens de rit naar Canton — twee uur in een air-conditioned coupé, behaaglijk weggedoken in de kussens en met een handbeschilderd kopje warme thee in de hand — kregen we echt het idee geëerde gasten te zijn.
Toen we in Canton uit de trein stapten, werden we beleefd verwelkomd door Chan, een jongeman die ons er herhaaldelijk aan herinnerde dat het „zijn plicht was om de mensen te dienen”. Hij was onze „verantwoordelijke man”, die ons als privé-gids, tolk en bewaker was toegewezen. Chan ontfermde zich snel over ons en onze bagage en begeleidde ons naar een wachtende auto voor een toeristische tocht van enkele uren door de stad. „Deze auto is van de regering”, zo verklaarde Chan. „In China zijn er geen privé-auto’s, want dat zou de lucht te veel vervuilen.”
Al toeterend vervolgden we onze weg door de drukbevolkte straten en wrongen ons door allerlei menigten van de ene toeristische attractie naar de andere. Een uitzichtpunt met een panoramagezicht over de stad, een orchideeëntuin, openbare parken — alles moesten we zien. Vragen werden geduldig en beleefd beantwoord. En ondanks onze grote vermoeidheid kon een geplande maaltijd in een restaurant niet meer worden afgezegd. Ten slotte begeleidde Chan ons naar het station en zette ons op de trein naar Peking.
Met de trein door China
Zo vertrok om tien over half negen ’s avonds uit Canton een trein met twee uitgeputte Amerikaanse passagiers erin; wat een verademing even verlost te zijn van de constant aanwezige bewakers, gidsen en tolken. Onze coupé was ontworpen voor vier personen, bezat comfortabele ligplaatsen en had bij het raam zelfs een kleine tafel met een kanten tafelkleedje waarop een plantje stond. We kregen twee Chinese theekopjes, diverse theezakjes en een grote, vrolijk beschilderde thermosfles met kokend heet water. We laafden ons, en stapten ten slotte met tollende hoofden van alle indrukken en ervaringen van die dag in bed. Onze eerste nacht in China. Langzaam werden we in slaap gewiegd door het geschommel van de trein die ons steeds dieper een onbekend land in voerde.
24 augustus 1976: Vóór het aanbreken van de dag waren we al wakker, vol verlangen om onze nieuwe omgeving te verkennen. We waren vroeg, dachten we, maar toen we de deur opendeden, merkten we tot onze verbazing dat we de laatsten waren in een lange rij passagiers die zich in de richting van de restauratiewagen begaven. Al onze reisgezellen waren mannen, voor het merendeel gekleed in de overhemden en slobberbroeken die in China bijna tot een nationaal uniform zijn geworden. Sommigen glimlachten en mompelden een vriendelijke groet, anderen keken, wanneer we hen naderden, zelfbewust een ander kant uit.
In de restauratiewagen schoof een zware, vriendelijke man — die de gecombineerde rol van chef, kelner en loopjongen vervulde — ons naar onze zitplaatsen. Veel passagiers waren reeds luidruchtig hun noedelsoep aan het slurpen. Terwijl we nog luisterden naar het getik van de stokjes op de borden, kwam de ober al weer uit de keuken gesneld. Met een brede glimlach en duidelijk trots op zijn prestatie serveerde hij ons koffie, toast, jam en boter. Niets had ons aangenamer kunnen verrassen.
Buiten golfden de groene heuvels van de provincie Hunan aan ons voorbij. De huizen waren van leem en hadden rieten of pannen daken. Kleine dorpjes lagen verspreid over het land, dat er goed verzorgd bij lag — weelderig groen met mooie rijstvelden. De mensen waren druk doende op de velden en op de wegen. Om de twee uur stopte de trein om passagiers in en uit te laten stappen. De plaatsen waar we stopten, waren klein en afgelegen; boeren en dorpelingen droegen hun schamele bezittingen gewikkeld in katoenen bundels. De kleuters waren op moeders rug gebonden of dribbelden achter de groten aan, in hele kleine broekjes waarvan de naad van het kruis niet was dichtgenaaid — kennelijk met het oog op noodgevallen!
De meeste stations waren voorzien van een grote metalen waterbak met pollepel, bestemd voor dorstige reizigers. Langzamerhand bemerkten we dat de trein steeds meer gevuld raakte met vrouwen en kinderen. Vrolijke geluiden — gelach en luide conversatie — echoden door de trein.
Tegen de middag hadden we de brede rivier de Jang-tse-tjiang al weer achter ons. De temperatuur daalde snel naarmate we de tropen meer en meer achter ons lieten. De mensen gingen gekleed in warmere kleding, de baby’s waren goed ingepakt, en ’s nachts gebruikten ook wij dikke, wollen dekens. Dit was nu een uitgelezen avond voor warme thee, maar onze voorraad was uitgeput. Daarom raadpleegde ik het woordenboek en las dat het Chinese woord voor thee cha luidde, hetzelfde als in het Filippijns. Vol vertrouwen vroeg ik de kelner om meer cha. Met een stralende lach knikte hij dat hij het begrepen had en haastte zich met gezwinde spoed naar zijn voorraadkamer, om enkele ogenblikken later met een verse voorraad zeep en toiletpapier terug te keren! Die avond gingen we zonder thee naar bed.
25 augustus: Om 5 uur ’s ochtends kropen we uit bed en kleedden ons op ons gemak aan. En net toen de zon over de kam van de bergen gluurde, reden we de buitenwijken van Peking binnen. Op de straat waren enkele vroege voorbijgangers al bezig met hun ochtendactiviteiten. Van regeringswege wordt lichamelijke fitheid erg gepropageerd, zodat men op de straten en in de parken zowel jong als oud bezig kon zien aan de ochtendgymnastiek, met oosterse, Kung-Fu-achtige bewegingen.
Toeristen in Peking
Precies om 18 minuten over 6 in de ochtend kwam onze trein in het station van Peking tot stilstand. We verlieten de voor ons nu bekende ruimte van de trein en begaven ons door reusachtige stationshallen op weg naar een onbekende bestemming. Buiten was een grote open ruimte waar groepen mensen rondliepen of geduldig met hun bezittingen op de grond zaten te wachten. Onze „verantwoordelijke man” was opvallend afwezig. Later vernamen we dat hij was ingeschakeld bij de werkzaamheden voor het herstel van de aardbevingsschade. Wij zouden op dat moment zelfs blij zijn geweest met een „onverantwoordelijke man” als die ons maar de weg naar ons hotel had kunnen wijzen.
Na twee uur met onze bagage door de straten van Peking te hebben gezeuld wisten we het Amerikaanse Verbindingskantoor op te sporen, vanwaar we contact opnamen met het Chinese Reisbureau. Dat putte zich uit in allerlei verontschuldigingen, want wat bleek? Onze trein door Mantsjoerije naar Moskou was uit de dienstregeling genomen omdat de spoorlijn door de aardbeving was vernield. De enige andere trein — door Mongolië — zou de volgende week pas vertrekken. Aangezien dat betekende dat we zeven dagen in Peking zouden verblijven, in plaats van de twee die we gepland hadden, was men zo attent voor een veel goedkoper hotel te zorgen. Het Hsin Tsjiao Hotel bleek een zeer lieflijk, oud gebouw met erg veel gemakken, ondanks het feit dat de lobby en de gangen vol stonden met cementzakken en bamboe-steigers — nog herinneringen aan de aardbeving die er pas was geweest.
Elke dag liepen we urenlang door Peking. Eerst keken de mensen verbaasd wanneer ze ons zagen, dan werden ze nieuwsgierig en soms ook wat bang, maar een glimlach lokte toch meestal een tegenglimlach uit. En een beproefde methode om terughoudendheid te overwinnen, bleek ook het bewonderen van een baby. Dan raakten de ouders onmiddellijk enthousiast, begonnen breed te glimlachen en gaven ons vaak het kind in de armen om het vast te houden. Op de dag dat we aankwamen, voerde onze eerste wandeling ons naar het Tien-an-men-plein — een immens groot plein, omgeven door vier grote hallen, waar van alle kanten een meer dan levensgroot portret van Mau Tse-toeng op ons neerkeek. We waren weliswaar de enige buitenlanders in de menigte, maar zeker niet de enige toeristen. Groepen schoolkinderen, gezinnen die hand in hand liepen, soldaten in groene uniformen met een rode ster op de kraag — dat waren allemaal bezoekers die nu eindelijk waren op de plaats waar zij reeds zoveel over hadden gehoord. Velen lieten dit gedenkwaardige moment vastleggen door een fotograaf die zwart-witfoto’s nam, terwijl ze waardig en zonder te glimlachen bij een beroemd gedenkteken poseerden.
26-31 augustus: Onze week in Peking was een wervelwind van activiteiten. Behalve rondkijken, moesten we ons ook nog van de serieuze taak zien te kwijten om voor Mongolië, Rusland, Polen en Oost-Duitsland visums te krijgen. En zo begon een lange reeks van tochten van de ene naar de andere ambassade — van de grote Russische vertegenwoordiger van Intourist naar de slaperige Mongoolse functionaris, die we telkens wanneer we binnenkwamen, in zijn dutje stoorden. Ten slotte werd ons geduld beloond en hadden we al onze visums op zak. Een ’feestmaal’ ter viering van dit feit was nu wel op zijn plaats.
