Het verhaal over rubber
Door Ontwaakt!-correspondent in Brazilië
EEN enorme jumbo nadert het vliegveld. Langzaam zakken de wielen van het landingsgestel naar het asfalt van de baan. Contact! Het reusachtige gewicht van de nog met fikse vaart voortsnellende luchtreus wordt overgebracht op de banden van het toestel. Over een lange afstand rolt het vliegtuig uit en komt tot stilstand. Het enige natuurlijke materiaal dat tegen de schok en wrijving van een dergelijke landing bestand is, is rubber.
Volgens het blad Rubber, een publikatie van Firestone, is er in 1973 over de gehele wereld voor 3,3 miljoen ton aan natuurrubber en voor 5,9 miljoen ton aan synthetisch rubber geproduceerd, van welk totaal het belangrijkste deel naar de auto-industrie is gegaan. „Autobanden”, aldus de Encyclopædia Britannica, „slokken 60 tot 70 percent van het beschikbare rubber op”.
Rubber vindt zijn oorsprong in de stammen van een aantal tropische en subtropische bomen die een melkachtige vloeistof, de zogenaamde „latex”, afscheiden, welke rubber bevat. De beste boom voor de commerciële rubberproduktie is de mooie rechte Hevea brasiliensis, die thuishoort in het Braziliaanse Amazonewoud en in het wild 20 tot 30 meter hoog wordt. Bij de teelt op de plantages bereiken ze een gemiddelde hoogte van 18 meter. Over de oorsprong van de rubberbevattende latex schrijft de Encyclopædia Britannica:
„De stam van één boom kan men ruwweg verdelen in een binnengedeelte van hout en een buitengedeelte van bast. Op de grens van bast en hout ligt een laag cellen ter dikte van een blad papier, het zogenaamde cambium, dat, wanneer de bast verwijderd is, herkenbaar is als een slijmige laag op het hout. Deze laag is de basis van de boomgroei: aan de ene kant vormt ze nieuwe houtcellen en aan de andere kant voegt ze nieuwe cellen toe aan de bast. In het zachte gedeelte van de bast bevinden zich, tegen het cambium gelegen, de latexvaten. Om het zachte deel van de bast heen ligt een hard bastgedeelte dat betrekkelijk weinig latexvaten bevat. En dit geheel wordt beschermd door een uitwendige laag kurk. De latexvaten hebben een middellijn van ongeveer 0,0038 centimeter.”
De rubbermoleculen die uit vijf koolstofatomen en acht waterstofatomen bestaan, zijn in lange ketens aan elkaar gekoppeld, en vormen op die wijze reuzenmoleculen of polymeren („vele deeltjes”), waarover Rubber schrijft: „Aan die kettingachtige structuur van de rubbermoleculen menen geleerden het rekvermogen van rubber te moeten toeschrijven. Zij vermoeden dat de moleculen als een soort van spiraalveren opgerold en dooreengestrengeld liggen die bij uitrekking van elkaar getrokken worden en bij loslating weer op hun plaats schieten.”
Rubberwinning in het oerwoud
Francisco da Silva is één van de ongeveer 150.000 Braziliaanse kostwinners die zich in de ongastvrije wouden van het Amazonegebied een bestaan trachten te verschaffen door wilde natuurrubber te verzamelen. Vanuit de oerwoudstad Rio Branco, in de Braziliaanse deelstaat Acre, ongeveer 1100 kilometer ten zuiden van de evenaar, gaat hij elke dag na een sober ontbijt bij het ochtendkrieken op pad. Op zijn voorhoofd heeft hij een kleine lamp bevestigd om in de duisternis van het dichte oerwoud zicht op zijn werk te hebben; terwijl ook een geweer tot zijn vaste uitrusting behoort, als bescherming tegen eventuele wilde dieren of slangen.
Na het bereiken van de eerste boom, reinigt Francisco de stam, geeft dan met een speciaal mes een lichte snede in de bast, schuin hellend van links naar rechts, en plaatst onder elke snede een tinnen bakje. Daarin moet zich de melkachtige latex verzamelen, die in de volgende drie à vier uur uit de aangesneden bast en het cambium zal vloeien. Wanneer een boom bijzonder produktief blijkt, plaatst hij soms wel vier bakjes op hetzelfde niveau, ongeveer 10 centimeter van elkaar.
Rond het middaguur pauzeert Francisco een ogenblik om een lichte maaltijd te gebruiken. Maar al heel gauw is hij weer bezig met de latexwinning. Om ongeveer vijf uur ’s middags gaat hij naar huis met een oogst van zo’n 30 kilo latex, waaruit ongeveer 10 kilo ruwe rubber is te winnen.
De volgende bewerking vindt plaats in een rieten hut zonder vensters, met enkel een opening in het dak. In het midden brandt een zacht smeulend vuur, met aan beide kanten een in de grond geplaatste, gevorkte tak. Francisco pakt een stok en doopt die verscheidene malen in de latex en legt hem vervolgens op een van de gevorkte takken. Langzaam draait hij de stok met latex boven het vuur en druppelt er ondertussen meer latex bij. De hitte van het vuur verdampt het water uit de latex, zodat de rubber zich verdikt. Steeds meer latex wordt erbij gedruppeld en geleidelijk aan vormt zich rond de stok een dikke, stevige bal rubber. Dit gaat zo voort tot de bal ongeveer 20 kilo of soms nog wel meer weegt.
Om de zoveel tijd brengt Francisco de zware ballen ruwe rubber naar een handelsagent, die ze weegt, classificeert en betaalt. En vandaar gaan ze naar de fabrieken.
Een klein begin
Het bestaan van de rubberboom was al lang bekend aan de Indianen van tropisch Amerika. Zij noemden hem caoutchouc, „de huilende boom”. Van de latex maakten ze schoenen, peervormige flessen, dierenfiguren en ballen voor kinderspelen, terwijl ze er tevens hun kleding mee insmeerden.
Hoe kwam rubber aan zijn naam? Deze dateert uit de achttiende eeuw, toen een Britse scheikundige, Joseph Priestly, stukjes van deze stof gebruikte om potloodaantekeningen uit te wissen of weg te wrijven [in het Engels: rub]. En aangezien het zich daar zo goed voor leende, noemde hij het „rubber”, welke benaming is gebleven.
In de negentiende eeuw begon men in rubber mogelijkheden voor de handel te zien. Een Schotse fabriekschemicus, Charles Macintosh, ging rubber aanbrengen op stoffen om ze waterdicht te maken, en gaf zo het begin aan de regenjas, die door sommigen in Engels-sprekende landen nog steeds een „mackintosh” wordt genoemd.
Maar het gebruik van rubber was toentertijd nog erg beperkt, vooral ook omdat zuivere rubber een nadelige invloed van hitte en koude ondervindt. In warm weer wordt het een kleverige massa die gaat ruiken en snel vergaat, terwijl het in de kou hard en brokkelig wordt. Maar in 1839 vond een Amerikaan, Charles Goodyear, hiervoor een oplossing. Hoe?
Tijdens experimenten kwam Goodyear op het idee zwavel en lood aan zuiver rubber toe te voegen en dit mengsel tot hoge temperatuur te verhitten. Het resultaat was een rubber die de gebreken van zuivere rubber miste en bovendien een grotere elasticiteit en slijtvastheid vertoonde. Dit proces kwam bekend te staan als vulcanisatie, naar Vulcanus, de Romeinse god van het vuur.
De ontdekking betekende een keerpunt in de vervaardiging van rubberprodukten. Een andere stap voorwaarts was de uitvinding van de rubberband — de luchtband in het bijzonder — voor auto’s en andere voertuigen. Toen ging de vraag naar rubber met sprongen de hoogte in.
Rubber-„plantages”
Gedreven door de „rubberkoorts” zwermden de handelaars naar het Zuidamerikaanse Amazonegebied, waar „rubbermagnaten” fortuinen verwierven. De prijzen schoten de hoogte in, tot bijna zes gulden per kilo. De fabrikanten gingen naar een goedkopere rubberbron omzien.
Tot dan toe was Brazilië de enige leverancier van ruwe rubber. Maar zou het mogelijk zijn ook elders rubberbomen te laten groeien? In 1876 lukte het Henry Wickham ongeveer 70.000 zaden van de Braziliaanse rubberboom mee naar Engeland te nemen. Die werden in kassen van de Koninklijke Botanische Tuinen te Kew, in Londen, uitgezaaid, en zorgvuldig verzorgd. Ongeveer 2500 kwamen tot ontkieming en werden daarna in allerijl naar Ceylon en Maleisië vervoerd om uitgeplant te worden. Wat was het resultaat?
Dat thans ongeveer 85 percent van de wereldproduktie aan natuurrubber afkomstig is uit Zuidoost-Azië, waar Maleisië de grootste producent is. Bovendien zijn er rubberplantages in Afrika, met name in Liberia en Nigeria.
Synthetische rubbers
De grote vraag die er tijdens de twee wereldoorlogen naar rubber bestond, leidde tot de uitvinding van synthetische rubbers, bereid uit onder andere kolen en aardolie. „Synthetisch” wil zeggen „samengevoegd, samengesteld”. Van deze door mensen vervaardigde rubbers zijn sommige voor bepaalde doeleinden beter geschikt dan het natuurrubber.
Neopreen is bijvoorbeeld een synthetisch rubber dat bijzonder goed bestand is tegen de inwerking van olie, benzine, zonlicht en ozon. Het is echter niet geschikt voor autobanden. „Arctisch” rubber is goed te gebruiken in de kou, aangezien het niet hard en brokkelig wordt. „Coral” van Firestone zou volgens de reclame vrijwel volledig met natuurrubber overeenkomen.
Ja, al vele jaren is rubber een trouwe dienstknecht van de mens. Bovendien getuigt het van de wijsheid en vriendelijkheid van onze Schepper, die de aarde van zo’n overvloed aan nuttige materialen voor de mens heeft voorzien.
[Illustratie op blz. 25]
Rubberwinner snijdt rubberboom aan. De latex vloeit uit de boom en wordt in tinnen bakjes opgevangen
[Illustratie op blz. 26]
Bal van ruwe rubber gevormd boven de rook. Het koolzuur in de rook bevordert de coagulatie of samenballing van het rubber