Zweden bestookt door moeilijkheden
Door Ontwaakt!-correspondent in Zweden
ZWEDEN heeft lange tijd rust genoten op industrieel terrein. De Amerikaanse politieke analist M. Childs schreef dit toe aan de zogenoemde „middenweg”-politiek van Zweden. Men leeft tussen de uitersten van het socialisme en het kapitalisme. Zelfstandige ondernemingsgeest wordt gecombineerd met een grote invloed van de regering op de ontwikkeling van de economie.
Onlangs wankelde dit systeem echter. In het verleden werden de geschillen tussen de Zweedse vakbonden en de werkgeversorganisaties opgelost door loononderhandelingen. De wet voorziet in periodes om tot gezamenlijke overeenstemming te komen, gedurende welke er door werknemers niet gestaakt mag worden en de werkgevers geen uitsluitingen mogen toepassen. Maar nu blijken zulke wetten niet te werken.
De rust op industrieel terrein verstoord
De moeilijkheden begonnen aan het eind van 1969. Dit gebeurde in de vorm van een wilde staking in de ijzerertsmijnen in het noorden van Zweden. Hoewel de regering evenals de bond van de mijnwerkers zelf, de actie tegenstond, lieten ongeveer 4800 mijnwerkers die in dienst waren bij het door de staat genationaliseerde mijnbedrijf Loussavaara- Kiirunavaara (LKAB), hun werk in de steek. Uit opinieonderzoeken bleek dat de grote meerderheid van de Zweedse arbeiders achter de mijnwerkers stond.
De staking duurde vijfenzeventig werkdagen voordat er tijdelijk overeenstemming werd bereikt. Maar er volgden er meer. In 1970 waren er in Zweden 127 van dergelijke stakingen, waarbij 22.900 arbeiders betrokken waren en 155.700 werkdagen verloren gingen.
De moeilijkheden blijven bestaan
In het begin van 1971 verbeterden de toestanden niet; ze werden slechter. Het land wankelde onder de overal gehouden stakingen. Onder de stakers waren doktoren, dierenartsen, piloten, meteorologen, ambtenaren op de bureau’s van het provinciaal bestuur, zelfs personen die op het parlement en in de commissies van het parlement werkzaam waren, en stationschefs bij de spoorwegen. Hierdoor kwam het hele spoorwegbedrijf stil te liggen, wat weer resulteerde in verlofbriefjes voor duizenden industriearbeiders die van het treinvervoer afhankelijk waren!
Gedurende een meer recente actie werden 25.000 schoolonderwijzers van hun werk uitgesloten. Daardoor kwamen 700.000 leerlingen zonder onderwijstoezicht. Nu ontstond de vraag of leerlingen op school of thuis konden studeren zonder dat zij als deelnemers aan het conflict zouden worden beschouwd.
Het is begrijpelijk dat veel leerlingen de toestand niet prettig vonden. Zij zeiden: „De regering moet de verantwoordelijkheid voor onze verloren studietijd, waardoor wij later eindexamen zullen doen, op zich nemen.” Anderen zeiden: „Wij moeten de klassen van de onderwijzers die nog wel mogen werken, boycotten.”
Maar dit was nog niet de opmerkelijkste crisissituatie. Het regeringsbureau voor collectieve arbeidsovereenkomsten dreigde met uitsluiting van ongeveer 3500 leden van de bond van militaire officieren, als het aanbod dat door de aangestelde bemiddelaars was gedaan, niet vóór een bepaalde datum zou worden geaccepteerd. Een dergelijke actie was ongehoord. Nog nooit tevoren had een regering de bevelvoerende officieren van haar eigen strijdkrachten uitgesloten!
Het nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje door Europa. Correspondenten van kranten uit ten minste tien verschillende landen bezochten de militaire hoofdkwartieren in Stockholm. Zij wilden weten wanneer en waar zij de officieren konden interviewen en fotograferen die niet meer op hun kantoren of in hun kazernes zouden mogen komen.
Onderhandelingen geen succes
De onderhandelingen die werden gevoerd om op de verschillende punten tot overeenstemming te komen, hadden geen succes. De conflicten waren zelfs, zo werd gemeld, zonder weerga. De ene voorgestelde regeling na de andere werd verworpen. De bemiddelingscommissies leken niet in staat voor de verschillende problemen een oplossing te vinden. Zoals door de kranteverslagen duidelijk werd, heeft de situatie Zweden geschokt.
De Stockholmse Svenska Dagbladet van 25 februari 1971 bevatte de volgende opmerking betreffende de situatie: „Het is een burgerrevolutie tegen een sociale utopie. De regering en de vakbonden zullen heel wat discretie moeten bezitten, wil het sociale patroon van Zweden niet in een Noordeuropees schrikbeeld veranderen.”
Er moest iets gedaan worden. Het toenemende aantal stakers en uitgeslotenen dreigde het land te verlammen. Als drastische maatregel werd er daarom een wet voorgesteld die alle stakingen en uitsluitingen voor een periode van zes weken verbood, te beginnen op 13 maart. Gedurende deze tijd zouden nog de oude overeenkomsten met betrekking tot lonen en andere zaken van kracht blijven. De gedachte was dat de verschillende partijen binnen een periode van zes weken in staat zouden zijn tot overeenstemming te komen. De wet werd snel aan het parlement voorgelegd en met een overweldigende meerderheid van stemmen aangenomen.
Maar aan het eind van de periode van zes weken waren de betrokken partijen nog niet tot overeenstemming gekomen.
Uiteindelijk overeenstemming bereikt
Het was pas midden juni toen de ongeveer 400.000 regeringsambtenaren vrede sloten met hun werkgever, het regeringsbureau voor collectieve arbeidsovereenkomsten. Maar in de zogenoemde privé-sector, met ongeveer 800.000 werknemers, was nog geen regeling getroffen.
De toestand werd ernstiger. De datum 24 juni 1971 werd door de vakcentrale genoemd als het tijdstip waarop er met een reeks uitgezochte stakingen zou worden begonnen als er tot dan toe geen regeling zou zijn getroffen. Dit zou tot gevolg hebben dat ook 90.000 leden die op sleutelposities werkzaam waren, zouden gaan staken. Het doel was de nationale handel en industrie te verlammen. Maar terzelfder tijd dreigde het Zweedse werkgeversverbond de arbeiders met een volledige uitsluiting.
Ten slotte kwamen de partijen op 22 juni, na meer dan zeven maanden onderhandelen, tot overeenstemming. Ze ondertekenden de regeling die door de bemiddelingscommissie was opgesteld. Door deze regeling zouden de arbeiders een loonsverhoging krijgen van 27,5 percent, over een periode van drie jaar. Er was ook voorzien in verbeterde sociale voorzieningen, met inbegrip van een verlaging van de pensioengerechtigde leeftijd van zevenenzestig tot vijfenzestig jaar, en een verhoging van de pensioen- en ziekteuitkering. De regeling zal ongeveer zes miljard kronen, of ƒ 4.200.000.000, gaan kosten.
Wat houdt de toekomst in?
Vóór het tekenen van de overeenkomst echter verkreeg het werkgeversverbond een herziening van de prijsstop; er werd een aanzienlijke prijsverhoging toegestaan. Terwijl de arbeiders dus meer geld krijgen, zullen de prijzen en belastingen ook gaan stijgen. Dit zal een groot deel van het nut van de loonsverhogingen te niet doen. Men schat dat de werkelijke winst voor de arbeiders slechts ongeveer 2 percent zal bedragen.
Ondanks de regelingen klinken er teleurgestelde stemmen. Daarom gaat men zich afvragen of de partijen bij hun overeenkomsten zullen blijven. Zal de vrede voortduren? Men kan zich met allerlei speculaties bezighouden; slechts de tijd zal het leren.