Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w83 15/2 blz. 10-15
  • Een jezuïet vindt de waarheid

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Een jezuïet vindt de waarheid
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1983
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Jeugdjaren in katholiek Spanje
  • Gearresteerd wegens gewetensbezwaren
  • Zware opleiding tot jezuïet
  • Mijn eerste twijfels
  • Een uitdaging voor mijn katholieke theologie
  • Ik word bezocht door Boliviaanse Getuigen
  • Katholiek dogma contra bijbelse leer
  • Een verrassing voor mijn superieuren
  • Eindelijk vrij!
  • Menselijke theologie „een hoop vuil”
  • De jezuïeten — ’Alles voor alle soorten van mensen’?
    Ontwaakt! 1992
  • Hoe vele Jezuïeten hun Kerk bezien
    Ontwaakt! 1972
  • De verdwijnende Jezuïeten
    Ontwaakt! 1974
  • Hun zoeken naar ware religie beloond
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1973
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1983
w83 15/2 blz. 10-15

Een jezuïet vindt de waarheid

Zoals verteld door Julio Iniesta García

WAAR denkt u aan bij het woord „jezuïet”? Bij veel mensen roept het een onmiddellijke reactie op, variërend van diep respect tot volstrekte afkeer. Voor de gemiddelde katholiek is het synoniem met een zeer gedisciplineerde groep priester-onderwijzers en missionarissen. Voor veel niet-katholieken heeft het de bijbetekenis die sommige woordenboeken geven: ’iemand met geheime bedoelingen, sluwe intrigant, huichelaar.’

Tot november 1977 was ik een geordineerd priester van de Sociëteit van Jezus, of van de jezuïeten, zoals zij meestal genoemd worden. Toen trad ik uit. Misschien wilt u wel weten waarom ik jezuïet werd en wat mij ertoe bracht na vijfentwintig jaar het priesterschap vaarwel te zeggen.

Jeugdjaren in katholiek Spanje

Ik ben geboren in het voorjaar van 1918, als derde kind in een gezin met uiteindelijk tien kinderen. Mijn vader bezat een bar-restaurant, Nigeria genaamd, in Murcia, in het zuidoosten van Spanje. Zoals bijna elke Spanjaard in die tijd kreeg ik een normale katholieke religieuze opvoeding, inclusief het bijwonen van de mis op zondag en de biecht op vrijdag.

Als jongere was ik geestelijk rusteloos en koesterde ik het sterke verlangen God en mijn medemens te dienen. Daarom besloot ik me aan te sluiten bij de congregatie der marianisten in Murcia. Dit was een groep jonge mensen, voornamelijk studenten aan de universiteit en middelbare scholieren, die onder leiding stond van jezuïeten. Mettertijd werd ik tot woordvoerder voor de missies benoemd en kreeg ik een intens verlangen om missionaris te worden. Kort daarna overtuigden de bittere ervaringen van de Spaanse Burgeroorlog mij nog sterker van de noodzaak God en mijn medemensen te dienen.

Gearresteerd wegens gewetensbezwaren

Toen kwam 1936 en daarmee het uitbreken van de Spaanse Burgeroorlog. Op achttienjarige leeftijd werd ik opgeroepen om een regime te verdedigen dat naar mijn mening atheïstisch was. Daar ik het onmenselijk vond de wapens op te nemen tegen mijn katholieke broeders, weigerde ik aan de oproep voor militaire dienst gehoor te geven. Het gevolg was dat ik werd gearresteerd en later tot twintig jaar dwangarbeid werd veroordeeld. Zo stond ik op achttienjarige leeftijd dus voor wat een eeuwigdurende gevangenisstraf leek. Na enkele maanden werd ik overgebracht naar een kamp voor dwangarbeiders in San Pablo de los Montes, in de provincie Toledo in Midden-Spanje.

Nadat ik daar achttien maanden doorgebracht had, half verhongerd en onder de voortdurende dreiging van de dood, behaalden Franco’s troepen de overwinning en werden wij vrijgelaten. Zeer opgelucht kwam ik weer thuis, in Murcia.

Ik had veel moeten doorstaan en had ook anderen zien lijden, maar mijn geloof in God had ik niet verloren. Met zo veel kwaad in de wereld was mijn verlangen om als missionaris te dienen zelfs nog krachtiger geworden. Door mijn contact met de jezuïeten stelde ik mij ten doel mij het voorrecht waardig te betonen in die Sociëteit opgenomen te worden. Dit was niet gemakkelijk te bereiken. De discipline van de jezuïeten schrijft de geloften van gehoorzaamheid, armoede en kuisheid voor. Ik nam het op me een celibatair leven te leiden, ook al had ik de natuurlijke verlangens van elke jongeman. Bovenal wilde ik God dienen en missionaris worden.

Zware opleiding tot jezuïet

In 1947 onderwierpen de jezuïetenpaters me aan verscheidene beproevingen op mijn gehoorzaamheid en nederigheid om te zien of ik ervoor in aanmerking kwam als novice in te treden. Tot mijn vreugde werd ik aanvaard en ingewijd in het gedisciplineerde leven van de Sociëteit van Jezus. Eindelijk — ik liep al tegen de dertig — was ik op weg om missionaris te worden, hoewel ik nog wel twaalf jaar van zware studie en strenge karakterproeven voor de boeg had.

Zo moest ik tijdens mijn eerste twee jaar als novice dertig dagen lang vuil werk doen, zoals het schrobben van vloeren en schoonmaken van toiletten. Ik herinner me nog de keer dat ik eindelijk klaar was met het schrobben van een vloer en er een „broeder” kwam om mijn werk te inspecteren. Om mijn nederigheid en gehoorzaamheid te testen, schopte hij met opzet de emmer met vuil water om zodat ik weer helemaal opnieuw moest beginnen.

Dertig dagen lang trok ik samen met een andere novice door de dorpen, en wij leefden van de aalmoezen die ons werden gegeven. Nog een periode van dertig dagen werd besteed aan werk in een ziekenhuis, onder personen die aan besmettelijke ziekten leden.

In 1949 ging ik studeren aan seminaries in San Cugat del Vallés, Barcelona, en Buenos Aires, Argentinië. Mijn studie omvatte lessen in filosofie, psychologie, theologie, moraliteit en het priesterschap. In die periode kreeg ik mijn eerste missietoewijzing, als onderwijzer aan de San Calixtusschool in La Paz, Bolivia.

Ten slotte, op negenendertigjarige leeftijd, kwam de langverwachte dag van mijn wijding als jezuïetenpriester, op 29 juli 1957. Op die dag wierp ik mij, in aanwezigheid van de bisschop van het diocees, neer op de vloer van de kerk van de theologische faculteit in San Cugat del Vallés, als teken van onderwerping en gehoorzaamheid.

Ik keerde terug naar Bolivia, waar ik verkoos onder de armeren te werken, en werd als parochiepriester toegewezen aan Uncía, een mijnwerkersgemeenschap hoog in het Andesgebergte. Later diende ik in Cochabamba als parochiepriester van Santa Vera-Cruz. Door mijn werk raakte ik bij het onderwijs betrokken en ik heb kunnen meewerken aan de oprichting van zeven lagere en middelbare scholen voor de armen. In 1972 kreeg ik weer een verandering van toewijzing; deze keer ging ik naar de stad Sucre en de parochie van San Miguel.

Mijn eerste twijfels

Tijdens mijn werk in de arme parochies van Bolivia begon ik twijfels te krijgen. In eerste instantie betroffen die niet de Kerk maar haar vertegenwoordigers. Zo moest ik elke maand de plaatselijke bisschop een bepaald percentage overhandigen van de collectes en ontvangen betalingen voor speciale missen, huwelijksvoltrekkingen, begrafenissen, enzovoort. Daar mijn parochie arm was, was het deel voor de bisschop nooit erg indrukwekkend. Ik was altijd pijnlijk getroffen als hij dan de envelop openmaakte en verachtelijk zei: „Is dit de miserabele bijdrage die je me brengt?” Klaarblijkelijk telden de ’twee penningen van de weduwe’ niet bij hem. — Luk. 21:1-4, Petrus-Canisiusvertaling.

Ik wilde mijn parochianen niets in rekening brengen voor de religieuze diensten die ik hun verleende, en dit werd een bron van conflicten. Ik was me scherp bewust van wat ik in de Evangeliën had gelezen: „Om niet hebt gij ontvangen; geeft om niet” (Matth. 10:8, PC). Maar, zo werd mij gezegd, deze revolutionaire stap was niet toegestaan, „om geen afbreuk te doen aan de belangen van medepriesters” in andere parochies.

Nog een factor die mij stoorde, was de bereidheid van de hiërarchie om plaatselijke heidense ideeën en gebruiken te accepteren en toe te laten bij de aanbidding van de Cristo de la Vera-Cruz (de Christus van het Ware Kruis), het beeld dat in mijn parochiekerk stond. In veel gevallen was het een volslagen manifestatie van demonisch fanatisme. Bovendien gingen deze religieuze feesten vaak van dronkenschap vergezeld, maar er werd geen officiële stem tegen dit heidense bacchanaal verheven.

Na vijf jaar in Sucre te hebben gewerkt, vroeg ik toestemming om mijn zieke vader in Spanje te mogen bezoeken. Stelt u zich mijn verbazing voor toen ik bij aankomst in Barcelona hoorde dat mijn zusters, Lola (Dolores) en Angelita (Angeles), de bijbel bestudeerden met een groep christenen die Jehovah’s Getuigen heetten. Vooral de verandering bij Lola maakte indruk op me omdat zij nooit veel aandacht aan geestelijke zaken had besteed, en nu was zij warempel de bijbel aan het bestuderen! Daar ik in Bolivia niet met de Getuigen in aanraking was gekomen, besloot ik hun leer te onderzoeken. Mijn zusters gaven mij het boekje „Vergewist u van alles, houdt vast aan dat wat voortreffelijk is”, dat ik onmiddellijk las. Ik was aangenaam verrast toen ik zag dat de Getuigen hun overtuiging volledig op de bijbel baseren. Vanaf mijn jeugdjaren had ik altijd eerbied gehad voor de bijbel en hem als basis voor mijn dagelijkse meditatie gebruikt in plaats van de geschriften van de kerkvaders of de „heiligenlevens”.

Een uitdaging voor mijn katholieke theologie

Nu wilde ik de Getuigen in actie zien, om te kijken of zij dat wat zij predikten ook in praktijk brachten. Mijn zusters nodigden mij uit mee te gaan naar de Koninkrijkszaal, waar de plaatselijke Getuigen hun vergaderingen hebben. Ik woonde die eerste vergadering vol nieuwsgierigheid en met niet weinig scepticisme bij. Maar mijn reactie was zeer positief. Ik was diep onder de indruk bij het zien van die nederige mannen, vrouwen en kinderen die er bovenal naar streefden de wil van God te doen. Wat ik in Bolivia niet had kunnen opbouwen, zag ik hier met eigen ogen — een groep oprechte christenen. Dit moest wel het werk van de heilige geest zijn.

Hoewel ik het met veel van wat ik in hun boek had gelezen eens was, waren er verscheidene leerstellingen die ik niet kon aanvaarden. Ik werd voorgesteld aan een van de ouderlingen in de gemeente, Enrique Lleida, een man van voor in de vijftig en destijds arbeider in een chemische fabriek. Ik herinner me dat we een lang gesprek hadden in zijn auto en daar kwam ik met mijn voornaamste bezwaren tegen de leer van de Getuigen. In tegenstelling tot Jehovah’s Getuigen was ik overtuigd van de lichamelijke aanwezigheid van Christus in de hostie (het brood) bij de mis, en ik geloofde ook dat mijn ziel eens bij Christus zou zijn, die ook God was. Eén gesprek was niet voldoende om mijn twijfels weg te nemen. Omstreeks die tijd stierf mijn vader echter en ik keerde naar Bolivia terug.

Ik word bezocht door Boliviaanse Getuigen

Op eigen verzoek kreeg ik weer een verandering van toewijzing en werd teruggezonden naar de parochie van Santa Vera-Cruz in Cochabamba. Daar nam ik opnieuw het besluit de waarheid te zoeken en ’me van alles te vergewissen’ om het te vermijden een misstap te doen (1 Thess. 5:21). Twee nederige Boliviaanse Getuigen kwamen me bezoeken. Het waren Ginés Navarro, een Spanjaard uit Catalonië, en Ariel Araoz, een geboren Boliviaan. Ik was onder de indruk van hun nederigheid en overtuiging. Zij probeerden me niet in een verhit debat te betrekken, wat ik op prijs stelde; wij hielden ons veeleer bezig met een eenvoudige uitwisseling van meningen.

Ondanks mijn drukke parochiewerk werden er regelingen voor me getroffen om met een systematische studie van de bijbel te beginnen aan de hand van het boek „Vergewist u van alles, houdt vast aan dat wat voortreffelijk is”. Menige avond richtte ik na de mis mijn schreden naar de Koninkrijkszaal, waar ik het heerlijk vond het Goddelijke Woord te horen en De Wachttoren te bestuderen.

Katholiek dogma contra bijbelse leer

Misschien was een van de leerstellingen die ik het gemakkelijkst kon laten varen wel die van de onsterfelijke ziel met alle consequenties daarvan (pijniging in het hellevuur, vagevuur, voorgeborchte, enzovoort). Een heel simpele tekst baande de weg voor me. Het was Genesis 2:7, waar staat: „En de Here God vormde de mens uit het slijk van de aarde, en ademde in zijn gezicht de adem des levens; en de mens werd een levende ziel” (Douay). Het verslag zegt niet dat de mens een levende ziel kreeg, die bij zijn dood zou voortleven maar dat hij er een werd. Dus, zo redeneerde ik, ben ik een ziel. Dit kwam prachtig overeen met de vertaling in het Spaans van 1 Korinthiërs 15:45 door José María Bóver, een van mijn hoogleraren aan het San Cugat-seminarie. Die tekst luidt: „Zo staat er ook geschreven: ’De eerste mens, Adam, werd tot een levende ziel gemaakt.’” De sterfelijkheid van de ziel werd ruimschoots bevestigd toen ik Numeri 23:10 nakeek in de Spaanse Bóver-Cantera-bijbel, want die tekst luidt: „Moge mijn ziel de dood der rechtvaardigen sterven!”

De grootste slag kwam toen ik besefte dat Christus God niet is en niet zou kunnen zijn, zoals in de Drieëenheid wordt geleerd. De tekst in Johannes 1:1 was mijn steunpilaar, totdat ik de Griekse tekst nader onderzocht en besefte dat Christus goddelijk kon zijn, dat wil zeggen van goddelijke oorsprong, zonder God de Almachtige te zijn. Dit, gecombineerd met andere teksten, hielp mij Jezus’ rol beter te begrijpen, als ondergeschikt aan zijn Vader en altijd werkend tot lof van zijn Vader. — 1 Kor. 15:28; Joh. 14:28; Matth. 24:36.

Met dit eenvoudige licht uit de Heilige Schrift en nader onderzoek vond ik de weg uit de theologische duisternis die mij zoveel jaren had verblind. Ik realiseerde me dat al mijn vergevorderde studies in theologie en filosofie niet de praktische vruchten van authentiek christendom hadden afgeworpen. Die vruchten kon ik in de katholieke Kerk niet vinden. — Matth. 7:16, 17; Gal. 5:22, 23.

Een verrassing voor mijn superieuren

Ik raakte ervan overtuigd dat de katholieke Kerk in de loop der eeuwen van de bijbelse waarheid was afgeweken en die had vervangen door menselijke overleveringen en filosofie, en dat het niet alleen mensen waren, de personen op zich, die te kort schoten. Ik besefte dan ook dat ik in mijn hart geen katholiek meer was.

Ik besloot mijn ontslag persoonlijk in te dienen bij de provinciaal van de Sociëteit van Jezus en om ontheffing van mijn geloften te vragen. Wat een verrassing voor hem toen hij mijn verzoek hoorde! Hij vroeg me of de reden de wens was om te trouwen. Ik vertelde hem dat dit niet zo was, want de gedachte daaraan was destijds niet bij me opgekomen. (Toen ik eenmaal een gedoopte Getuige was geworden, veranderde die situatie echter en in oktober 1978 trouwde ik met een lieve christelijke weduwe.) Hij zei onder meer: „Julio, ik heb jou altijd als een evenwichtig mens beschouwd. Maar nu lijkt het wel alsof je eens naar een psychiater moet.”

Wij hadden een lang gesprek, waarin ik mijn argumenten in verband met de gebreken van de Kerk te berde bracht. Zijn antwoord luidde: „Ik geef veel van de dingen die je zegt toe, maar denk je niet dat het juist daarom je plicht is in de Kerk te blijven, zodat je, samen met anderen, kunt proberen de dwalingen van de Kerk te corrigeren?”

Mijn reactie was: „Als al die dwalingen gebaseerd zijn op een leer die onfeilbaar heet, dan is het onmogelijk die dwalingen te corrigeren, daar het eerste dat uit de weg geruimd zou moeten worden de onfeilbaarheid is.” Daarop vervolgde ik: „Kijk, ik heb hier diep over nagedacht en ik heb geprobeerd het Evangelie in praktijk te brengen. Ik heb gezien dat het onmogelijk is omdat de kerkelijke autoriteiten me vragen dingen te doen die ermee in strijd zijn. Zou het dan, omdat ik de Kerk niet kan verbeteren of veranderen, niet beter zijn van kerk te veranderen? Als ik de Kerk niet kan verbeteren, is het beter ze te verlaten en de ware kerk te zoeken.”

Later sprak ik opnieuw met de provinciaal over mijn voornemen om uit te treden. Hij vroeg mij er nog eens over na te denken. Verder uitstel was nu onmogelijk en ik stelde hem voor een ultimatum: Sta mij toe naar Spanje terug te keren om deze kwestie, die van invloed is op mijn eeuwige leven, diepgaand te bestuderen; anders zal ik mijn parochie verlaten en bij Jehovah’s Getuigen in Bolivia gaan wonen om daar de zaak verder te onderzoeken.

Dit laatste voorstel was voor hen ondenkbaar omdat het in religieuze kringen in Bolivia zoveel opschudding teweeg zou brengen. Uiteindelijk werd mij toestemming verleend om naar Spanje terug te keren om bij mijn zuster Lola te gaan wonen.

Eindelijk vrij!

Toen ik eenmaal in Spanje was aangekomen, in december 1976, stopte ik met alle katholieke religieuze gewoonten en begon een nieuw leven met de christelijke getuigen van Jehovah. Deze drastische verandering bracht problemen met zich mee. Wie zou een achtenvijftig jaar oude ex-jezuïetenpriester werk willen geven in Spanje? Uiteindelijk kreeg ik werk als privé-leraar, waarnaast ik nog een kleine zaak drijf. Ik heb voldoende voor elke dag, wat het enige is dat ik ooit heb gevraagd.

In de loop van 1977 kwam de provinciaal van de Boliviaanse missie naar Spanje op weg naar Rome. Hij wilde mijn definitieve beslissing horen. Toen ik hem vertelde dat mijn besluit vaststond, vroeg hij me mijn beweegredenen op schrift te stellen zodat hij ze aan de algemene congregatie en aan de generaal van de Sociëteit van Jezus in Rome kon voorleggen.

Toen hij uit Italië terugkwam, zei hij: „Naar wat ze me in Rome verteld hebben, is het de eerste keer in de geschiedenis dat een jezuïet heeft gevraagd de Sociëteit te mogen verlaten omdat hij de waarheid heeft leren kennen. Alsof de jezuïeten niet weten wat de waarheid is, met al hun studies!”

Menselijke theologie „een hoop vuil”

Als ik terugblik op mijn studiejaren aan het seminarie, dan begrijp ik nu dat alle theologie en filosofie die ik heb geleerd, in vergelijking met de geloofwaardigheid van het Goddelijke Woord in feite een hoop vuil is. Daardoor bleef de ware wijsheid die via Christus van Jehovah afkomstig is en aan de nederigen van hart wordt meegedeeld, voor me verborgen. Zegt de apostel Paulus niet: „Heeft God de wijsheid van de wereld niet dwaas gemaakt?” (1 Kor. 1:20) Mèt Paulus kan ik nu zeggen: „Alles beschouw ik als verlies, omdat het kennen van Christus Jezus, mijn Heer, alles te boven gaat. Om hem heb ik alles prijsgegeven; voor mij is alles vuilnis [„een hoop vuil”, Nieuwe-Wereldvertaling], omdat het mij erom gaat Christus te winnen.” — Fil. 3:8, Het Nieuwe Testament in de omgangstaal.

Eindelijk arriveerden mijn ontslagbrieven, gedateerd 11 november 1977. Jehovah dankzeggend, tekende ik ze.

Op 27 november van datzelfde jaar werd ik door volledige onderdompeling in water op een kringvergadering van Jehovah’s Getuigen gedoopt. Met die daad gaf ik in het openbaar te kennen dat ik mij in navolging van Jezus’ voorbeeld en overeenkomstig het gebod dat hij zijn volgelingen gaf, aan Jehovah had opgedragen (Matth. 28:19, 20). Qua voldoening en vreugde overtrof die dag alleszins de dag van mijn wijding als jezuïetenpriester zo’n twintig jaar geleden. Ik was nu een christelijke getuige van de Soevereine Heer Jehovah geworden.

Sinds mijn doop ben ik rijk gezegend. Ik neem geregeld deel aan de normale christelijke predikingsactiviteiten en heb het voorrecht verscheidene huisbijbelstudies bij belangstellenden te mogen leiden. Ik ben gelukkiger dan ooit omdat ik nu Christus’ voorbeeld navolg zoals dat in het Goddelijke Woord wordt geschetst. Ik heb de ware God, Jehovah, gevonden en de mensen die goddelijke liefde in praktijk brengen. Mijn lange speurtocht naar de waarheid is ten einde. En de uwe?

[Inzet op blz. 11]

’Misschien wilt u wel weten wat mij ertoe bracht om na vijfentwintig jaar missiewerk het priesterschap vaarwel te zeggen’

[Inzet op blz. 12]

„Ik was aangenaam verrast toen ik zag dat de Getuigen hun overtuiging volledig op de bijbel baseren.”

[Inzet op blz. 13]

„Zou het dan, omdat ik de Kerk niet kan verbeteren of veranderen, niet beter zijn van kerk te veranderen?”

[Illustratie op blz. 14]

Ex-jezuïet Iniesta verlaat bassin na zijn christelijke doop

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen