Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g76 22/1 blz. 17-23
  • Iets beters dan profvoetbal

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Iets beters dan profvoetbal
  • Ontwaakt! 1976
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Mijn houding ten opzichte van het spel
  • Vervelende aspecten
  • Het effect op de persoonlijkheid
  • Ernstige gedachten
  • Werkelijk beter
  • Het verwezenlijken van een ambitie
  • Trainingskamp
  • Waar het spel op neerkomt
  • De speltactiek
  • Factoren die op mijn veranderde houding van invloed waren
  • Iets beters
  • De huidige problemen met de sport
    Ontwaakt! 1991
  • Waarom zo veel geweld in de sport?
    Ontwaakt! 1982
  • Van voetbalidool tot een leven van godvruchtige toewijding
    Ontwaakt! 1980
  • Gebeden in de sport — Luistert God ernaar?
    Ontwaakt! 1990
Meer weergeven
Ontwaakt! 1976
g76 22/1 blz. 17-23

Iets beters dan profvoetbal

Twee Amerikaanse voetbalprofs vertellen over de betere levenswijze die zij ontdekten.

ER IS een tijd geweest dat sport voor mij belangrijker was dan eten of slapen. Het was mijn leven. Als knaap van negentig kilo en 1,90 meter lang werd ik op de middelbare school een bekende atletiekbeoefenaar.

Op de universiteit concentreerde ik mij op voetbal, het zogenaamde Amerikaanse voetbal, een populaire sport in Amerika, waarbij de bal net als bij rugby ook met de hand mag worden gespeeld. Ik klom op tot aanvalsleider van het team van de universiteit van Californië, in Berkeley en drie jaar lang werd ik uitgeroepen tot „beste speler van de hele Pacific-kust”, terwijl ik in mijn laatste studiejaar in het „Pro-Grid All America”-team werd gekozen, een selectie samengesteld door professionele voetbalmensen.

Daarna werd ik in 1973 aangetrokken door de Oakland Raiders, een van de beste profteams in Amerika. Ik had een succesvol eerste seizoen, maar het laatste jaar, toen ik vertrok, was ik voorpaginanieuws in de plaatselijke sportbladen. De San Francisco Chronicle berichtte:

„Een afvaardiging van twee Raider-vertegenwoordigers is er tot dusverre niet in geslaagd hem tot andere gedachten te brengen. . . . Dat hij als een belangrijk speler wordt beschouwd, blijkt wel uit de dringendheid waarmee de Raider-vertegenwoordigers hem pogen terug te krijgen.” — 21 juni 1974.

Velen hebben mij gevraagd: „Waarom ben je weggegaan. Waarom gaf je zo’n geweldige voetbalcarrière op?”

Mijn houding ten opzichte van het spel

Het was niet omdat ik niet meer van de beroepssport hield. Ik genoot van de wedstrijden tegen de beste spelers van het land, en hield ervan mijn krachten met de hunne te meten.

Het Amerikaanse voetbal is weliswaar een ruwe sport; elk jaar raken talloze profspelers ernstig gewond, zelfs zo dat naar verluidt per jaar één op elke acht een knieoperatie moet ondergaan; maar toch had dat alles niets te maken met de reden van mijn vertrek. Eerlijk gezegd genoot ik van de lichamelijke krachtmetingen.

Bovendien verdiende ik toen als voetballer stukken meer dan nu als timmerman; wat ik toen per jaar verdiende, werk ik nu in verscheidene jaren nog niet bij elkaar. En ik had het vooruitzicht in de komende jaren nog meer te gaan verdienen.

Vervelende aspecten

Aan de andere kant kleefden er aan de voetbalsport ook bezwaren die me begonnen te kwellen, en ongetwijfeld was mijn opvoeding als kind daar niet vreemd aan. Mijn moeder begon met Jehovah’s getuigen de bijbel te bestuderen toen ik tien was, maar ik ging al te veel in de sport op om daar nog bijzondere aandacht aan te schenken, hoewel ik later, toen medespelers me ertoe probeerden te pressen bepaalde dopingmiddelen te gebruiken, mij daar toch krachtig tegen verzette. Maar na ongeveer anderhalf jaar in Berkeley te hebben gespeeld, ging ik door de knieën en begon vóór de wedstrijden amfetamine-preparaten te gebruiken.

