Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g74 8/8 blz. 9-13
  • Welke hoop is er op herstel van de Britse economie?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Welke hoop is er op herstel van de Britse economie?
  • Ontwaakt! 1974
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Achtergrond van de crisis
  • De „olieriem” aantrekken
  • Groot-Brittannië in greep van energiecrisis
  • Verregaande maatregelen om energie te sparen
  • Verharding van standpunten
  • De genadeklap
  • De verkiezingscampagne
  • De uitslag
  • De vooruitzichten
  • Olieproblemen schokken de wereldeconomie
    Ontwaakt! 1974
  • De toenemende oliecrisis
    Ontwaakt! 1974
  • Olie — sleutel tot wereldheerschappij
    Ontwaakt! 1974
  • Crisis in Japan
    Ontwaakt! 1974
Meer weergeven
Ontwaakt! 1974
g74 8/8 blz. 9-13

Welke hoop is er op herstel van de Britse economie?

Door Ontwaakt!-correspondent op de Britse Eilanden

„EUROPA’S zieke man schijnt plotseling nog zieker te zijn geworden”, schreef de Oostenrijkse Kurier na de uitslag van de laatste algemene verkiezingen die in Engeland werden gehouden. Duidelijke woorden, dat staat vast, maar ook slechts weinigen zullen willen ontkennen dat Engeland de laatste tijd met ernstige economische moeilijkheden te kampen heeft gehad. Hoe zijn deze ontstaan en wat heeft de toekomst voor het land in petto?

De vierenvijftig miljoen mensen die op de Britse Eilanden wonen, zijn voor het merendeel werkzaam in de industrie. De helft van alle levensmiddelen, plus grote hoeveelheden ruwe grondstof, moeten worden geïmporteerd. De betaling hiervoor dient te geschieden door de export van minstens een gelijkwaardige hoeveelheid eigen produkten en diensten. Net als met een gezin, leidt het ook voor een regering tot financiële zwakte, schulden en mogelijk de ondergang wanneer er niet wordt betaald. Engeland is dan ook sinds de Tweede Wereldoorlog met een reeks van economische crisissen geconfronteerd geweest, voornamelijk door een nagenoeg aanhoudend in gebreke blijven evenwicht te brengen in zijn betalingsbalans en lopende schulden af te lossen. De laatste economische crisis in Engeland was veruit de ernstigste, hetgeen te wijten was aan een verscheidenheid van factoren.

Achtergrond van de crisis

Hoewel de Britten allang hadden geleerd met crisissen te leven, waren toch maar weinigen voorbereid op de plotselinge aard en omvang van deze. In de zomer van 1973 was er in het gehele land volop werkgelegenheid; de conservatieve regering had dan ook alle zeilen bijgezet om de economische groei te bevorderen en de verzekering gedaan dat de uitweg uit de moeilijkheden dichtbij was, vooropgesteld dat de lonen in bedwang gehouden zouden worden en daardoor de prijzen van de goederen die naar het buitenland gingen, laag bleven. In de herfst van ’73 trad fase III in werking van de door de regering gevolgde loonpolitiek, die ten doel had de stijging van de lonen onder een bepaald toegestaan percentage te houden. Het werd echter al spoedig duidelijk dat belangrijke vakbonden niet bereid waren met deze beperking akkoord te gaan. Ze hielden vol dat de prijzen veel sneller stegen dan de lonen en dat hun levensstandaard omlaagging. De prijzen stegen inderdaad snel, zoals elke huisvrouw kon bevestigen. Levensmiddelen werden in januari 1974 opnieuw 2,9 percent duurder, na in het voorgaande jaar met 20 percent in prijs te zijn gestegen en in totaal, sinds het aan het bewind komen van de regering in 1970, 53 percent duurder te zijn geworden.

Mijnwerkers, treinbestuurders en technici hadden allemaal veel meer noten op hun „loonzang” dan volgens de inkomenspolitiek van de regering toelaatbaar was. Duidelijk was al dat Engeland weer een bekende winter van industriële acties zou ingaan.

De „olieriem” aantrekken

Toen verscheen er een geheel nieuwe factor in het beeld — die van verstrekkende invloed zou zijn: de olieboycot!

De Arabische olieproducerende landen kondigden aan dat zij olie als een politiek wapen zouden gaan hanteren. De produktie zou naar beneden gaan en de prijzen zouden stijgen. Deze nieuwe oliepolitiek bracht de onvaste Britse economie hevig aan het wankelen.

De Britse industrie was sinds de Tweede Wereldoorlog volledig ingesteld geraakt op het gebruik van goedkope olie. De industriële produktie en het transport zijn geheel van olie afhankelijk; veel huizen en de meeste fabrieken ontvangen hun warmte van olie. Een met sprongen toenemende olieprijs zou de Britse economie kunnen ruïneren.

Olietekorten volgden, maar niet op rampspoedige schaal. Met de prijzen was het echter geheel anders gesteld. Tegen januari 1974 was de prijs van ruwe olie met 400 percent gestegen en de oliesheiks in het Midden-Oosten stelden nog meer verhogingen in het vooruitzicht. Ofschoon de prijs van benzine en dieselolie ondertussen met 20 percent en van stookolie met 75 percent is opgelopen, is het effect ervan nog niet volledig doorgewerkt. Ongetwijfeld zal de Britse economie in de komende maanden nog gevoelige klappen te verwerken krijgen naarmate de prijs van allerlei met olie-energie vervaardigde en getransporteerde goederen toeneemt. De olie-invoer alleen al zal dit jaar een betalingsbalanstekort van zo’n £ 2 miljard (ƒ 12.600.000.000) veroorzaken.

Groot-Brittannië in greep van energiecrisis

Naarmate de herfst verschraalde en de winter zijn intrede deed, veroorzaakten het olieprobleem en het loonconflict met de mijnwerkers een energiecrisis waar Groot-Brittannië niet van terug had.

Midden november besloten de mijnwerkers geen overwerk meer te verrichten, hetgeen de kolenproduktie met 30 percent verminderde. Met een energiehuishouding die voor 60 percent op kolen en voor de rest op olie is aangewezen, zag de toekomst aan het Britse energiefront er somber uit. Een volledig uitvallen van de elektriciteit was een mogelijkheid waarmee de regering ernstig rekening hield. Nog maar twee jaar daarvoor had een harde en verenigde zevendaagse stakingsactie van de mijnwerkers de regering tot capitulatie gedwongen. Ditmaal was de regering vastbesloten aan haar inkomenspolitiek vast te houden en geen duimbreed te wijken. De mijnwerkers waren daarentegen even vastbesloten hun loonsverhoging erdoor te krijgen.

Verregaande maatregelen om energie te sparen

Begin december was de oliesituatie onzeker. Er werden benzinebonnen uitgegeven. Overal ging het gerucht dat met ingang van het nieuwe jaar tot rantsoenering zou worden overgegaan. Automobilisten werden opgeroepen geen onnodige ritjes te maken; over het hele land ging de maximumsnelheid omlaag van 110 naar 80 kilometer per uur. De tekorten namen toe en er vormden zich range files bij de benzinestations, die snel uitverkocht raakten en sloten. De jacht op benzine werd voor veel weggebruikers een noodzaak.

In deze atmosfeer van onzekerheid en bange voorgevoelens wachtte de natie op een lichtpunt van de regering. Premier Edward Heath besloot tot verregaande maatregelen over te gaan om de elektriciteitscentrales een voldoende kolenvoorraad te laten behouden. Industriële en handelsondernemingen zouden vanaf 1 januari nog maar drie dagen per week mogen werken. Krachtig werd aangedrongen op zuinigheid bij verbruik thuis; de bevolking werd gevraagd slechts één vertrek te verwarmen en minder licht te gebruiken. Het waarschuwingssignaal SOS kreeg een nieuwe betekenis: „Switch Off Something” (Draai iets uit).

De industrie was zwaar gedupeerd, maar er groeide een nieuwe geest van samenwerking tussen werkgevers en werknemers. De ondernemers waren er op gebrand hun bedrijf voor faillissement te behoeden, terwijl de arbeiders van hun kant dolgraag hun baan wilden behouden. Ofschoon de levering van energie tot 60 percent was verlaagd, slaagden tal van bedrijven er door vindingrijkheid en een gezamenlijke krachtsinspanning in hun produktie op 70 percent of meer te houden. Honderdduizenden waren twee dagen van de week werkeloos. Een ander zichtbaar teken van de energiecrisis vormden de straatlantaarns die in veel steden wel voor de helft donker waren. Duistere straten riepen herinneringen op aan de donkere Engelse oorlogsdagen. En hoewel Engeland op weg scheen te zijn naar een overwinning, was het een overwinning die niemand werkelijk wilde.

Verharding van standpunten

De besprekingen tussen de regering en de mijnwerkers sleepten zich van december tot eind januari voort. Premier Heath bleef erbij dat er geen regeling kon worden getroffen die buiten zijn inkomenspolitiek omging. Maar ook de mijnwerkers bleven van hun kant aan hun eisen vasthouden. Zij vonden dat het harde, gevaarlijke en gezondheidondermijnende werk dat zij onder de grond moeten verrichten, hun eisen volkomen billijkte. Bovendien was het met de omhoogschietende olieprijzen en het in vergelijking daarmee betrekkelijk goedkoop blijven van de steenkool, een duidelijk gunstige tijd om hun eisen door te drukken.

Met het verstrijken van de maand januari won het vermoeden steeds meer veld dat de regering een oplossing zou pogen te vinden door het uitschrijven van algemene verkiezingen. De mijnwerkers weigerden nog verder te onderhandelen, tenzij er „meer geld op tafel kwam”. De regering zocht nog naar een oplossing door het voeren van besprekingen met het overkoepelende orgaan van de Britse vakverenigingen, het Trades Union Congress, en de werkgeversorganisatie Confederation of British Industry. Deze gesprekken werden echter door de oppositionele Labour-partij bestempeld als louter politieke manoeuvres met het oog op de verkiezingen, bedoeld om de regering in een gunstig daglicht te stellen en het te laten voorkomen alsof de mijnwerkers obstructieve militanten zijn.

De genadeklap

Was de energiecrisis dank zij een mild verlopende winter niet zo hard aangekomen, er dreigde nu een andere crisis in het staal. De kolenvoorraden waren bij de hoogovens als sneeuw voor de zon verdwenen en de produktie was een flink stuk gedaald, terwijl men tegen april een volledige stop verwachtte. Dus al mocht de industrie dan genoeg energie hebben om drie dagen te werken, het gebrek aan staal zou haar vroeg of laat toch nopen tot stilstand.

De genadeklap voor de regering kwam toen de mijnwerkers, ontevreden met de resultaten van hun al tien weken durende overwerkweigering, met een overweldigende meerderheid van 90 percent besloten vanaf 9 februari middernacht tot een algehele staking over te gaan. Niet in staat aan de eisen van de mijnwerkers tegemoet te komen wegens het willen vasthouden aan zijn inkomenspolitiek, schreef Heath nieuwe verkiezingen uit, die op 28 februari gehouden zouden worden.

De verkiezingscampagne

De Conservatieven onder leiding van Heath gingen de verkiezingsstrijd in met de leuze: „Who Rules Britain?” (Wie regeert Engeland?) Zij beweerden dat militante vakbondsleden het erop hadden toegelegd het land buiten het Parlement om hun wil op te leggen. Heath vroeg zijn stemmende landgenoten hem met een krachtige meerderheid in het Parlement te doen terugkeren om zodoende met autoriteit het inflatieprobleem te kunnen aanpakken.

Zijn tegenstanders van de Labour-partij onder leiding van Harold Wilson kwamen terstond met het verwijt dat het hier een verdachte verkiezing betrof, dat de heer Heath ondanks een meerderheid in het Parlement, al vanaf 1970, duidelijk gefaald had in zijn strijd tegen de inflatie, terwijl zij zijn campagne tegen de vakbondmilitanten betitelden als een „bangmakertje” (’De roden liggen onder het bed’) om de onnozelen weer in het gareel te jagen.

Tijdens de drie weken durende campagne bleven de binnenstromende opiniepeilingen voor de Conservatieven van Heath een meerderheid voorspellen, met Labour enige percenten daarachter. Een onverwacht element was de stijgende populariteit van de Liberalen, die na vijftig jaar in het politieke duister te hebben rondgetast, een aanzienlijke aanhang bleken te hebben verworven.

De uitslag

Gewend als men al meer dan veertig jaar aan een twee-partijenpolitiek was, verwachtte men dat een van de „twee groten”, Conservatieven of Labour, de gebruikelijke en duidelijke overwinning zou behalen. Hoe verbaasd was men dan ook toen aan de dag begon te treden dat geen partij een meerderheid zou behalen. Labour verwierf 301 zetels en won daarmee met een neuslengte voorsprong van de Conservatieven, die 297 zetels verwierven. Voor het eerst sinds 1931 kon geen partij een onbetwiste meerderheidsregering vormen. Heath trachtte nog aansluiting te zoeken met de 14 Liberalen in het nieuwe Parlement, door een coalitie voor te stellen, maar nam zijn ontslag toen hij van hen geen medewerking ontving.

Dit opende voor Labourleider Wilson de weg om op 5 maart Engelands eerste minderheidsregering sinds veertig jaar te vormen. Als voornaamste op zijn agenda stond de bijlegging van het mijnwerkersconflict om tot een volledige werkweek te kunnen terugkeren. Bevrijd van het inkomen- en prijzenbeleid van de voorgaande regering, wierpen de gesprekken tussen de Kolenraad en de mijnwerkersbond binnen twee dagen vrucht af. De mijnwerkers zagen de meeste van hun eisen ingewilligd; de driedaagse werkweek eindigde op 8 maart te middernacht. Alle Britten slaakten een zucht van verlichting.

De vooruitzichten

Wat hebben de verkiezingen bewerkstelligd? Is de weg nu open voor een snel herstel van Engelands economie? De meeste waarnemers antwoorden: neen. De kiezers hebben de politiek van Heath duidelijk verworpen. Nochtans heeft ook Wilson van hen geen volmacht ontvangen. Meer dan zes miljoen kiezers, 20 percent van het totale aantal, heeft zijn steun aan de Liberalen gegeven en daarmee blijk gegeven van teleurstelling in de koers van de twee grote partijen.

Ook Europa was teleurgesteld. „Een regering met een kleine meerderheid kan van het land niet de offers vragen die nodig zijn om de situatie meester te worden”, constateerde de Parijse Figaro. „De uitslag had nauwelijks slechter kunnen zijn”, was het commentaar van de Frankfurter Allgemeine Zeitung. Volgens de Italiaanse Il Giorno was „de mysterieuze Engelse malaise” nu niet alleen van economische maar ook van institutionele aard gebleken.

Ook de Britse dagbladcommentators zagen de toekomst somber in. Zo stond in de Daily Express: „Wie vanaf nu als Britse leider wordt gekozen, mag zichzelf wel een paar uurtjes gunnen om van zijn succes te genieten. . . . Hem wacht een lijst met problemen die sinds de oorlog haar weerga niet heeft gehad.” De Sunday Telegraph voorziet een sombere economische toekomst, en merkte op: „Over één ding kan geen twijfel bestaan, en wel dat alle partijen de nadruk hebben gelegd op de wanhopige toestand van de Britse economie en de noodzaak de buikriem wat strakker aan te trekken en op allerlei gebied offers te brengen.”

De hopeloze economische problemen waarmee Engeland te kampen heeft, zijn de rest van de wereld echter niet vreemd. Veel landen hebben economische moeilijkheden. De oplossing ervan is niet voor politici of economen weggelegd, hoe oprecht zij haar ook pogen te vinden. De onoverkomelijke problemen waar de wereld nu voor staat, zijn lang geleden door Jezus Christus voorzegd. Hij zei dat natiën „geen uitweg” zouden weten en dat mensen „mat” zouden worden „van vrees en verwachting omtrent de dingen die over de bewoonde aarde komen” (Luk. 21:25, 26). De bijbel wijst echter de uitweg. Verlangt u ernaar dat er een eind komt aan economische en andere crisissen? Waarom dan geen aandacht geschonken aan de woorden van leiding die dit boek verschaft?

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen