De „derde wereld” aan het woord
Door Ontwaakt!-correspondent in Sri Lanka
DE MEESTE landen ter wereld zijn betrekkelijk arm. Van de 145 lidstaten van de Verenigde Naties kan men er meer dan 100 zo noemen. De wereldleiders duiden deze landen tactvol aan als „onderontwikkelde landen” of „ontwikkelingslanden”.
Ze worden ook wel gezamenlijk aangeduid als de „derde wereld”, een uitdrukking die oorspronkelijk werd toegepast op de landen die zich neutraal opstelden en zich niet politiek wilden binden aan hetzij het communistische of het Westerse blok van natiën. Men beschouwde ze daarom als de „derde wereld”.
De afgelopen jaren zijn echter het Westerse en communistische blok versplinterd, terwijl ook bepaalde communistische en Westerse landen arm zijn, met het gevolg dat nu de term „derde wereld” in het algemeen van toepassing is geworden op die landen die economisch en tevens in andere opzichten niet hoog ontwikkeld zijn. Het merendeel beschouwt zich overigens nog altijd als niet-gebonden.
Politieke invloed
Hoe onderontwikkeld deze landen echter ook in economische zin mogen zijn, hun politieke invloed is zeker wel in krachtige ontwikkeling. Vaak ziet de overgrote meerderheid van „derde wereld”-landen de wereldproblemen door dezelfde bril, met het gevolg dat ze in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties met betrekking tot diverse kwesties eensluidend vóór of tegen stemmen, zonder zich om de eventuele wensen van de ontwikkelde landen te bekommeren. Niet langer volgen zij eenvoudig de voorgeschreven weg van de krachtige rijke staten of de vroegere koloniale mogendheden.
Bij vele kwesties treffen de Westerse landen deze „nieuwe meerderheid” zelfs tegenover zich, en dan bovendien nog vaak gesteund door de communistische landen, die zich doorgaans achter de derde wereld opstellen.
Dit heeft in de Verenigde Naties tot een volkomen andere situatie geleid dan in de beginjaren van deze organisatie. Toen drukten de Westerse landen, geleid door de Verenigde Staten, nog een dominerend stempel op het stemgedrag in de Algemene Vergadering.
Maar nu behoort die situatie tot het verleden. Of zoals U.S. News & World Report opmerkte: „De grootste haard van tegenstellingen [binnen de Algemene Vergadering van de V.N.] is gelegen in de tegenstrijdige politieke en economische belangen van enerzijds de ’derde wereld’ — de minder ontwikkelde landen van Azië, Afrika en Latijns-Amerika — en het geïndustrialiseerde Westen. Met gebruikmaking van haar zogeheten tirannie van de meerderheid weet de derde wereld er resoluties door te drijven waar de meer ontwikkelde landen duidelijk bezwaren tegen hebben.”
Volgens dit tijdschrift is het stemgedrag van de meerderheid der V.N.-leden „thans bijna volledig gekanaliseerd langs de lijnen van Moskou’s” zienswijze omtrent anti-kolonialisme, anti-imperialisme en anti-racisme, terwijl „de Verenigde Staten bij nagenoeg elk V.N.-debat aan het kortste eind trekken”, hetgeen, aldus dit blad, „een welkom meevallertje is voor de leiders in het Kremlin”.
Topconferenties geven kenschets van problemen
De afgelopen jaren hebben de derde-wereld-landen een aantal topconferenties belegd om hun problemen te bespreken. Vorig jaar zomer kwamen hier op Sri Lanka, het voormalige Ceylon, zesentachtig van deze landen bijeen voor hun vijfde topontmoeting van deze aard. De topconferenties daarvoor waren gehouden in Belgrado (1961), Caïro (1964), Lusaka (1970) en Algiers (1973).
Bovendien namen de landen van de derde wereld in het voorjaar van 1974 het initiatief tot het houden van een speciale zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Drie weken lang hield men zich bezig met het lot van de armere landen.
Op al die bijeenkomsten bleek voortdurend de aanwezigheid van een harde economische grief van de arme landen ten aanzien van de rijkere landen. De derde wereld meent dat de industriële landen een te lage prijs betalen voor de grondstoffen die de derde wereld levert en dat de produkten die de industriële landen daarna aan de armere landen terugverkopen, veel te hoog in prijs liggen. En dit is vooral een probleem voor die arme landen die van de landbouw afhankelijk zijn en weinig of geen voedseloverschotten of grondstoffen bezitten om te verkopen en enige redelijke export mee te bedrijven.
Bovendien wijst de derde wereld erop dat de kloof tussen de rijke en de arme landen niet smaller, maar juist breder wordt, en dat het totale aantal hongerige, slecht geklede, slecht gehuisveste en werkeloze mensen toeneemt in plaats van afneemt.
Indien dit maar even mogelijk is en de vraag naar grondstoffen van de zijde van de industriële landen groot genoeg is, verhogen de ontwikkelingslanden die grondstoffen exporteren, de prijzen van hun produkten. Denk maar aan de zesvoudige prijsverhoging waarvoor de olieproducerende landen hebben gezorgd.
Momenteel bestaat er echter naar de grondstoffen van de arme landen niet zoveel vraag dat zij hun prijzen al te drastisch kunnen opdrijven. De afgelopen jaren is de prijs van bepaalde grondstoffen, waaronder ook enkele landbouwprodukten, zelfs gedaald, terwijl aan de andere kant de prijzen van kant-en-klare produkten, zoals die door de industrielanden op de wereldmarkt worden gebracht, door de inflatie voortdurend blijven stijgen.
Voorbereiding voor de topconferentie
Problemen van dergelijke aard stonden centraal op deze recent gehouden topconferentie hier in Colombo, de hoofdstad van Sri Lanka. Duizenden afgevaardigden en tal van staatshoofden waren aanwezig. Het belang van deze conferentie blijkt wel uit het feit dat de zesentachtig landen die de conferentie bijwoonden, meer dan de helft van de landen op aarde vertegenwoordigden.
Maar voordat de conferentie een aanvang nam, moesten er nog een hele reeks problemen worden overwonnen — een mammoet-onderneming voor dit kleine ontwikkelingsland van slechts iets meer dan 64.750 vierkante kilometer (ruim anderhalf maal zo groot als Nederland).
De veiligheid was bijvoorbeeld een groot probleem. Met het oog op de vele kapingen, ontvoeringen, bomaanslagen en moorden van de afgelopen jaren, werd er streng toegezien op de verwijdering van alle mogelijke ongewenste elementen. Het normale toeristenverkeer werd in de periode vóór, tijdens en na de conferentie aan strenge banden gelegd. En alle buitenlandse inwoners moesten vertrekken als hun visum niet werd vernieuwd.
Al meer dan een jaar van tevoren waren speciaal opgeleide personen van de inlichtingendienst bezig met het ’doorlichten’ van alle personen die op de een of andere wijze met de komende vergadering te maken zouden krijgen: het personeel van hotels, van de luchthaven, en verder van alle instellingen die bij de topconferentie betrokken zouden zijn. De werknemers die hun op enigerlei wijze verdacht voorkwamen, kregen ten tijde van de conferentie vrijaf om ze maar van de gebeurtenis weg te houden. Zelfs van burgers die langs de route van het vliegveld naar de conferentiezaal woonden, werd de doopceel gelicht.
Bovendien ging men ertoe over 10.000 misdadigers en andere ’ongewenste’ personen te fotograferen en in een vingerafdruk-systeem op te nemen, terwijl men ook hun gangen zorgvuldig naging. Enkele grote misdadigers-’bonzen’ werden voor zover ze nog niet achter de tralies zaten, gedurende de periode van de conferentie in verzekerde bewaring gehouden.
Ook zorgde men voor de invoer van honderden voertuigen uit diverse landen ten behoeve van de afgevaardigden en het veiligheidspersoneel. De wegen moesten verbreed of vernieuwd worden, en het aantal hotels uitgebreid om alle afgevaardigden onder te kunnen brengen. Ten slotte was alles gereed. En alle bewoners waren zich er langzamerhand goed van bewust geworden dat hun kleine land een belangrijke gebeurtenis te wachten stond.
De afgevaardigden maken hun mening kenbaar
De openingstoespraak werd uitgesproken door de premier van Sri Lanka, mevrouw Sirimavo Bandaranaike, die op voorstel van de president van Egypte, Anwar Sadat, de Indiase premier Indira Gandhi en de president van Cyprus, aartsbisschop Makarios, voor deze positie was voorgedragen.
In haar toespraak, die ze zelf een „boodschap” tot de ontwikkelde landen noemde, bevestigde mevrouw Bandaranaike dat „de niet-gebonden landen geen enkele natie en geen enkel volk als hun vijand beschouwen. Hun strijd is altijd gericht geweest tegen onrechtvaardigheid, onverdraagzaamheid en ongelijkheid”.
De New York Times gaf als commentaar op de openingstoespraak: „Met haar verwelkoming van de Vietnamezen in de beweging van niet-gebonden landen oogstte mevrouw Bandaranaike een van de langdurigste applauzen van die dag toen ze de opmerking maakte: ’Hun strijd tegen de militaire macht en moderne middelen van een van de grootste machten ter wereld, die uiteindelijk is uitgelopen op een overwinning, is een stralende bron van inspiratie voor alle landen die strijden voor nationale bevrijding en tegen buitenlandse inmenging, overheersing en onderdrukking.’”
De voorzitster ging ook in op de instelling van een nieuwe internationale economische orde. Zij deed het voorstel een handelsbank op te richten voor de landen van de derde wereld en verklaarde daarbij: „Als wij werkelijk het imperialisme en kolonialisme de wapens uit handen willen slaan, zullen we gelijkwaardige wapens moeten smeden in de vorm van een valuta die wordt gesteund door de immense economische mogelijkheden van de niet-gebonden landen en andere naties in ontwikkeling.” Zij meende dat de landen van de derde wereld door de instelling van zo’n bank een vinger in de pap van de internationale economie zouden kunnen krijgen, en het monopolie van een paar multinationale privé-banken van de rijke landen zouden kunnen verbreken.
Diezelfde dag borduurde president Kenneth Kaunda van Zambia voort op een algemeen thema: „Wij geloven in machtsdeling als een belangrijke garantie voor vrede binnen de internationale gemeenschap.” Ook andere sprekers riepen op tot een nieuwe economische en sociale orde die de derde wereld een groter aandeel aan de rijkdom van de aarde zou leveren.
De noodzaak van een nieuwe economische orde bleek heel duidelijk uit statistieken die gedetailleerd op de conferentie werden besproken. Zo werd er bijvoorbeeld op gewezen dat in 1970 het armste miljard van de wereldbevolking een jaarinkomen van slechts 275 gulden per persoon ’genoot’, en de bevolking in de ontwikkelde landen een gemiddeld jaarinkomen van rond de 8000 gulden per persoon. Tegen 1980 zo werd berekend, zou dat zelfde miljard arme mensen een onbetekenende 8 gulden meer verdienen, maar elke inwoner van de rijke landen gemiddeld 2300 gulden meer.
Bovendien zijn er in de arme landen elke dag 10.000 mensen die aan honger of gebrekziekten sterven, en wat het onderwijs betreft kan men stellen dat er meer kinderen niet dan wel naar school gaan.
Desondanks worden de uitgebreide hulpbronnen die de wereld zou kunnen aanwenden om al deze noden te lenigen, niet voor opbouwende doeleinden benut, maar voor de vervaardiging van steeds vernietigender wapens. De wereld besteedt nu in totaal 300 miljard dollar per jaar aan bewapening.
En de heer Kurt Waldheim, secretaris-generaal van de Verenigde Naties, erkende in zijn toespraak op de topconferentie: „Er is geen enkele vooruitgang geboekt op het terrein van werkelijke ontwapening, zodat de wapenuitgaven niet zijn teruggedrongen en de hulpbronnen die voor bewapening werden benut, niet voor opbouwender doeleinden zijn aangewend. Integendeel, de tendens neigt een andere richting uit.” Bovendien merkte hij op dat het „gevaar van de verspreiding van kernwapens niet alleen is gebleven maar nog is toegenomen”.
Westerse landen gewaarschuwd
Na vier dagen vergaderen, werd de conferentie besloten. Op de laatste dag nam de derde wereld een boodschap aan die een krachtige waarschuwing inhield voor de rijke landen op aarde. Hun werd aangezegd dat zij een groter deel van hun rijkdom ten behoeve van een nieuwe economische orde moesten inzetten, terwijl bovendien een dringende oproep werd gedaan om meer hulp ten einde de kloof tussen de armen en rijken niet nog wijder te laten worden.
Het rapport meldde dat de economische positie van de landen van de derde wereld de afgelopen jaren is ondermijnd. De gezamenlijke schuld op hun betalingsbalansen is verdrievoudigd. Hun schuld bij de rijke landen loopt in de miljarden dollars. En de omhoogvliegende inflatie verlamt hun pogingen om verbetering te brengen in hun economische situatie.
De New York Times gaf als commentaar: „De niet-gebonden landen zijn er vast van overtuigd dat niets behalve een complete herziening van de internationale economische betrekkingen de ontwikkelingslanden de kans zal geven een aanvaardbaar ontwikkelingsniveau te bereiken.”
De krant meende ook onder een groot deel van deze derde-wereld-landen een ’tendens naar links’ te bespeuren. Het blad voegde hieraan toe: „In Westeuropese en Amerikaanse ogen schijnen de niet-gebonden landen een hoofdzakelijk anti-Westerse en anti-Amerikaanse toon aan te slaan.” In het slot-communiqué wordt bijvoorbeeld de Amerikaanse aanwezigheid in Zuid-Korea veroordeeld, de onafhankelijkheid van Puerto Rico, los van de Verenigde Staten, bepleit, Israël veroordeeld, en hoog opgegeven van „de historische en totale overwinning van het Vietnamese volk in zijn strijd tegen de agressieve Amerikaanse imperialisten”.
Soms werden ook wel de communistische landen door bepaalde sprekers over de hekel gehaald, vanwege hun steun aan ondergrondse bewegingen in de derde wereld; maar vaker toch was de toon van andere aard. U.S. News & World Report bericht: „De V.S. en andere geïndustrialiseerde landen van het Westen bleven de klappen krijgen, en kregen de schuld voor nagenoeg alle economische en politieke kwalen van de arme landen.”
De derde wereld heeft zich dus opnieuw uitgesproken, en opnieuw niet ten gunste van de Westerse landen die de kern vormen van wat wel de „christenheid” wordt genoemd.
[Illustratie op blz. 20]
In deze hal, de Bandaranaike-conferentiezaal in Colombo, Sri Lanka, hielden de „derde wereld”-landen hun meest recente topontmoeting