We kozen een klein restaurant gespecialiseerd in Peking-eend. Binnen was het een drukte van belang. In gezellige wanorde zaten families en vrienden geschikt rond grote, ronde tafels, beladen met rijst, bier, limonade en schotels met vlees en groenten. Onder alle nieuwsgierige en ongelovige blikken laveerden we ons moedig naar de enige lege tafel die er nog over was. Het geroezemoes verstomde en er viel een doodse stilte. Diensters vlogen af en aan, verzamelden alle tafelschermen die ze konden bemachtigen en omgaven er onze gehele tafel mee. Nog steeds heerste er een diepe stilte. En zo wachtten wij binnen onze omheining tot er een nerveuze dienster kwam opdagen, met pen en bloknoot in de hand. Er was geen menu en we hadden geen idee van wat we bestelden, maar ze schreef iets op haar bloknoot en vertrok, kennelijk volledig tevreden gesteld. De klok tikte onverbiddelijk voort en wat er ook verscheen, geen maaltijd. De diensters hielden zich vlijtig elders bezig, niet goed wetend wat ze met hun „vreemde” gasten aan moesten. Verslagen wenkten we naar een dienster in de buurt dat we vertrokken. Haar gezicht straalde en ze begeleidde ons te zamen met het andere restaurantpersoneel naar de deur, waar men ons glimlachend uitwuifde. Wie wil er nog Peking-eend?
Als toerist door Peking dwalen bleek een waar genoegen. Ons voornaamste middel van vervoer was de bus. Aan de conductrices lieten we altijd eerst een papiertje lezen waarop in het Chinees onze bestemming stond. Onveranderlijk namen ze ons „onder hun hoede”.
De straten van Peking zijn breed en omzoomd met bomen, hetgeen een grote mengeling van panorama’s, geluiden en ervaringen oplevert. Zo zagen we een vrachtauto met schoenendozen op het trottoir staan en een lange rij van kopers ervoor. Elk kreeg een doos, die hij zonder te openen aannam. Pas later, wanneer ze al een paar meter langs de straat gelopen hadden, pauzeerden ze een ogenblik om hun nieuwe plastic sandalen te proberen.
Tekenen van de aardbevingsramp waren nog volop zichtbaar. Veel huizen waren volledig vernield of ernstig beschadigd. Uit angst voor nog meer aardbevingen of omdat hun huis niet meer bewoonbaar was, woonden velen in tenten of onder kleine afdakjes die ze boven een bed hadden gebouwd. Mannen en vrouwen waren gemobiliseerd om met krachtige hand de schade in het getroffen gebied te herstellen. Dagelijks reden auto’s van de regering af en aan voor de levering van stenen en kalk aan het massale aantal werkers.
Per bus en te voet bezochten we zonder begeleiding tal van plekken, met inbegrip van de paleizen van de oude keizers en de dierentuin, waar de oppassers ten behoeve van aardbevingsvoorspellingen elk vreemd gedrag van de dieren rapporteren. Alleen op onze tocht naar de Chinese Muur en Ming-graven moesten we een auto huren. Veel van die beroemde monumenten, gebouwd door de oude keizers, verkeren thans sterk in verval door de tand des tijds en het vandalisme. De enige kerk die we zagen, was leeg en dichtgespijkerd.
Zo ging, te snel, onze week in Peking voorbij.
Op weg naar Mongolië
1 september: De trein waarmee we uit Peking vertrokken, was gelijk aan die waarmee we aangekomen waren, met uitzondering van de passagiers. Het waren bijna allemaal buitenlanders: Russen, Mongolen, Polen, Duitsers, Afghanen en Vietnamezen. Onze coupé raakte erg in trek, want allen die een beetje Engels spraken, wilden hun bekwaamheid daarin tonen.
Ondertussen klom onze trein steeds hoger de bergen in, passeerde de Chinese Muur, en vervolgde zijn weg langs huizen van in de zon gedroogde stenen, gegroepeerd naast velden met stralend gele zonnebloemen. Daarna gingen we noordwaarts, en het landschap begon te veranderen. Kleine boerderijen naast velden met arme, stekelige gewassen wisselden af met bijna droge rivierbeddingen. Tegen de avond bereikten we een barre woestenij, de rand van de Gobi-woestijn.
Om 8.50 uur ’s avonds brachten luide muziek en een staccato-stem over de luidspreker ons onder de aandacht dat we de Mongoolse grens bij Ehrlien hadden bereikt. Twee en een half uur lang nipten we thee op het station terwijl onze trein werd doorzocht en de locomotief en de restauratiewagen door hun Mongoolse tegenhangers werden vervangen. Daarna krikte men de hele trein ongeveer 2,5 meter omhoog om de wielen te verwisselen en zodoende de wielbasis aan te passen aan het bredere Mongoolse en Russische spoor. Na een korte tocht arriveerden we bij Dzamiin Uude, aan de Mongoolse grens, waar we opnieuw een controle meemaakten en een uur moesten wachten. Om 12.15 ’s nachts, precies vijftien minuten nadat onze Chinese visums waren verlopen, zette de trein zich in beweging en maakten we ons klaar voor de nacht.
2 september: We werden wakker in een ’nieuwe wereld’ — een oneindige wildernis die zich uitstrekte onder een staalblauwe hemelkoepel. Vanaf onze gerieflijke zitplaatsen zagen we verspreide groepen kamelen, die zich in rustige telgang met zwaaiende bulten voortbewogen. We zagen ook kudden wilde paarden en zo af en toe een groep witte, cirkelvormige tenten — de draagbare woonruimten van nomadische herders.
De halteplaatsen in de Gobi-woestijn waren zeldzaam, maar waar de trein stopte, stond een enthousiaste groep dorpsbewoners te wachten, die onmiddellijk naar binnen zwermden om de passagiers snacks aan te bieden, gezamenlijk in de restauratiewagen een glas bier te drinken, of een voorraad ingeblikte levensmiddelen in te slaan. Allen waren speciaal gekleed voor de gelegenheid: met hoge muts en lange broek, terwijl hun bovenlijf was gehuld in een tuniek, dichtgebonden met een brede sjerp.
Het langst stonden we stil in de hoofdstad, Ulan Bator, waar een vrolijke groep bruiloftsvierders zo ingenomen was met ons verzoek de bruid en de bruidegom te fotograferen dat zij erop stonden dat we wat van hun plaatselijke likeur dronken, die ons gul werd aangeboden uit de ene beker waar ze allemaal uit dronken. Later, na een kom koolsoep en wat roggebrood, keerden we terug naar onze coupé, in afwachting van een nieuwe nachtelijke grensoverschrijding, ditmaal Rusland in.
Van Siberië naar Europa
3-8 september: Toen we ’s ochtends wakker werden, was de woestijn van de avond tevoren veranderd in een zwaar bebost berglandschap, dat zich druilerig hulde in een grauwe, koude wolkensluier. We wikkelden ons in onze zware wollen dekens, huiverend in de onverwarmde trein. Dus dit was Siberië!
Verscheidene uren lang volgden we de kustlijn van een immens groot meer, waarvan de golven uiteensloegen op een rotsige kust. Het Baikal-meer is een bijzonder diep en koud zoetwatermeer, dat bijna net zoveel water bevat als alle vijf Grote Amerikaanse Meren te zamen.
Zo begon onze lange en zware tocht door Siberië. Urenlang reden we door een landschap van bergen, dat langzaam overging in een gebied van laagvlakten, begroeid met bossen van witte berken en sparren, en waar slechts hier en daar een nederzetting van houthakkershutten of een industriestad met rokende fabrieksschoorstenen de uitgestrekte natuur onderbraken. Bij elke halteplaats stroomde de trein leeg en stroopten de passagiers de talrijke kiosken in de stad af, waar babushkas (oude vrouwen) eieren, brood, kaas en bloemen verkochten.
Op 6 september kwamen we om 4 uur ’s middags in Moskou aan. We hadden maar een paar uur om een rit met de ondergrondse te maken, wat toeristische bijzonderheden te bekijken en het hotel te vinden waar we de laatste twee kaartjes kochten voor een trein die die avond zou vertrekken. De volgende ochtend passeerden we de Poolse grens en een paar uur later waren we in Duitsland, waarna we comfortabel naar Luxemburg en ons vliegtuig met bestemming New York reden.
We hadden twee en een halve week doorgebracht in het immense gebied dat zich tussen Hong Kong en West-Europa uitstrekt. Het was een onvergetelijke reis, die ons een blik heeft vergund in een wereld welke zich in vele opzichten onderscheidt van de ons bekende, maar die toch bevolkt is met gewone mensen van wie we persoonlijk bijzondere gastvrijheid hebben ondervonden. Daarom zien we thans nog verlangender uit naar de dag dat nationale barrières tot het verleden zullen behoren.
[Kaart op blz. 12]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
Luxemburg
Duitsland
Polen
Moskou
SOVJET-UNIE
Baikal-meer
Irkoetsk
Ulan Bator
MONGOLIË
Gobi-woestijn
Peking
CHINA
Canton
Hong Kong
[Illustratie op blz. 14]
Vrouwen aan de arbeid bij de reparatie van aardbevingsschade in Peking
[Illustratie op blz. 16]
Openbaar vervoer in Peking: driewieler en bus
[Illustratie op blz. 17]
Dit deel van de Chinese Muur toont het verval van niet onderhouden gedeelten