Een geschiedenis van geloof uit Noordoost-India
HEBT u ooit gehoord van de „Tanghul Naga”? Dat is de naam van mijn stam. Wij leven in de oostelijke heuvels van de staat Manipur in Noordoost-India, omringd door Bangla Desh, Burma en China.
Het is een streek van prachtige groene heuvels en vruchtbare dalen, waar wij Naga’s in de loop der eeuwen zijn uitgegroeid tot zo’n negenentwintig stammen, elk met eigen dialect, volksgebruik en klederdracht. Tot voor kort waren Naga’s „onbeschaafde” koppensnellers die animisme beoefenden, een religie waarbij de aanbidding van bomen en stenen is betrokken, aan welke voorwerpen we varkens en honden offerden.
Het leven in deze streek is praktisch in elk dorp hetzelfde. Als u mijn dorp zou bezoeken, zou u zo’n twintig tot veertig huisjes zien — gebouwd langs enkele stoffige ongeplaveide weggetjes — met vloeren en muren van leem en daken bedekt met een dikke laag droog, wild gras. Elk dorp heeft een bestuursraad van oudsten.
Wie langs deze wegen gaat, ziet varkens, honden en kippen vrij rondscharrelen en aan de voorzijde van enkele huizen nog mensenschedels hangen — herinneringen aan een grimmig verleden, toen de stammen nog om de oppermacht streden.
De meesten van onze stamleden voorzien zelfstandig in hun onderhoud, door het fokken van huisdieren en de bebouwing van nabijgelegen terrasvormige heuvelhellingen. Onze voornaamste gewassen zijn rijst, maïs, aardappelen en gember.
Interessant is het feit dat vrouwen en mannen gelijk op werken bij het verwijderen van kreupelhout en het gereedmaken van de grond voor bebouwing. Het is normaal vrouwen zware lasten groenten en brandhout in rieten manden naar een dorp te zien sjouwen; de manden hangend op hun rug, aan een brede band van riet rond hun voorhoofd. Behalve dit soort van werk en huishoudelijke taken, houden onze vrouwen zich ook bezig met vissen, weven en marktverkoop in de steden.
De kleding van onze hardwerkende vrouwen is eenvoudig, maar vrolijk van kleur. Een sjaalachtige stof vormt, om het middel gebonden, een rok die tot net onder de knieën reikt. Deze met de hand geweven rokken zijn meestal helderrood van kleur, met horizontale strepen van wit, zwart, groen of geel. Een zelfde stuk stof bedekt het bovenlichaam.
Een nieuwe religie
Laat mij u nu vertellen wat ik een geschiedenis van geloof heb genoemd. Het begon tijdens mijn middelbare-schooltijd in Imphal, de hoofdstad van Manipur. Op een ochtend kreeg ik op mijn kamer bezoek van twee Jehovah’s Getuigen. Zij spraken over de bijbel en hoe Gods koninkrijk weldra de gehele aarde tot een schitterend paradijs zal maken.
Ik vond de boodschap mooi, maar stuitte al gauw op tegenstand. Mijn hospita trachtte mij te ontmoedigen de bijbel met Jehovah’s Getuigen te bestuderen, door te zeggen dat zij „anders” waren dan andere christenen. Ondanks dit spoorde ik hun vergaderplaats in Imphal op en begon wekelijks de bijbel met de Getuigen te bestuderen. Na een poosje stopte ik echter met deze studie, want ik weigerde eenvoudig te geloven dat Gods persoonlijke naam Jehovah was, hoewel de Getuigen aangetoond hadden dat die naam duizenden malen in de Hebreeuwse tekst van de bijbel voorkomt. — Ex. 6:3; Ps. 83:18; Jes. 12:2; 26:4, King-James- of Authorized-vertaling.
Toen gebeurde er iets onverwachts, hetgeen een verandering in mijn houding teweegbracht. Op een dag bladerde ik in het geschiedenisboek An Outline of World Civilization, door Dev Raj Dutt. Op bladzijde 157, in het hoofdstuk getiteld Rise of Christianity („De opkomst van het christendom”), las ik: „Jezus verstoorde de status quo en werd veroordeeld als een lasteraar van Jehovah, de God van de joden.” Daar was het wéér, die naam „Jehovah”. Hadden Jehovah’s Getuigen dan toch gelijk? Ik hervatte mijn bijbelstudie.
Al gauw stuitte ik op iets anders dat ik moeilijk kon geloven. De Getuigen toonden mij aan de hand van de bijbel aan dat sommige gebruiken van mijn kerk van heidense oorsprong waren. Dat leek mij te ver gaan. Ik keerde terug tot mijn geschiedenisboek. Op bladzijde 163, onder het kopje The Christian Civilization Paganism („Het heidendom van de christelijke beschaving”), las ik het volgende:
„Deze christelijke beschaving verbreidde zich niet in één keer over het Westen. Ze veroorzaakte ook geen volledige breuk met de oude heidense beschaving. De nieuwe beschaving bloeide op te midden van de oude heidense wereld: ze nam zelfs heidense gebruiken over welke ze kon goedkeuren. Het christendom bracht meer een verandering in de heidense cultuur dan dat ze haar vernietigde, en drukte er haar eigen stempel op.”
Ik was nu overtuigd dat Jehovah’s Getuigen de waarheid vertelden. Op geregelde reizen van Imphal naar mijn dorp, deelde ik deze pasgeleerde bijbelse waarheden met mijn oudere broer, die toen een Naga-terrorist was. Later sloot ook mijn neef, een dorpsboer, zich bij onze geregelde bijbelbesprekingen aan. En het duurde niet lang of ook zij waren ervan overtuigd dat Jehovah’s Getuigen de waarheid onderwezen.
De tegenstand verhevigt zich
Onze bijbelstudie met de Getuigen raakte alom in het dorp bekend. De plaatselijke kerkleiders waren ontstemd. Tijdens een bepaalde kerkdienst beschuldigde een bezoekende predikant Jehovah’s Getuigen ervan dat zij valse profeten en getuigen van Satan waren. Na de dienst brachten mijn broer en ik hem samen met onze neef een bezoek. Wij legden aan de hand van de bijbel uit waarom wij het niet met de kerkleer eens waren. Niet in staat aan de hand van de bijbel met ons te redeneren, nam hij zijn toevlucht tot boze woorden. Onze eigen dorpspredikant, die eveneens aanwezig was, vroeg sarcastisch: „Aan welke theologische universiteit hebt u gestudeerd?” Spoedig daarna zeiden wij drieën schriftelijk ons lidmaatschap van de kerk op.
Kerkelijke gezagdragers trachtten onze vader ertoe te bewegen mij zijn financiële steun te ontzeggen, maar hij weigerde hieraan te voldoen. Toen smeedden de dorpsoudsten een plan om ons 250 rupees (70 gulden) af te persen. Als we niet betaalden, dreigden ze ons het dorp uit te zetten en ons van ons huis en bestaan te beroven. Maar aangezien ik wist dat de grondwet van India vrijheid van aanbidding garandeert, ried ik hun aan bij de rechtbank een klacht tegen ons in te dienen. Dit beperkte hun activiteiten tot onschadelijke bedreigingen.
Volharding loont
De Getuige van Jehovah met wie ik studeerde was zeer aanmoedigend. Hij legde uit dat hetgeen ik meemaakte, heel normaal was voor mensen die de ware aanbidding opnemen. Hij wees op de schriftplaats in Markus 13:13: „En gij zult om mijn naam voorwerpen van haat zijn voor alle mensen. Maar wie tot het einde heeft volhard, die zal gered worden.” Ik bedacht toen hoe velen bereid zijn hun leven ter wille van hun land op te offeren, hoeveel te meer diende ik dan niet bereid te zijn te sterven ter wille van de Opperste Soeverein van het gehele universum!
De tegenstand duurde voort. Verscheidene mensen hielden vol dat ik te jong was om de bijbel te begrijpen en dat Jehovah’s Getuigen misbruik maakten van mijn jeugd. Een oom gaf mij de raad eerst een betere schoolopleiding te volgen en materieel zelfstandig te worden, alvorens me met godsdienst bezig te houden. Maar ik weerstond deze materialistische verlokkingen. Nog als middelbare-schoolleerling droeg ik mijn leven aan Jehovah op en werd in februari 1975 gedoopt.
Volharding voor wat ik wist dat juist was, wierp rijke voordelen af. Kort daarna werden ook mijn broer en mijn neef gedoopt. Om aan geld te komen voor de reis naar het congres waar hij gedoopt zou worden, verkocht mijn neef zijn enige bezit — een buffel die hij gebruikte om bouwland te ploegen. Terwijl ik in Imphal bleef en ten slotte een volle-tijdprediker werd, keerden mijn broer en mijn neef naar ons dorp terug om daar de bijbelse waarheid te verbreiden.
De dorpsoudsten bleven doorgaan met hun tegenstand. Zij hielden raadsvergadering en stelden de volgende resolutie tegen ons op:
dat wij een boete moesten betalen van vijftig rupees (ƒ 15) voor het veranderen van religie;
dat, in geval wij in gebreke zouden blijven de boete te betalen, zij ons huis en onze bezittingen zouden vernielen;
dat geen enkele andere Getuige van Jehovah ons dorp mocht bezoeken, en dat een ieder die hen gastvrij ontving, beboet zou worden;
dat als mijn vader mij financiële steun zou blijven geven, passende maatregelen tegen hem genomen zouden worden.
Wij hadden echter van tevoren besloten voor een dergelijke tegenstand niet door de knieën te gaan. Gelukkig waren de oudsten, dank zij de een of andere onenigheid onder elkaar, niet in staat hun bedreigingen uit te voeren. En volharding in dit stadium van tegenstand wierp een nog grotere winst af.
Sinds wij drieën namelijk Jehovah’s Getuigen waren geworden, had mijn vader veranderingen ten goede in ons leven opgemerkt. Hij ging ook inzien dat het gedrag van onze kerk en dorpsoudsten ware christenen niet paste. Tot onze opgetogenheid trok ook hij zich uit de kerk terug. Mijn vader gelooft nu dat Jehovah’s Getuigen de ware bijbelse religie beoefenen.
Hoe hartverwarmend is het onze hele familie geregeld de bijbel te zien bestuderen en de beginselen in het dagelijks leven van toepassing te zien brengen! Bovenal zijn wij Jehovah dankbaar dat het hem goed heeft gedacht iemand naar onze afgelegen streek te zenden. Voor ons was dat het begin van een opwindende geschiedenis van geloof. — Ingezonden.