Amfetaminen maken een speler gedurende het spel actiever. Elk vermoeidheidsgevoel wordt erdoor verdreven, en de gehele wedstrijd door blijft hij supersnel. Veel beroepsspelers gebruiken ze, omdat hun werk en levensonderhoud afhangt van hun waakzaamheid en snelheid tijdens het spel. Maar ze blijven uren en soms dagen daarna nog overmatig gespannen. Dikwijls kon ik na een wedstrijd een hele dag niet slapen. Sommige spelers nemen dan ook naderhand andere middelen in om weer ontspannen te raken.

Het duurde ook niet lang of ik begon marihuana te roken en cocaïne te snuiven. Ik wist dat het verkeerd was en dat hinderde mij. Maar de spelers met wie ik omging, gebruikten deze verdovende middelen, dus deed ik het ook. Iets anders wat me eveneens kwelde, was het immorele leven dat bij een dergelijke beroepssport „hoort”.

Altijd hingen er meisjes rond die erop wachtten door spelers meegenomen te worden. Gehuwde spelers gingen vaak met andere vrouwen op stap. Men scheen dit algemeen goed te vinden en te denken: ’Hij is een profvoetballer, dus is het okay.’ Men vergoelijkte zijn gedrag als het ware als iets dat te verwachten was, omdat een voetballer nu eenmaal „een speciaal iemand” is.

Als groentje keek ik tegen heel wat spelers van het team op, maar de dingen die zij zeiden, maakten al heel gauw een eind aan elk greintje respect dat ik voor hen koesterde. „Hé, ik heb het van de week bij vijf grieten versierd, mijn eigen vrouw niet meegerekend”, werd er bijvoorbeeld gezegd. Als ik dan naar die persoon keek, dacht ik bij mezelf: ’Dus dat is de knaap die ik zo verafgoodde, ik hoop nooit op hem te gaan lijken.’

Maar na verloop van tijd deed ik hetzelfde, met die uitzondering dat ik vrijgezel was. Als mensen zouden weten wat zich allemaal achter de coulissen van de beroepssport afspeelt — hoe immoreel, slecht en decadent men leeft — zouden ze ervan walgen. Ik wil niet zeggen dat iedereen bij een dergelijk gedrag betrokken is, maar onder spelers is het wel heel gewoon.

Het effect op de persoonlijkheid

Wanneer men op alle mogelijke manieren bewierookt wordt, mist dit toch zijn uitwerking niet. Een man had een reis van honderden kilometers ondernomen om een teamgenoot van mij — een bekend speler, die ook in tv-reclames optrad — vóór de wedstrijd een hand te geven. „Ik wil u even de hand schudden omdat u voor mij een geweldige speler bent”, zei de man, terwijl hij zijn hand uitstak, „ook al ben ik dan”, zo voegde hij hieraan toe, „een supporter van Kansas City”. Op dat moment trok de speler zijn hand terug en begon te schreeuwen: „Krijg de . . . maak dat je wegkomt. Ik wil niet . . .” En hij begon hem allerlei verwensingen naar het hoofd te slingeren.

Ik walgde ervan — wat een arrogantie en trots. Omdat een speler beroemd is, voelt hij zich gerechtigd mensen zo te behandelen. Natuurlijk is niet elke speler zo, maar toch is het een algemeen verschijnsel, dat weet ik wel. Want hoewel ik het zelf als profvoetballer niet tot „ster” heb gebracht, bereikte ik die status wel op de universiteit, en onherroepelijk raakte ik erdoor beïnvloed.

Het is moeilijk nederig te zijn wanneer je de held van de campus bent en mensen je voortdurend vertellen hoe geweldig ze je wel vinden. Wanneer ik thuis was, probeerden mijn moeder en enkele vrienden mij uit te leggen wat de zienswijze van de bijbel was. Maar het enige waar ik belangstelling voor had, was mijn eigen carrière en ik moest grinniken bij de gedachte een nederige christen te zijn. Ik vond dat zij trots moesten zijn op mijn prestaties.

Ernstige gedachten

Ik bezat wat ik gedacht had te willen hebben, maar werkelijk gelukkig was ik niet; mijn leven had eenvoudig geen doel. Ik besloot derhalve wat opruiming te houden onder bepaalde gewoonten. Hasjiesj-roken en het snuiven van cocaïne gaf ik op.

Dè verandering kwam echter toen ik twee jaar terug op een avond met enkele kameraden meeging die zeiden: „Laten we naar de Exorcist gaan.” Het bleek de meest sadistische en gruwelijke film te zijn die ik ooit had gezien. Bij het verlaten van het theater voelde ik me zeer onprettig. Ik herinnerde me dat ik als jongen bij de studie van de bijbel over het bestaan van onzichtbare goddeloze geestenkrachten had gehoord.

Ik belde mijn zuster en haar man op, die in Modesto woonden en beiden getuige van Jehovah waren. Zij bevestigden dat demonen inderdaad een kwade invloed op mensen en aangelegenheden hier op aarde kunnen uitoefenen (Ef. 6:12; Hand. 16:16-18; 19:11-17). Bezorgd sprong ik in mijn auto en ging op weg naar Modesto.

Door onze bijbelse bespreking raakte ik ervan overtuigd dat er werkelijk een geestenwereld bestaat, maar ook, dat wanneer dat zo was, er eveneens een ware God moest bestaan. Dat betekende dat ik bezig was mijn energie te verspillen, aangezien ik mijn leven niet gebruikte in overeenstemming met Zijn voornemen. Ik was bij een kruispunt in mijn leven aangeland.

Ik zag wel in dat werkelijk geluk en ware voldoening niet aanwezig waren geweest op de weg die ik tot nu toe had gevolgd, alleen een leeg en vaag gevoel van nutteloosheid. Dat was de weg van alle materiële geneugten — veel geld, wereldse roem, immoraliteit, drugs, enzovoort. Maar er bestond ook een andere weg, een weg van bijbelstudie en christelijke vergaderingen, dienst voor God — een eenvoudige en ongecompliceerde levensweg, maar nuttig en volledig zinvol. Dat was de weg die ik besloot in te slaan.

Werkelijk beter

Na van mijn besluit vernomen te hebben, kreeg ik bezoek van enkele Raider-vertegenwoordigers, die mij tot andere gedachten probeerden te brengen. Zo’n lucratieve carrière opgeven scheen hun een dwaasheid toe. Ik legde uit dat ik nog steeds van voetbal hield, maar dat mijn verhouding tot Jehovah God nog belangrijker voor mij was geworden.

Ik vertelde hun waartoe mijn omgang in de voetbalkringen had geleid — gebruik van drugs, een losbandig leven, een arrogante en trotse geesteshouding. Die hele levensstijl van een voetbalprof, zo legde ik uit, zou botsen met de christelijke levenswijze die ik wilde gaan volgen. Bovendien werd ik verafgood door fans en tot een dergelijke afgoderij wilde ik niet langer bijdragen. Voorts wilde ik vrijer zijn om, in navolging van Jezus Christus, meer tijd aan het dringende werk van de Koninkrijksprediking te besteden. — Luk. 4:43.

Met mijn waterdoop in de zomer van 1974 symboliseerde ik mijn besluit Jehovah God te dienen, en sindsdien ben ik rijkelijk gezegend. In mijn tijd als voetbalspeler beleefde ik vele opwindende momenten, bijvoorbeeld toen ik na de wedstrijd tegen Stanford voor het oog van 70.000 juichende fans als een held het veld werd afgedragen. Maar kort geleden mocht ik een zelfs nog grotere vreugde ervaren.

Tijdens mijn van-huis-tot-huiswerk in de predikingsdienst trof ik een jonge man aan de deur die oprecht geïnteresseerd was in Gods Woord. Verschillende malen bezocht ik hem, en na verloop van tijd stemde hij in met een wekelijkse bijbelstudie. Dat is de grootste vreugde die ik ooit heb mogen ervaren, omdat het betekent dat ik een aandeel heb aan het werk dat bestaat in het ’maken van discipelen’, een werk dat door Jezus Christus werd begonnen en waartoe hij zijn ware volgelingen aanspoorde het voort te zetten. — Matth. 28:19, 20.

Anderen die net als ik profvoetballer zijn geweest, hebben over hun voetbaltijd ongeveer dezelfde gevoelens als ik. Een van hen woont vlakbij, in Stockton, Californië. Zeven seizoenen heeft hij in de National Football League gespeeld, waarvan vijf als eerste verdediger. Maar ik zal hem zijn verhaal zelf laten vertellen.

Het verwezenlijken van een ambitie

Op de middelbare school ontving ik bijzonder veel erkenning als „aanvaller” van het Edison High-voetbalteam. Na mijn examen stroomden er een veertigtal aanbiedingen van diverse „colleges” uit het gehele land binnen. Ik besloot dicht bij huis te blijven en naar het „San Jose”-staatscollege te gaan.

Na vier jaar college-voetbal, werd ik uitgeroepen tot een van de meest belovende voetbalprofs in het land. Bijna elk team van de National Football League nam contact met mij op. Ik was 1,92 meter lang en woog 110 kilo. Niettemin liep ik de 40 yard in 4,9 seconde.

In de derde ronde van de college-voetbaltransfers in 1966 werd ik opgenomen in het team van de Green Bay Packers. Als premie voor het tekenen van het contract gaven ze mij een nieuwe Oldsmobile Toronado en $10.000 aan contanten. Mijn aanvangssalaris was $18.000 per jaar.

En zo liep ik als eenentwintigjarige knaap met $5000 aan honderd-dollarbiljetten op zak. Ik dacht bij mezelf: ’Dit is het. Geld, een nieuwe auto, prestige, de beste kleren, en welkom geheten in de beste restaurants.’

Trainingskamp

Juli 1966 meldde ik mij in topconditie aan bij het trainingskamp van de Packers. De conditietraining was een gruwel, maar gelukkig bleek mijn reeds voordien gevolgde conditieprogramma zijn nut af te werpen. Geen van de veteranen scheen in zo’n goede conditie als ik; sommigen staakten van ellende de veldloop en gaven er de brui aan.

Maar voordat het seizoen begon, nam coach Lombardi mij terzijde. Hij had juist een telefoontje ontvangen van de St. Louis Cardinals. Die hadden een eerste aanvaller bij wie hartgeruis was geconstateerd en die met voetbal moest ophouden; zij hadden een goede vervanger nodig. Dus deden de Packers mij over aan St. Louis voor een hoge transfersom plus nog extra contanten.

Waar het spel op neerkomt

In St. Louis bleef ik mij verbeteren, tot ik me ten slotte had opgewerkt tot sleutelverdediger en eerste opkomende verdediger van het team. De coachen legden de nadruk op ruwheid, en dank zij mijn uitzonderlijke kracht werd ik zeer bedreven in het slaan van mijn tegenstanders. Het is niet zonder reden dat het spel op de binnenste verdedigingslijn „oorlog” wordt genoemd!

Ik had tot taak verdedigings-„tackles” uit te voeren en had als verdedigingsman het recht met open hand slagen uit te delen. Dat is volgens de spelregels toegestaan. Ik leerde een tegenstander tegen de bovenkant van zijn hoofd, in de slaapstreek, te treffen, hetgeen de „headslap” wordt genoemd. Slaat men hard genoeg, dan bezorgt men de aanvaller een fikse hoofdpijn. Hoe vlugger ik mijn tegenstander kon treffen om hem een afleidende pijn te bezorgen — waar dat dan ook mocht zijn — des te beter het voor mij was.

Op het moment dat een van de aanvallers van de tegenpartij de bal greep, en ik had de kans, sloeg ik hem zo hard mogelijk tegen het hoofd. Dat gaf mij de gelegenheid hem te passeren en bij de eerste back te komen. Ook onze ellebogen en onderarmen kwamen eraan te pas. Eens kraakte ik de helm van een knaap met mijn arm.

Veel van de spelers tegen wie ik in het veld kwam, waren jongens die met mij op het college hadden gezeten. Maar op de dag van de wedstrijd waren we bloeddorstige vijanden geworden, die elkaar lichamelijk probeerden te kwetsen. Mijn beste vriend en kamergenoot uit mijn collegetijd speelde later voor de Cleveland Browns. Op een dag dat wij tegen Cleveland speelden, trof ik hem met een harde slag. Later moest hij naar het ziekenhuis voor een operatie. Mijn vrouw en ik voelden ons daar toen erg ellendig onder.

De speltactiek

Ik kan me nog de keer herinneren dat we tegen Cleveland speelden en de coaches ons vertelden dat hun eerste back een zwakke nek had. Ik kreeg de opdracht om als het maar even kon hem zo te blesseren dat hij niet verder zou kunnen spelen. En ik probeerde het. Tijdens het spel brak ik door, sloeg twee aanvallers, de „center” en „guard”, van me af en stond tegenover hem. Ik probeerde met mijn arm zijn hoofd te verwringen en ja hoor, hij liet de bal los.

Mijn teamgenoten bejubelden me. Maar ik keek naar de verdediger op de grond, duidelijk kreunend van de pijn en dacht plotseling bij mezelf: „Ben ik in een soort dier veranderd? Dit is een spel en ik probeer iemand te verminken. Hij heeft een vrouw en gezin net als ik.” Het publiek gaf me een ovatie maar ik was niet blij met hetgeen ik gedaan had.

Daarna werd het voor mij steeds moeilijker welbewust te trachten een tegenstander letsel toe te brengen, ook al bleven we natuurlijk op onze wekelijkse tactieksamenkomsten de zwakheden en verwondingen van onze tegenstanders bespreken. Onze tactiek bestond speciaal in het treffen van een tegenstander op zijn meest gevoelige plaats, daar waar hij al eens eerder een verwonding had opgelopen.

Later, toen we tegen de New York Jets speelden, werd ik erop gewezen dat hun belangrijkste eerste back aan ernstige knieverwondingen leed. Daar moest ik hem dus zien te raken. En op een bepaald moment was ik inderdaad in de gelegenheid zijn knieën ernstig te beschadigen. De coaches vroegen later waarom ik het niet had gedaan. Ik zei hun dat ik het niet nodig had gevonden. Mijn teamgenoten vonden dit maar een vreemde zaak.

In 1971 speelden we tegen de Buffalo Bills. Hun snelste verdediger leed aan een enkelverwonding en we moesten hem van het veld zien te krijgen. Tijdens een spelmoment greep ik hem bij een enkel en hij ging tegen de grond; ik had mijn hand al klaar om zijn enkel te verdraaien, hetgeen volkomen geoorloofd is. Maar ik deed het niet. Na deze nieuwe houding kwamen er elke week na de wedstrijd tegenspelers naar me toe om me te bedanken voor het feit dat ik hen op het veld niet moedwillig geblesseerd had.

Factoren die op mijn veranderde houding van invloed waren

Een rugverwonding, in 1969 opgelopen tijdens een wedstrijd, was één factor die mij van houding deed veranderen. Het grootste deel van het seizoen speelde ik ondanks alle pijnstillende middelen die ik kreeg, met een constante pijn in mijn rug en ledematen. Wanneer de medicijnen waren uitgewerkt, kroop ik van ellende en pijn door onze woning. In april 1970 onderging ik een rugoperatie waardoor mijn conditie weer enigszins op peil leek te komen. Maar vanaf dat moment wilde ik er niet meer voor verantwoordelijk zijn dat iemand anders een zelfde hel van pijn zou moeten doormaken. Maar er was nog iets waardoor ik steeds meer aarzelde anderen op het sportveld moedwillig te blesseren.

Omstreeks de tijd van mijn operatie begon mijn vrouw namelijk met een van Jehovah’s getuigen de bijbel te bestuderen. Ik was er niet mee ingenomen, omdat ik het als een nieuwe methode van religieuze geldklopperij zag. Ik zei haar dan ook: „Als jij wilt studeren, prima. Maar ik blijf erbuiten.” En zo gebeurde het ook.

Na verloop van tijd begon mijn vrouw me echter vragen te stellen als: Wat is Gods naam? Waarom moest Christus sterven? Wat is Gods koninkrijk? Het waren geen moeilijke vragen. Maar ik wist er geen antwoord op. Dat liet me niet met rust. Ik geloofde in God en had wel eens in de bijbel gelezen, maar nu moest ik tot de ontdekking komen dat ik in feite nauwelijks iets van de bijbel af wist.

Naderhand veranderde ik dan ook van gedachten en ging met mijn vrouw aan haar wekelijkse bijbelstudie meedoen. Ik genoot van deze besprekingen omdat ik rechtstreekse antwoorden ontving uit Gods Woord. Daarna begon ik de Koninkrijkszaal van Jehovah’s getuigen in Stockton, Californië, te bezoeken.

Iets beters

Na verloop van tijd werd ik ertoe bewogen bij mensen aan te bellen om de goede dingen die ik in verband met Gods voornemen had geleerd, met hen te delen. Dat schonk mij ware voldoening omdat ik wist dat die inlichtingen uit Gods Woord andere mensen werkelijk tot nut konden zijn, net zoals de toepassing ervan in ons leven mij en mijn gezin had geholpen. In februari 1972 symboliseerden mijn vrouw en ik onze opdracht om Jehovah God te dienen, door ons op een christelijk congres in water te laten dopen.

Maar ik was nog voor twee jaar gebonden aan een voetbalcontract. Toen derhalve de maand juli aanbrak, voelde ik mij verplicht weer naar het trainingskamp te gaan. Dat zat me werkelijk dwars, want ik vond het bijzonder moeilijk de wreedheid van het Amerikaanse beroepsvoetbal — zoals dat vooral op de verdedigingslijn plaatsvindt — te rijmen met christelijke beginselen (Gal. 5:22, 23). Toch is, zoals uit Gods Woord blijkt, het naleven van een contract ook belangrijk (Matth. 5:37). Dikwijls bad ik tot God over dit naar het leek onoplosbare probleem.

Halverwege het seizoen echter, stak mijn oude rugblessure weer de kop op. Ik moest naar het ziekenhuis voor een nieuwe operatie. Nu mijn toekomstige waarde voor het team erg dubieus was geworden, stemden de Cardinals in met een verbreking van het contract. Ik was dolgelukkig vrij man te zijn.

Nu is het niet zo dat ik sport, zoals het Amerikaanse „football”, op zich slecht vind. Ik kan ervan genieten. Maar het is wel droevig te moeten vaststellen hoe de zelfzucht en het verlangen om ten koste van alles te winnen, de professionele sportbeoefening ruïneert. Overigens hoeft dit geen verbazing te wekken wanneer men bedenkt dat het gehele samenstel van dingen doortrokken is van diezelfde hebzuchtige en zelfzuchtige geest.

Het is werkelijk een vreugde te weten dat onze Schepper iets veel beters in gedachten heeft voor de mensen die Hem willen dienen. Zijn Woord maakt duidelijk dat hij nu spoedig dit gehele samenstel met al zijn zelfzucht en hebzucht zal verdelgen, en daarvoor in de plaats een nieuw samenstel van dingen zal brengen, waarin rechtvaardigheid zal wonen (Matth. 24:36-39; 2 Petr. 3:5, 13). Een van die bijbelse beloften betreffende dat nieuwe samenstel van dingen, vind ik bijzonder hartverwarmend. In Openbaring 21:4 kan men lezen dat God ’elke traan uit [’s mensen] ogen zal wegwissen, en de dood er niet meer zal zijn, noch rouw, noch geschreeuw, noch pijn er meer zal zijn. De vroegere dingen zijn voorbijgegaan’.

Er tijd en moeite aan te besteden om anderen over deze grootse beloften van God tot zegen van de mensheid te vertellen, lijkt mij een veel betere carrière dan topvoetballer toe. — Ingezonden.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen