Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g75 22/3 blz. 12-16
  • Wat de arme landen zeggen

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Wat de arme landen zeggen
  • Ontwaakt! 1975
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • „Verhoor”
  • Groeiende problemen
  • Breder wordende kloof
  • Veranderende houding
  • De „derde wereld” aan het woord
    Ontwaakt! 1977
  • Toenemende armoede — een bedreiging voor allen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1975
  • Hoe ernstig zijn de tekorten?
    Ontwaakt! 1975
  • Gevangenen van de armoede
    Ontwaakt! 1998
Meer weergeven
Ontwaakt! 1975
g75 22/3 blz. 12-16

Wat de arme landen zeggen

NIEMAND wil arm zijn. Toch zijn er thans overal massa’s arme mensen. In veel landen leeft bijna de gehele bevolking in armoede!

Wereldleiders noemen zulke landen „onderontwikkeld”. Maar in werkelijkheid zijn ze arm. Samenvattend worden ze wel de „Derde Wereld” genoemd, in rang komend onder de rijke en de iets minder rijke landen.

Eeuwenlang was de communicatie zo gebrekkig dat de meeste mensen in arme landen onkundig waren van de wijze waarop mensen in rijkere landen leefden. Die situatie is echter veranderd. Overal kunnen nu arme mensen door middel van kranten, tijdschriften, radio en televisie waarnemen hoe „de andere helft” leeft. En zij willen ook op die manier leven.

De wereldsituatie kan erg explosief worden, zo vreest menige autoriteit, wanneer die arme landen steeds hogere eisen gaan stellen. Ja, men vermoedt zelfs dat zij, als hun situatie niet verbetert, wellicht over zullen gaan tot radicale maatregelen om hun problemen op te lossen. Terwijl het ook wel vast staat dat er een definitief eind is gekomen aan de dagen dat men de armen eenvoudig kon zoet houden met te vertellen dat armoede hun „lot” was, iets dat ze passief moesten dragen.

„Verhoor”

In het voorjaar van 1974 ging van de „onderontwikkelde” landen het initiatief uit voor een speciale zitting van de Algemene Vergadering der Verenigde Naties. Deze zitting van drie weken was volledig gewijd aan hun problemen, vooral met betrekking tot het gebruik van hun grondstoffen door de rijkere landen.

Over deze bijeenkomst van de Algemene Vergadering schreef James Reston in de New York Times: „Er vindt hier in het gebouw van de Verenigde Naties ook een soort van verhoor plaats — niet van een mens, maar van een beschaving. Elke dag houden de arme landen hun rijke partners de artikelen van beschuldiging voor.”

Wat zeiden de arme landen? Hun ’artikelen van beschuldiging’ staan op de bladzij hiernaast.

Dit zijn enkele van de grieven die de arme landen koesteren. Ze wijzen ook op de reusachtige overconsumptie en zelfs verspilling waar de rijke landen zich schuldig aan maken. Zo besteedt de wereld nu bijvoorbeeld ruim 500 miljard gulden aan bewapening, grotendeels uitgegeven door de industrielanden. De arme landen denken aan alle dingen die met dat geld zouden kunnen worden gedaan om de situatie binnen hun grenzen te verbeteren — alhoewel ze ook zelf een aanzienlijk deel van hun jaarinkomen aan militaire uitgaven besteden!

Zouden bovendien, zo beklemtonen de arme landen, de Amerikanen één hamburger per week minder eten, dan zou de bespaarde graanhoeveelheid meer zijn dan India per jaar verwacht te importeren. Men schat eveneens dat de kunstmest die Amerikanen nu aan hun gras, struiken en bloemen besteden, al een groot stuk van de nood aan kunstmest zou kunnen lenigen en de Aziaten zou kunnen helpen voldoende eigen voedingsgewassen te telen. Ook de hoeveelheid graan die jaarlijks in de Verenigde Staten wordt gebruikt voor de bereiding van alcoholische dranken, zou volgens landbouwdeskundigen dat zelfde jaar 500.000 mensen in Zuid-Azië in leven kunnen houden.

Maar is het realistisch om te verwachten dat de mensen in de rijke landen zichzelf deze dingen zullen ontzeggen om de armere landen te helpen? James Reston vraagt: „Kunnen de rijke en arme landen op dezelfde voet blijven doorgaan? Kunnen de ontwikkelde landen blijven consumeren en verspillen en enorme hoeveelheden geld voor arbeid blijven vragen zoals dat nu gebeurt — de ellende negerend waarin de meerderheid van de mensenbevolking in de arme landen verkeert?” Ja, zo merkt hij op, de arme landen vragen: „Zullen de grote landen ooit luisteren?” Het antwoord, aldus Reston, is duidelijk: „Nog niet.”

En zo, terwijl de internationale debatten voortduren, neemt het pessimisme toe. Waarom? Omdat de problemen van de meeste arme landen niet tot een oplossing worden gebracht. Integendeel, ze nemen slechts toe.

Groeiende problemen

Ondanks al het praten en pogen om „vooruit” te komen, wordt het aantal arme mensen in de wereld steeds groter. In deze tijd, waarin mensen naar de maan reizen en de krachten van het atoom beheersen, zijn er veel en veel meer hongerige, slecht geklede, slecht behuisde en ongeletterde mensen in de wereld dan ooit tevoren in de geschiedenis! Hoeveel? Kurt Waldheim, secretaris-generaal van de Verenigde Naties, antwoordt:

„De zwaarste aanklacht tegen onze huidige wereldbeschaving wordt gevormd door de nog steeds bestaande grote armoede onder tweederde deel van de wereldbevolking.

Deze armoede doet haar invloed in elke fase van het leven in de ontwikkelingslanden gelden: in de ondervoeding van de kinderen, het uitbreken van ziekten, in de vorm van wijdverbreide werkeloosheid, in de vorm van groot analfabetisme, in overbevolkte steden.”

De huidige wereldbevolking loopt bijna in de vier miljard. Twee-derde hiervan, aldus Waldheim, verkeert in grote armoede. Dat is ongeveer 2.600.000.000 mensen! En de wereldbevolking blijft explosief groeien, vooral in de arme landen. Met de huidige toenamesnelheid zal ze in ongeveer vijfendertig jaar verdubbeld zijn. De Zweedse voedseldeskundige Georg Borgstrom verklaarde dan ook:

„De explosieve toename van het bevolkingscijfer dreigt alle vooruitgang weg te vagen die de mensheid tot nu toe heeft gemaakt en alle menselijke waarden te ondermijnen, door een steeds groter deel van de mensheid in mistroostige armoede te laten wegzinken.

In tegenstelling tot wat algemeen wordt geloofd en ondanks onze tegenmaatregelen, neemt het aantal hongerige, dorstige, arme en ongeletterde mensen meedogenloos toe, zowel absoluut als verhoudingsgewijs.”

India, het op één na volkrijkste land ter wereld, bezit bijna 600 miljoen mensen en krijgt er elk jaar 13 miljoen bij. Een kabinetsminister van dat land schat dat nu bijna tweederde van de Indiase bevolking „aan het allernodigste gebrek heeft”. Dat is ongeveer 400 miljoen mensen! Volgens het verslag hebben deze mensen een gemiddeld inkomen van ongeveer 17 gulden per maand. Het aantal werkelozen op het platteland is de afgelopen twintig jaar verzesvoudigd — van meer dan drie miljoen tot meer dan achttien miljoen. En India komt in steeds moeilijker omstandigheden te verkeren, vanwege slechte oogsten en de dramatisch gestegen kosten van wat het moet invoeren: olie en kunstmest vooral.

Wat ook toeneemt in de wereld is het aantal analfabeten, mensen die niet kunnen lezen of schrijven. Ongeveer driekwart van alle Afrikanen is analfabeet. De helft van Azië is analfabeet. En ongeveer een kwart van alle mensen in Latijns-Amerika is analfabeet.

In sommige landen is de armoede zo dieptragisch en schijnbaar hopeloos geworden dat „het woord ’armoede’ een nieuwe dimensie heeft gekregen”, aldus het tijdschrift Atlantic. Over één Aziatisch land stond in deze publikatie het volgende:

„Men zou zelfs kunnen zeggen dat dit land te ver is afgezakt om het nog bij de strijdende „Derde Wereld”-landen te rangschikken; het is de voorloper van een noodlijdende Vierde Wereld van jonge en behoeftige landen die alleen maar in leven blijven door zware transfusies van buitenlandse hulp. . . .

Zonder internationale schenkingen zouden ze zinken als een baksteen . . . Niemand wil ze of heeft ze nodig.”

Breder wordende kloof

Wat veel autoriteiten verontrust is het verschijnsel dat de meeste arme landen steeds verder bij de rijke achter raken. De inkomens van mensen in Europa en Noord-Amerika liggen een stuk hoger dan die van mensen in arme landen. En de kloof wordt breder, niet smaller.

Zo blijkt bijvoorbeeld uit statistieken van de Verenigde Naties dat in een recente periode van acht jaar het inkomen van de gemiddelde Amerikaanse burger 25-maal zoveel is toegenomen als dat van de gemiddelde Afrikaan; 16-maal zoveel als dat van een Aziaat; en 9-maal zoveel als het loon van de gemiddelde Latijns-Amerikaan.

Hetzelfde geldt met betrekking tot de voedselproduktie. In een recente periode van zes jaar tijds steeg in West-Europa de gemiddelde voedselproduktie met 9 percent per persoon. Terzelfder tijd echter was in Latijns-Amerika en het Nabije Oosten helemaal geen stijging per persoon te constateren, terwijl de produktie in Afrika zelfs met 5 percent afnam. En dit zijn nog cijfers van voor de recente voedseltekorten die in Afrika en delen van Azië rampspoedige gevolgen hadden.

Realistisch is het evenmin wanneer mensen in arme landen de verwachting koesteren dat zij op een goede dag dezelfde gemakken zullen bezitten als de rijke landen. Als alle landen de goederen zouden fabriceren die de Verenigde Staten momenteel fabriceren, dan zou de wereldproduktie van grondstoffen tot fantastische hoogten moeten stijgen. De ijzer- en zinkproduktie bijvoorbeeld zou ongeveer 75-maal hoger moeten liggen dan momenteel het geval is. Er zou 200-maal zoveel lood en 250-maal zoveel tin nodig zijn. Met het oog op het feit dat de aardse hulpbronnen nu al nauwelijks snel genoeg aangesproken kunnen worden om de toenemende eetlust van de industriële wereld te bevredigen, zouden zulke leveranties om de arme landen op gelijke voet met de rijke landen te brengen in de huidige situatie tot de onmogelijkheden behoren.

Kortgeleden hebben de olieproducerende landen hun olieprijzen tot het viervoudige verhoogd. Dit is voor de industrielanden een zware slag gebleken. Maar voor de arme landen was het een regelrechte ramp. Deze landen konden voor die prijsverhoging hun hoofd al nauwelijks boven water houden. Vandaar de opmerking van de Westduitse bondskanselier Helmut Schmidt, die zei: „De ontwikkelingslanden lopen het gevaar drooggelegd te worden. Hun bestaan wordt bedreigd door stijgende olieprijzen.”

Deze grimmige toekomstvisioenen voor de arme landen, ontlokten aan de schrijvers Paul Ehrlich en Dennis Pirages, auteurs van het recente boek Ark II, als commentaar:

„Het is zonneklaar dat het geliefkoosde idee als zouden de [arme landen] op een goede dag gelijk komen aan de geïndustrialiseerde landen niets meer dan een mythe is, gepropageerd door de ’bezitters’ om de ’niet-bezitters’ in het gareel te houden.

De cijfers geven aan dat de kloof tussen de rijke en de arme landen breder en niet smaller wordt.”

Veranderende houding

Overigens heeft deze steeds breder wordende kloof tussen de arme en rijke landen ook voor de rijke landen ernstige gevolgen. En wel vanwege het feit dat ze voor hun grondstoffen in toenemende mate afhankelijk zijn van de arme landen van de „Derde Wereld”. En deze landen zijn anders gaan staan tegenover het gebruik en de betaling van hun grondstoffen.

Een voorbeeld hiervan was de actie die door de onderontwikkelde olielanden werd ondernomen met nog lang nawerkende schokgolven door de economieën van de industrielanden als gevolg. Decennia lang hadden de niet zo rijke olielanden hun olie tegen een betrekkelijk laag prijsje van de hand moeten doen. Maar daar kwam verandering in toen deze landen kortgeleden de hoofden bij elkaar staken en gezamenlijk besloten de prijs tot het viervoudige te verhogen. De sjah van Perzië omschreef deze verandering van houding als volgt: „Het tijdperk van goedkope olie is voorbij. Waaraan we nog moeten toevoegen dat ook het tijdperk van uitbuiting voorbij is.”

Na nog eens te hebben geresumeerd wat er met de olieprijzen was gebeurd, verklaarde kanselier Schmidt van West-Duitsland: „De strijd over de olieprijzen zal misschien morgen worden gevolgd door een soortgelijke strijd over de prijzen van andere belangrijke grondstoffen.” Die zienswijze werd bevestigd toen de eerste minister van Jamaica, een land dat rijk is aan bauxiet (aluminiumerts), verklaarde:

„De onderontwikkelde landen kunnen niet langer op de oude basis grondstoffen aan de ontwikkelde landen blijven leveren, terwijl het in een inflatiewereld belangrijk is de waarde van grondstoffen te koppelen aan de waarde van gereedgekomen produkten.”

De arme landen hebben de rijke volkeren der aarde voor een duidelijk probleem gesteld. Niet langer zullen zij passief akkoord gaan met dat wat de industrielanden twintig jaar lang als vanzelfsprekend hebben aangenomen: dat ze uit de arme landen altijd net zoveel goedkope grondstoffen konden krijgen als ze wilden. Dat is niet langer het geval.

De arme landen hebben echter één probleem: voor het merendeel zijn ze niet gezegend met een overvloed aan grondstoffen. De meeste arme landen hebben gebrek aan olie en mineralen. Het zijn voornamelijk landbouwstaten, landen dus die in slechte jaren niets hebben om op terug te vallen, geen bepaalde grondstoffen om aan andere landen te kunnen verkopen. Met het gevolg dat ze in slechte jaren geen geld hebben om voedsel en andere noodzakelijke produkten te kunnen kopen. Dat is de situatie waarin thans diverse Afrikaanse, Aziatische en Latijns-Amerikaanse landen verkeren.

Zo schreef in een arm land een woedende dichter: „Hoe verdragen we de hete zon? Door ons erdoor te laten verbranden. Hoe beschermen we onszelf tegen regen? Door ons te laten doorweken. Hoe houden we de honger weg? Door honger te lijden. Hoe genezen we ziekten? Door de Dood.”

Hoe duidelijk is het dat het huidige systeem op aarde niet werkt! De mensheid heeft dringend behoefte aan een nieuw systeem, een nieuw samenstel van dingen, dat alle mensen op aarde met voldoende kan zegenen. Slechts Gods komende nieuwe ordening kan en zal dat doen.

[Kader op blz. 13]

’ARTIKELEN VAN BESCHULDIGING TEGEN DE RIJKE LANDEN’

(1) Ongeveer één op de drie kinderen die in arme landen wordt geboren, sterft voordat hij vijf jaar oud is;

(2) De kinderen die in leven blijven, wacht „een leven van beroving, wanhoop en ontaarding. Een zware maar, genadiglijk, korte strijd, aangezien hun levensverwachting niet boven de dertig jaar uitkomt”, aldus Dr. Mubashir Hasan, de Pakistaanse minister van financiën;

(3) De om zich heen grijpende catastrofe die ten gevolge van droogte en wanbeheer steeds meer Afrikaanse landen in zijn greep krijgt, gaat de verbeelding van de ontwikkelde landen te boven. Het is ook een aanklacht tegen de Verenigde Naties, die in hun Handvest hebben beloofd te zullen werken aan de bevordering van „hogere levensstandaarden, arbeid voor allen en voorwaarden van economische en sociale vooruitgang en ontwikkeling”.

(4) De landen van het voorheen genoemde Christelijke Westen en nu het Industriële Westen genoemd, ofte wel de Ontwikkelde of Rijke Wereld, spelen een bedrieglijk spel met de arme landen. Hoe? Door zeer goedkoop grondstoffen en andere produkten van de arme landen te kopen en daaruit vervaardigde produkten tegen een zeer hoge prijs te verkopen;

(5) De rijke landen betalen hun arbeiders tien- tot twintigmaal zoveel als arbeiders in arme landen krijgen uitgekeerd. Was de arbeidsbeloning ruwweg gelijk, dan zouden de arme landen elk jaar ongeveer 250 miljard dollar meer voor hun werk en produkten ontvangen.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen