Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g74 8/11 blz. 10-13
  • De verdwijnende Jezuïeten

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • De verdwijnende Jezuïeten
  • Ontwaakt! 1974
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Een blik in de geschiedenis van de orde
  • Succes schept problemen
  • De thans geheel andere situatie?
  • Oorzaak van het probleem
  • De jezuïeten — ’Alles voor alle soorten van mensen’?
    Ontwaakt! 1992
  • Hoe vele Jezuïeten hun Kerk bezien
    Ontwaakt! 1972
  • Een jezuïet vindt de waarheid
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1983
  • De zendelingen van de christenheid gaan terug naar waar het allemaal begon
    Ontwaakt! 1994
Meer weergeven
Ontwaakt! 1974
g74 8/11 blz. 10-13

De verdwijnende Jezuïeten

IN HET nieuws komen is voor de Jezuïeten niet nieuw. Reeds lang dragen ze de naam ’het eerste Legioen’ en ’de Stoottroepen van de Kerk’ te zijn. Thans verschijnen er in de kranten echter geheel andere berichten over deze sterkste en, voor vele niet-religieuze waarnemers, een van de interessantste rooms-katholieke orden.

Ook veel jezuïeten zelf geven thans uiting aan hun bevreesdheid — bevreesdheid voor het verdwijnen van de orde. Waarop die vrees is gebaseerd?

Onder meer op hun slinkende aantal. In 1966 waren er over de gehele wereld meer dan 35.000 leden: lekenbroeders, scholastieken en priesters. Nu zijn er nog ongeveer 31.000. Prominente ordeleden behoren tot de uitgetredenen. En alles wijst erop dat deze dalende tendens zich zal voortzetten. In Amerika hebben de Jezuïeten hun seminaries reeds van vijf tot drie verminderd, wegens gebrek aan studenten.

Een blik in de geschiedenis van de orde

De Sociëteit van Jezus, zoals de officiële naam luidt, werd in het jaar 1540 door Ignatius van Loyola gesticht. Vanaf het allereerste begin hebben de Jezuïeten een unieke plaats onder de religieuze orden in de katholieke Kerk ingenomen. De meeste bestaande orden waren van beschouwende aard, en legden de nadruk op gebed en het leiden van een kloosterleven. Ignatius’ Sociëteit daarentegen, was in het leven geroepen voor actie. Ze was de eerste orde in de Kerk die zich speciaal in dienst stelde van de paus, en bereid was zich aan elk werk te wijden dat hij in gedachten had. Tot de jezuïetengeloften behoren derhalve niet alleen die van armoede en zuiverheid — speciale nadruk wordt ook gelegd op de geloften van gehoorzaamheid aan de paus. Voor de uitvoering van een opdracht van zo algemene strekking was iets nodig, en Ignatius wist wat: soepelheid en aanpassingsvermogen.

De Jezuïeten zouden de gehele wereld doorgaan, zich met allerlei soorten van werk gaan bezighouden en zich niet beperkt voelen tot het verrichten van louter ’priesterlijke taken’. Om die aanpassing gemakkelijker te maken, liet men een speciaal eigen ordekleed, zoals door monniken en paters van andere orden werd gedragen, vrijwel geheel achterwege. Overal drongen de jezuïeten binnen, en overal kon men hen aantreffen, in de zakenwereld, in kunstenaarskringen, het sociale werk en op tal van andere posten. Op twee terreinen hebben zij zich echter in het bijzonder onderscheiden.

Daarbij denken we dan in de eerste plaats aan het terrein van de zending — hun werk in Azië, Afrika en de beide Amerika’s is wat dat betreft wel bijna legendarisch te noemen. En ten tweede aan het terrein van het onderwijs. Zij genieten grote bekendheid als onderwijzers en intellectuelen. Zelfs hun critici moeten toegeven dat een jezuïetenopleiding een zeer verkieslijke opleiding is.

Wat voor werk de Jezuïeten ook ter hand hebben genomen, het werd in de regel uitstekend verricht. Interessant is dan te moeten opmerken dat juist dit succes hen de meeste problemen heeft bezorgd. Hoe?

Succes schept problemen

Voor veel protestanten zijn de Jezuïeten weinig meer geweest dan een zeer subtiel werkend, maar machtig en succesvol instrument van Rome. En er kan inderdaad niet worden ontkend dat hun bestaan ten dele was gericht tegen de protestantse Reformatie. De overleden Joseph de Guibert (zelf een jezuïet) merkte dienaangaande op: „Het staat natuurlijk zonder meer vast dat Ignatius een grote angst had voor het Protestantisme. Resoluut was hij gekant tegen elke neiging om er gelijkvormig aan te worden of er op goede voet mee te staan.”

Met hun populariteit joegen zij anderen tegen zich in het harnas. Bij het aan de macht komen van dictators of communistische regeringen waren de Jezuïeten vaak de eersten die het moesten ontgelden, vanwege hun invloed, maar soms ook vanwege de sterke relaties die zij met het Vaticaan onderhielden — althans waarvan werd gedacht dat zij die onderhielden. Want dit laatste was lang niet altijd waar. Vooral de afgelopen decennia zijn veel jezuïeten met grote vrijheid en zelfs enigszins onafhankelijk van het Vaticaan opgetreden.

Hun successen bezorgden hen soms vijanden tot in de katholieke Kerk zelf toe! Zo sterk werd zelfs de druk dat zij tussen 1773 en 1814 door de paus verboden waren. Waaraan die diepgewortelde interkerkelijke haat was te wijten? Voornamelijk aan jaloezie. Hun leuze: „Tot meerdere glorie van God”, impliceerde dat zij meer wilden doen dan de andere, reeds bestaande religieuze orden. Een dergelijke geest geniet niet altijd de meest gunstige ontvangst, zelfs niet onder „vrienden”.

Problemen en tegenstand zijn dus voor de Sociëteit van Jezus niet nieuw, en het zou natuurlijk betrekkelijk gemakkelijk zijn de huidige moeilijkheden af te doen als variaties op een al eeuwenoud thema. Zulk een houding kan echter gevaarlijk zijn. Waarom? Omdat de situatie thans geheel anders ligt dan in het verleden.

De thans geheel andere situatie?

Thans kan het voorkomen dat jezuïeten heftige politieke rivalen van elkaar zijn. Zo zijn er bijvoorbeeld momenteel twee jezuïeten die een vooraanstaande Amerikaanse regeringspositie bekleden. De ene, Dr. J. McLaughlin, beschuldigt de ander, afgevaardigde R. F. Drinan, ervan ’de gerechtigheid weg te nemen’ en „dezelfde soort van onpartijdigheid” te bezitten als „het Sanhedrin ten aanzien van Christus had”.

De burgerrecht-betogingen in de jaren zestig en het begin van de jaren zeventig hebben mede een scheiding gebracht in de jezuïetengelederen. Nadat bijvoorbeeld tegen de jezuïet Dan Berrigan de beschuldiging was geuit dat hij het plan had gehad een Amerikaanse regeringsfunctionaris te ontvoeren, stond er in een New York Times-verslag te lezen dat enkele oudere leden van zijn orde „woedend hadden aangedrongen op zijn verwijdering uit de orde”, terwijl daarnaast „jongere priesters, die de Berrigans hebben gesteund, hun ongeloof hebben uitgesproken in de betrouwbaarheid van de beschuldigingen”. Soortgelijke politieke verdeeldheid onder de Jezuïeten bestaat thans ook op de Filippijnen.

Tevens lopen de opvattingen omtrent morele aangelegenheden sterk uiteen. De jezuïet J. McNeill keurt homoseksualiteit openlijk goed en zou zelfs volledig instemmen met een bepaalde vorm van een, zoals hij het noemde, homoseksuele ’verenigingsceremonie’. Zulke uitspraken zijn vaak een bron van droefenis voor conservatievere leden.

De verdeeldheid in de orde is thans zelfs zover doorgewoekerd dat jezuïet K. Baker, redacteur van een kerkelijk, pastoraal blad, verzuchtte: „Als je tien jaar geleden een mede-jezuïet ontmoette, wist je dat je met een broeder te maken had, dat zijn ervaringen en gedachten gelijk waren aan die van jou. Als je nu voor de eerste maal een jezuïet ontmoet, dan ontstaat er net zoiets als de huwelijksdans van een krab — tastend en zoekend proberen uit te vinden of de ander een mannetje of een vrouwtje is.”

Aan de huidige verwarde situatie zit bovendien nog een geheel ander facet, namelijk dat nu, in tegenstelling tot het verleden — toen de Kerk zelf hecht en sterk was, ook al hadden de jezuïeten problemen — het gehele rooms-katholieke, kerkelijke instituut in moeilijkheden verkeert. Een van de bekendste jezuïetengeleerden, J. L. McKenzie, merkte op dat de kerkelijke hiërarchie, d.w.z. de priesterschap, haar macht heeft verloren en „in paniek achter de feiten aanloopt”. Meer jezuïeten dan ooit hebben kritiek op de Kerk die zij hebben gezworen te zullen dienen.

Lijkt het derhalve verstandig om de huidige achteruitgang van de orde louter te zien als een zich herhalend patroon uit het verleden? Nauwelijks. Maar wat ligt nu speciaal ten grondslag aan de achteruitgang bij de Jezuïeten — afgezien dus van de algemene problemen waarmee de Kerk te kampen heeft?

Oorzaak van het probleem

Men zou kunnen zeggen dat het „jezuïtisme”, het speciale dat de Jezuïeten als orde onderscheidt, snel aan het verdwijnen is. In welk opzicht?

Wel, de Sociëteit van Jezus heeft door haar activiteiten altijd getracht de woorden van Jezus over zijn volgelingen op haarzelf van toepassing te doen zijn, namelijk: in de wereld te zijn, maar er geen deel van te vormen’ (Joh. 17:11-16). Dat is stellig geen geringe opgaaf. Men loopt bij het volgen van deze twee roepingen — priester zijn en zich nog actief op enig ander, werelds, terrein bezighouden — altijd het gevaar dat de priesterfunctie op de tweede plaats gaat komen. En wanneer dat gebeurt, waar blijft dan het onderscheid tussen de jezuïet en de gewone leek die hetzelfde beroep uitoefent? Dat is er dan niet meer. Is dit werkelijk gebeurd? Collega-geestelijken schijnen te menen van wel.

Neem bijvoorbeeld de recensie in het katholieke tijdschrift Commonweal over het boek The New Jesuits (De nieuwe jezuïeten) dat in 1971 van de hand van G. Riemer verscheen. Het boek vormt in feite een reeks van interviews met elf intelligente jezuïeten, die op verschillende terreinen in het dagelijks leven werkzaam zijn. Tot welke conclusie kwam de recensent J. L’Heureux? Wij lezen:

„Nergens in het boek . . . vindt men ook maar enige aanwijzing omtrent de vraag waarom deze mannen priesters of jezuïeten zijn. Met al dat gepraat over allerlei soorten van priesters (priester-beeldhouwer, priester-rechter, priester-politicus), gaan we ons wel afvragen wat er nu wordt bedoeld met dat wat vóór het streepje staat. Is priester zijn eenvoudig iets wat je bent, zoals je ook Ier, blank of dik kunt zijn? Is Jezuïet zijn net zoiets als lid zijn van een exclusieve mannenclub? Is men door het priesterschap en de orde niet een ander mens . . .?”

Wie zou willen ontkennen dat deze recensent redelijke vragen stelt? Wijzen zijn opmerkingen er niet op dat de jezuïeten niet langer eenvoudig alleen maar in de wereld zijn, maar er in plaats daarvan een wezenlijk en functionerend deel van uitmaken?

Dat de orde inderdaad een deel van de wereld is, moge verder nog blijken uit een verklaring van het hoofd van de orde, de generale overste Pedro Arrupe, die opmerkte: „Het verschijnsel” van problemen en moeilijkheden in verband met de orde, „verliest wat van zijn vreemde aspect als we het rechtstreeks plaatsen in het raamwerk van alles wat er in de wereld gaande is, en het niet meer louter zien door een kerkelijke bril.” [Wij cursiveerden.] Blijkt uit deze erkenning van de generale overste niet dat de orde zich in sociaal en moreel opzicht zo met de wereld heeft verbonden, dat ze lijdt zoals de wereld lijdt?

Oprechte jezuïeten weten dat deze vragen niet uit strijdlust of kwaadwilligheid worden gesteld. Zij worden integendeel gesteld om tot zelfonderzoek te stimuleren, iets wat in deze unieke tijd zo belangrijk, ja van levensbelang is.

Welke jezuïet herinnert zich niet de woorden van Jezus in zijn Bergrede? Hij zei tot zijn volgelingen: „Gij zijt het zout der aarde; maar als het zout zijn kracht verliest, hoe zal het dan zijn zoutheid terugkrijgen? Het is nergens meer bruikbaar voor dan om naar buiten geworpen te worden ten einde door de mensen te worden vertrapt.” — Matth. 5:13.

Wanneer elk onderscheid tussen Jezuïeten en wereld verdwenen is, hoe kunnen zij dan nog als zout zijn, een werkelijk instrument om de aarde te behoeden voor moreel verval? Dat is niet mogelijk. Deze woorden van Jezus verdienen daarom speciale aandacht, omdat niemand tot een organisatie zal willen behoren die ’wordt vertrapt’.

Dit zelfonderzoek waar de huidige situatie om vraagt, is vanzelfsprekend niet gemakkelijk. Maar voor elkeen die oprecht geïnteresseerd is in „de meerdere glorie van God”, is het toch een absolute noodzaak.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen