Eerbiedig de eigendommen van anderen
„WAAROM is misdaad tegenwoordig een wereldomvattende epidemie?” zo vraagt het tijdschrift U.S. News & World Report zich af in zijn uitgave van 1 mei 1972. Niet alleen werden er in 1971 in de Verenigde Staten zo’n zes miljoen geweldmisdrijven gepleegd, maar in dit land namen ook het aantal berovingen en inbraken in vergelijking met 1970 met tien percent toe! Uit deze toenemende wetteloosheid spreekt duidelijk een vermindering van eerbied voor de eigendomsrechten van anderen.
Dit zijn werkelijk de voorzegde „laatste dagen”, waarin ’de wetteloosheid zal toenemen’ en waarin wij ons geplaatst zien voor „kritieke tijden . . . die moeilijk zijn door te komen”. Meer dan ooit is het voor alle goedwillende mensen nodig aandacht te schenken aan hun eerbied voor de eigendomsrechten van anderen. Nalatigheid op dit gebied zou voor iemand gemakkelijk de weg kunnen openen om ’de grote massa met kwade oogmerken te volgen’. De bijbel waarschuwt hiervoor. — Matth. 24:12; 2 Tim. 3:1; Ex. 23:2.
Behalve de gerapporteerde diefstallen, wordt er ook een verbazend groot aantal kleine diefstallen gepleegd die nooit onder de aandacht van politieautoriteiten komen. Zowel op kantoren en fabrieken als op plaatsen waar grote mensenmenigten van dezelfde faciliteiten gebruik maken, heeft men met dit euvel te kampen. Wij doen er goed aan onszelf af te vragen: „Maak ik mij hieraan schuldig?” Als iets er begeerlijk uitziet maar aan iemand anders of aan een bedrijf toebehoort, bent u dan geneigd het weg te nemen als u denkt dat uw daad niet opgemerkt of ontdekt zal worden? Probeert u uw handelwijze te rechtvaardigen door uzelf wijs te maken dat u meer verdient dan wat u uitbetaald krijgt of dat uw werkgever toch al behoorlijk van uw arbeid profiteert?
Vandalisme
Nog een teken van het ernstige en wijdverbreide gebrek aan respect dat er heerst voor de eigendomsrechten van anderen, zijn de opzettelijke vernielingen die aan eigendommen worden aangericht. Men noemt dit vandalisme, naar de Germaanse Vandalen die in het begin van de vijfde eeuw Rome plunderden. Alleen al in de Verenigde Staten richten hedendaagse vandalen jaarlijks voor ruim honderd miljoen dollar schade aan. Aan de stadsbussen en ondergrondse van New York wordt jaarlijks voor $2,6 miljoen beschadigd. Een van de gewoonste vormen van jeugdig vandalisme is het stukslaan van schoolruiten, van voor- en achterruiten van auto’s en zelfs van de ramen van openbare vervoermiddelen. Bij de Long Island-spoorwegen in de Amerikaanse staat New York wordt jaarlijks meer glas gebroken dan in heel Frankrijk.
Over het algemeen is vandalisme het werk van jongeren. Welk een verwoestingen zij kunnen aanrichten blijkt vooral in openbare parken. Drinkfonteintjes worden omvergeduwd, toiletten worden gesloopt en de watervoorziening wordt bevuild. Hun vernieling van aanduidingsborden, waaronder waarschuwingsborden, heeft vakantiegangers de dood gekost. In een prachtig, bebost natuurreservaat van ruim 279 ha niet ver van de stad New York, wordt elk jaar door jongeren voor 100.000 dollar aan parkeigendommen beschadigd, terwijl zij in de natuur zelf een niet te berekenen schade aanrichten door bomen, heesters en andere gewassen te vernielen, zwaneëieren stuk te gooien en jonge konijntjes dood te knuppelen. Wat een gebrek aan eerbied voor openbare eigendommen blijkt uit zulk gedrag! Een zeer verontwaardigde hoogleraar aan de Cornell-universiteit schreef naar aanleiding van de schade die mensen in natuurreservaten aanrichten: „Mensen zijn . . . varkens. . . . Niet alle mensen natuurlijk, maar de meerderheid valt onder deze categorie.”
Het „beschrijven” en bekladden van muren, auto’s, stoepen, trappen, openbare gebouwen, monumenten en parkbeelden met namen, slagzinnen, obsceniteiten en platte woorden kan aan dezelfde mentaliteit worden toegeschreven. In Philadelphia, in de Amerikaanse staat Pennsylvania, besteedt men jaarlijks 4 miljoen dollar aan werk en middelen om te trachten dit „geschrijf” te verwijderen. In de ondergrondse van de stad New York heeft de „schrijfwoede” een „epidemisch stadium” bereikt. Na vele maanden heeft het stadsbestuur van New York ten slotte een verordening uitgevaardigd waarin strafbepalingen zijn opgenomen voor een dergelijke ontsiering van andermans eigendommen.
Blijf er aandacht aan schenken
Het is niet waarschijnlijk dat er zich onder onze lezers personen zullen bevinden die zich schuldig maken aan inbraken of berovingen, terwijl zij waarschijnlijk ook niet tot de vandalen en „straatschrijvers” zullen behoren. Toch dienen wij er allen voor op onze hoede te blijven ons niet door onnadenkendheid of gebrek aan medegevoel schuldig te maken aan minachting voor de eigendomsrechten van anderen. Hoe dat zo?
Eén parkwachter stelde vast dat de kleine, maar schadelijke onnadenkendheden die mensen begaan, vaak het ernstigst zijn wegens de frequentie waarmee ze voorkomen. Slaat u acht op borden als: „Geen doorgang”, en: „Niet op het gras lopen, s.v.p.”? Veel mensen van wie men toch een volwassen denkwijze en houding zou verwachten, hebben de neiging luchtigjes over bepaalde parkregels heen te stappen als dat in hun kraam te pas komt; zij gooien hun afval zo maar op de grond als de afvalbak te ver weg staat en picknicken op het gras wanneer dit verboden is. Ofwel zij zijn werkelijk onnadenkend, ofwel zij hebben zo’n misplaatst gevoel van eigenwaarde dat ze denken zich van een bepaalde regel niets te hoeven aantrekken.
De eigendomsrechten van anderen verdienen eveneens onze aandacht als wij als gasten in een hotel verblijven. Gaat u even zorgvuldig met de meubels en het linnengoed om als bij uzelf thuis? Dit dient zo te zijn! Een beheerder van een van Brooklyns grootste hotels bracht eens zijn oprechte spijt tot uitdrukking dat hij geen kwaliteitsmeubilair kon neerzetten zoals hij zou willen, alleen omdat zijn gasten dat niet waard zijn.
Hetzelfde is van toepassing als u te gast bent in het huis van een vriend of familielid. Met een gastvrij gebaar zal uw gastheer u misschien het gebruik van zijn gehele huis aanbieden. Besteed dan echter meer dan gewone aandacht aan het interieur. Wellicht zou u anders tot uw eigen verlegenheid en tot nadeel van uw gastheer iets beschadigen dat voor hem niet alleen gelds- maar ook gevoelswaarde heeft. En mocht u een ongelukje overkomen, toon dan uw respect voor de eigendommen van uw gastheer door de morele moed te hebben het hem te zeggen en uw verontschuldigingen aan te bieden. Laat hem zoiets nooit naderhand ontdekken, als u vertrokken bent!
Bent u een souvenirverzamelaar?
Wanneer u een verzamelaar bent van souvenirs, wees er dan eveneens voor op uw hoede dat deze liefhebberij niet door onnadenkendheid tot minachting voor de eigendomsrechten van anderen leidt. Een groep Amerikaanse reizigers dineerde eens in een Lyons Corner House te Londen. Iemand in het gezelschap werd gefascineerd door de kleine theelepeltjes van het tafelzilver en vroeg aan een kelner of hij er één als souvenir kon kopen. Het was de laatste avond die zij in Londen doorbrachten, zo vertelde hij, en de winkels verkochten ze slechts per set. De kelner antwoordde hem in onvervalst cockney-Engels: „Wel, suh, als u er nou ’s eentje per ongeluk in uw zak liet vallen, daar kraait geen haan naar, suh.” En dat deed de reiziger. In dit geval had de kelner net zo weinig eerbied voor de eigendommen van zijn werkgever als de toerist.
Maar de meeste souvenir-verzamelende toeristen nemen zelfs niet eens de moeite om te vragen; althans in het John F. Kennedy-theatercentrum in Washington, D.C., — na het Capitool de belangrijkste toeristische trekpleister — zijn er niet veel bezoekers die dit doen. Naar bericht wordt hebben toeristen nagenoeg alles meegenomen „wat ’los en vast zit’ . . . Alle oorspronkelijke asbakken en zout- en pepervaatjes uit de drie restaurants van het Centrum zijn verdwenen, te zamen met . . . een complete uitzet aan porselein, glaswerk, tafelzilver en tafellinnen. Souvenirjagers . . . snijden stukjes uit vloerkleden en gordijnen — en ze hebben zelfs prisma’s ter waarde van 86 dollar uit de sierlijke Waterford-kroonluchters genomen.” En wat laten zij achter? Brandgaatjes van sigaretten in de tapijten, drankvlekken en resten van kauwgom en snoep. Respect voor de eigendommen van anderen? Deze souvenirjagers zeker niet! — Newsweek, 13 december 1971.
Wanneer men iets leent
De mate waarin u de eigendomsrechten van anderen eerbiedigt (of niet eerbiedigt) weerspiegelt zich ook in uw leengewoonten. Misschien „leent” u wel eens iets zonder te vragen — mogelijk kent u de eigenaar toevallig goed, misschien bent u van plan het geleende slechts een korte tijd te gebruiken, of het kan zijn dat de eigenaar op dat moment niet in de buurt is — toch geeft dit blijk van een ernstig gebrek aan respect voor de eigendomsrechten van anderen. Hoe zeer u ook van plan bent het terug te geven — het is niet van u en de eigenaar heeft u geen toestemming gegeven er gebruik van te maken. Houd altijd in gedachten dat er iets met het geleende kan gebeuren; een boek kan weg raken of vuil worden en een stuk gereedschap kan kapotgaan.
Eerbied voor andermans eigendommen noopt ons tevens het geleende prompt, binnen de vastgestelde tijd, terug te brengen. Laat de eigenaar er nooit om hoeven te vragen. Eerbied voor het geleende zal u er ook van weerhouden het op uw beurt weer aan een ander uit te lenen. Waarom? Omdat het niet van u is, en u daarom niet het recht hebt het uit te lenen. Bovendien zou de eigenaar zelf misschien geaarzeld hebben het aan die andere persoon uit te lenen. Om nog maar niet te spreken van de nare situatie die zou ontstaan als de eigenaar plotseling naar u toe zou komen omdat hij het geleende nodig had. Belangrijk is ook eerbied te tonen door het geleende in dezelfde, zo niet betere, staat terug te geven dan waarin u het hebt ontvangen.
Hoe kan eerbied voor de eigendomsrechten van anderen vergroot worden? Door geregeld de bijbel te lezen. Dit boek veroordeelt niet alleen het stiekem wegnemen van andermans eigendommen — ofte wel, kortweg: stelen — maar zelfs het verlangen ernaar of het begeren ervan. — Ex. 20:15, 17; Ef. 4:28; Kol. 3:5.
Gods Woord geeft ons niet alleen negatieve, maar ook positieve geboden. Wij kunnen nooit de „Gulden regel” verbeteren die door Jezus in zijn positieve vorm als volgt onder woorden werd gebracht: „Alle dingen dan die gij wilt dat de mensen voor u doen, moet ook gij insgelijks voor hen doen; dit is trouwens de betekenis van de Wet en de Profeten.” Toepasselijk in dit verband zijn ook de woorden van zijn apostel Paulus: „De liefde . . . zoekt niet haar eigen belang.” „Laat een ieder niet zijn eigen voordeel blijven zoeken, maar dat van de ander.” Door zulke raad ter harte te nemen, zullen wij geholpen worden de zelfzuchtige geest van de wereld te weerstaan en te allen tijde de eigendomsrechten van anderen te eerbiedigen. — Matth. 7:12; 1 Kor. 13:4, 5; 10:24.