Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • km 9/75 blz. 3-6
  • Het dienstjaar 1976 goed beginnen

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Het dienstjaar 1976 goed beginnen
  • Koninkrijksdienst 1975
  • Onderkopjes
  • Het dienstjaar 1976 is begonnen
  • Schriftuurlijke redenen voor nog grotere activiteit
  • Kun jij in oktober een tijdelijke pionier zijn?
  • Het werk versnellen
  • Een noodzakelijk werk
Koninkrijksdienst 1975
km 9/75 blz. 3-6

Het dienstjaar 1976 goed beginnen

Jehovah God is de Soeverein van het universum. Dit is onloochenbaar. Alleen al dat wat in Openbaring 4:11 staat opgetekend, laat zien dat Jehovah God de rechtmatige Soeverein is. De loyale profeet Jeremia was zich hiervan bewust toen hij uitriep: „In geen enkel opzicht is er iemand als gij, o Jehovah. Gij zijt groot, en uw naam is groot in macht. Wie zou u niet vrezen, o Koning der natiën, want u komt het toe; want onder alle wijzen der natiën en onder al hun koninklijke regeringen is er in geen enkel opzicht iemand als gij.” — Jer. 10:6, 7.

Is deze God Jehovah ook de Soeverein in jóuw leven? Deze vraag werd gedurende het „Goddelijke soevereiniteit”-congres in de thematoespraak gesteld en vier dagen lang hebben Jehovah’s getuigen over de gehele aarde Jehovah’s soevereiniteit op zeer persoonlijke en indringende wijze beschouwd. Waarom? Omdat de beslechting van de strijdvraag met betrekking tot de universele soevereiniteit van Jehovah op een onbekende dag en een onbekend uur in de nabije toekomst in al zijn goddelijke hevigheid zal losbarsten. Mensen die Jehovah niet de Soeverein in hun leven hebben laten zijn, kunnen in dit hoogtepunt van de „dag der wraak van de zijde van onze God” niet aan de goddelijke verbolgenheid ontkomen. Al degenen die Jehovah echter wel als de Soeverein van hun leven hebben erkend, zullen de glorieuze reddingsdaden van de levende God ervaren en zij zullen levend de Nieuwe Ordening binnengaan. Jes. 61:2; Ps. 3:8.

Wat leven wij toch in een veelbewogen en spannende tijd. Alle vroegere oordeelsvoltrekkingen van Jehovah, alsook alle vroegere door Jehovah bewerkte bevrijdingen, zullen in het niet verzinken bij wat dit geslacht te wachten staat (Matth. 24:21). Je zult het met ons eens zijn dat het congres ons geweldig geholpen heeft ons bewustzijn hieromtrent te versterken. Denk nog eens terug aan het drama van Noach. Roep ook nog de diepe ernst van het onderwerp „Blijft wakker, opdat gij erin moogt slagen te ontkomen” in je herinnering terug. Hoe dankbaar kunnen wij zijn dat het „Goddelijke soevereiniteit”-congres ons geholpen heeft ons hart te richten op de dingen waarop wij reeds jaren gehoopt hebben.

Het dienstjaar 1976 is begonnen

Hoewel het kalenderjaar 1976 nog niet is begonnen, bevinden wij ons toch reeds enkele weken in het dienstjaar 1976. Terugblikkend op de afgelopen twee dienstjaren kunnen wij zeggen dat er zo’n zeshonderdduizend personen gedoopt zijn. Uitgaande van dit getal geven de afgelopen vijf dienstjaren het aantal van ruim 1.100.000 nieuwe dopelingen te zien. Alleen aan Jehovah’s onverdiende goedheid kan het worden toegeschreven dat deze haast onvoorstelbare toename is gekomen. Jehovah heeft geduld met de mensheid „omdat hij niet wenst dat er iemand vernietigd wordt maar wenst dat allen tot berouw geraken” (2 Petr. 3:9). Wie van ons zou willen zeggen dat het werk eigenlijk al opgehouden had moeten zijn? Driehonderdduizend personen zouden niet in de waarheid zijn gekomen als het werk vorig jaar was opgehouden. Wat een intense vreugde om de zekerheid te mogen hebben dat met elk uur dat Jehovah ons nog langer vergunt te werken, weer vele tientallen personen aan de schare aanbidders worden toegevoegd. Het is daarom met een gevoel van dankbaarheid dat Gods volk over de gehele aarde het dienstjaar 1976 is ingegaan. Hoe lang Jehovah ons nog verder zal laten werken, is niet het belangrijke punt. Het belangrijke is, dat Jehovah ons vergunt een medewerker van hem te zijn. — 1 Kor. 3:9.

Het dienstjaar 1975 is bijzonder produktief geweest en wij prijzen alle gemeenten voor de enorme inzet ten behoeve van het werk van Jehovah. Op een vergadering met bijkantooropzieners van 13 landen in Europa, die van 4-7 juni in Thun, Zwitserland, werd gehouden, trad één belangrijk punt als reden voor de grote toename op de voorgrond: IJver in het veld en de grote hoeveelheid speciale, gewone en tijdelijke pioniers. Deze grote ijver in het veld en een geweldige toename in het aantal tijdelijke pioniers is beslist een kenmerk van ons werk in dit land en allen zijn hiervoor te prijzen. Het zal jullie genoegen doen te vernemen dat de broeders van het besturende lichaam heel erg verheugd zijn over jullie inzet en tijdens die vergadering werd dit niet onder stoelen of banken gestoken. Het toont aan dat deze broeders de geest van Christus bezitten, die zei: „Wel gedaan, goede en getrouwe slaaf” (Matth. 25:21). Hoe kan 1976 een verdere toename te zien geven? Wel, „God [blijft] het wasdom geven”, maar, zo zegt Paulus: „Ik heb geplant, Apóllos heeft begoten.” — 1 Kor. 3:6.

Werkelijk, broeders en zusters, het komt er gewoon op aan dat wij ermee voortgaan te planten en te begieten en dan op Jehovah vertrouwen voor de toename. Er is geen enkele reden op te noemen waarom wij het in 1976 kalmer aan zouden doen dan in 1975 of dat er in 1976 minder tijdelijke pioniers zouden zijn dan in 1975. Er zijn daarentegen goede, schriftuurlijke redenen waarom een ieder van ons in 1976 zijn beste beentje zal willen voorzetten.

Schriftuurlijke redenen voor nog grotere activiteit

„God heeft de wereld [der mensheid] zozeer liefgehad dat hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat een ieder die geloof oefent in hem, niet vernietigd zou worden, maar eeuwig leven zou hebben.” De redding van mensen noopte God er zelfs toe zijn eigen Zoon een pijnlijke dood te laten sterven. Wat een alles overtreffende liefde! Lees eens gezamenlijk 1 Johannes 4:9, 10. En hoe staat het met de Zoon zelf? Hij zei: „Ik doe afstand van mijn ziel ten behoeve van de schapen.” Wij kunnen zo’n God en zo’n liefdevolle Zoon uit het diepst van ons hart liefhebben. Wij zijn in de waarheid vanwege hun liefdevolle zelfopoffering. Is dit niet de belangrijkste schriftuurlijke reden waarom wij het besluit zouden willen versterken om ook zo’n houding ten aanzien van onze medemensen aan de dag te leggen? Paulus doet dit in 2 Korinthiërs 5:14 zo voortreffelijk uitkomen. Maar let eens op het besluit van zijn hele redenatie: „Wij zijn daarom gezanten . . . in de plaats van Christus, . . . Als plaatsvervangers van Christus smeken wij: ’Wordt met God verzoend.’” Wat een voortreffelijke geestesgesteldheid.

Ons „smeken” wordt tot uitdrukking gebracht doordat wij voor Jehovah in het veld werken, van huis tot huis, tijdens nabezoeken en gedurende onze bijbelstudies. Dat bedoelde Paulus en dat is de geest van het ware christendom. De liefde voor God en Christus dringt ons, maar er is nog meer. De Schrift spoort ons niet alleen tot liefde voor God aan, maar ook tot liefde voor onze naaste. Wij weten dat onze buren en alle anderen in het gebied voor een afschuwelijke vernietiging staan. Kunnen wij hen helpen? Jezus zei: „Gij moet uw naaste liefhebben als u zelf.” Daarom willen wij dag en nacht bezig zijn voor onze naaste, ook al zou dit ten koste van ons zelf gaan. Zijn wij bereid dit voor onze naaste te doen? — Mark. 12:31; 1 Tim. 4:10; Openb. 7:15.

Deze innige wens om onze naasten te helpen, werd treffend onder woorden gebracht in De Wachttoren van 1 april 1972. Op bladzijde 210 stond de volgende alinea: „Is die aardse organisatie geestdriftig voor dat grootse werk? Kijkt u maar! De aangestelde ouderlingen en opzieners van de gemeenten zijn actief voor dat doel werkzaam. De dienaren in de bediening van de gemeenten werken voor dat doel met hen samen. Alle gemeenteleden, de opgedragen mannen en vrouwen en hun kinderen, nemen, zowel van huis tot huis als in het openbaar, deel aan het werk. Het besturende lichaam over al deze theocratische gemeenten staat met hart en ziel achter dit evangelisatiewerk en treft elke regeling om het binnen de door God toegestane tijd gedaan te krijgen.” Het is dan ook geen wonder dat de gemeenten van Jehovah’s volk doortrokken zijn van een geest van activiteit en dit behaagt Jehovah.

De gemeente helpt ons doordat er acties voor velddienst zijn ingesteld, en vanaf het podium en ook op andere manieren worden wij voortdurend tot dienst aangemoedigd. De afgelopen jaren is krachtige nadruk gelegd op de gewone en tijdelijke pioniersdienst. Hoewel elke maand geschikt is voor de tijdelijke pioniersdienst en het prachtig zou zijn als er in iedere gemeente elke maand tijdelijke pioniers zouden zijn, worden de verkondigers toch speciaal in de maanden oktober en april ertoe aangemoedigd pogingen te doen in de tijdelijke pioniersdienst te staan. Jehovah heeft deze inspanningen duidelijk gezegend. Er zijn heel wat gemeenten in dit land waar in die speciale maanden 1/4 of 1/3 deel van het aantal verkondigers tijdelijke pioniersdienst verricht. In die maanden heerst er een bruisende activiteit in de gemeente en deze geest zet zich daarna voort. Verkondigers worden bekwamer en vreugdevoller, en zij gaan het gemakkelijker vinden nabezoeken te brengen en bijbelstudies op te richten. Sinds de nadruk op de tijdelijke pioniersdienst werd gelegd, groeide het aantal verkondigers van 15.000 in 1967 tot bijna het dubbele in 1975. Wat een aansporing om in dit dienstjaar op dezelfde voet voort te gaan. Als wij werken, hard werken, doet Jehovah de rest. De velden zijn wit om te oogsten.

Kun jij in oktober een tijdelijke pionier zijn?

Duizenden van ons zullen die vraag met een luid „Ja” beantwoorden. Anderen zijn misschien nog niet zo ver en weer anderen zullen het eenvoudig niet kunnen volbrengen. De vraag is: Zullen wij elkaar willen helpen oktober weer tot een geweldige maand voor de tijdelijke pioniersdienst te maken? Er is veel voor te zeggen naar een nieuw hoogtepunt te streven en wij zijn ervan overtuigd dat wanneer dit in de gemeente de juiste aandacht krijgt, grote aantallen verkondigers zich zullen aanbieden. Werk schema’s met elkaar uit, moedig elkaar aan, zie of je een paar vrije dagen kunt opnemen, stel plaatselijke regelingen in om het huisvrouwen met kinderen wat gemakkelijker te maken. Wees positief en smeek Jehovah om Zijn zegen op jullie inspanningen.

Het werk versnellen

Zoals een ieder van ons weet, heeft het Genootschap grote belangstelling voor het drukken van boeken, tijdschriften en traktaten. Op dit ogenblik zijn 74 rotatiepersen over de gehele aarde plus tientallen kleinere persen voortdurend bezig miljoenen en nog eens miljoenen boeken, tijdschriften en andere lectuur te drukken. Enkele buitenstaanders die niets van ons afweten, beschuldigen ons ervan een commerciële zaak te drijven, doch de feiten zijn dat het Genootschap deze enorme hoeveelheid drukwerk maar nauwelijks tegen de drukkosten onder de mensen kan brengen. Dit zal iedere oprechte persoon die een bijbel voor ƒ 4,– en een ingebonden boek van 192 pagina’s voor ƒ 1,– kan krijgen, duidelijk zijn. Het zijn de vrijwillige bijdragen van de broeders en zusters en het vrijwillige werk van de duizenden Bethelleden over de gehele aarde die dit mogelijk maken. De reden waarom het Genootschap de bewoonde aarde onder een vloed van drukwerk heeft bedolven, is om het werk van Jehovah te versnellen.

Sinds het verschijnen van het Waarheid-boek bijvoorbeeld zijn ruim vierenzeventig miljoen exemplaren van dit boek in 90 talen onder de mensen gebracht. Maar hoeveel mensen zijn sinds de verschijning van dit boek in de waarheid gekomen? De cijfers laten zien dat de toename aan verkondigers in die periode 880.000 bedraagt. Lectuur die bij de mensen achtergelaten kan worden, versnelt het werk in hoge mate en daarvandaan dat het Genootschap er voortdurend bij ons allen op aandringt om lectuurverspreiders te zijn. Levens zijn ermee gemoeid! Een stuk lectuur vindt soms zijn weg tot vele mensen en dé methode om Gods boodschap in deze tijd met nog grotere kracht te verbreiden is: Meer lectuur verspreiden.

Aan het begin van dit dienstjaar sprak broeder Knorr de wens uit dat de oplage van de tijdschriften de tien miljoen zou gaan bereiken. Jehovah heeft deze gedachte en de inspanningen van zijn volk zo gezegend dat het niet lang meer zal duren of De Wachttoren en de Ontwaakt! worden met een oplage van tien miljoen per uitgave gedrukt. Bedenk eens wat dit betekent. Veertig miljoen tijdschriften elke maand. Jezus zei: „Dit goede nieuws van het koninkrijk zal op de gehele bewoonde aarde worden gepredikt tot een getuigenis voor alle natiën, en dan zal het einde komen” (Matth. 24:14). Tijdschriften doen hun werk en dringen tot in elke uithoek van de bewoonde aarde door. De „getrouwe en beleidvolle slaaf” kwijt zich beslist van zijn plicht de talenten van de Meester in hoge mate te vermeerderen.

Het is gemakkelijk in te zien dat ons aandeel aan het versnellen van het bijeenvergaderingswerk eenvoudig bestaat in het verspreidingsgezind zijn. Wat betekent dit? Wel, ben je bij de tijdschriftendienaar voor een vast aantal tijdschriften per maand ingeschreven, misschien 20 of meer per maand? Wanneer je een pionier bent, sta je dan voor 100 ingeschreven en als speciale pionier voor 150 stuks? Laten wij de zaak nuchter beredeneren. Begint verspreiding niet bij de lectuurbalie in de Koninkrijkszaal? Jehovah zal een positieve instelling zegenen en wij geloven zeker dat iemand die elke maand zijn eigen hoeveelheid tijdschriften afneemt, ook de juiste instelling heeft om ze snel onder de mensen te brengen. Een Koninkrijksverkondiger zal graag altijd tijdschriften bij zich willen hebben, zodat hij ze overal en te allen tijde kan aanbieden. Heus waar, het is niet zo moeilijk om elke week zo’n vier of vijf tijdschriften af te geven, als je er maar mee bezig blijft. Je zult zien dat je na verloop van tijd niet voldoende zult hebben aan je oorspronkelijke inschrijving.

Maar wacht eens even, je hebt toch niet alleen tijdschriften in je tas? Hoe denk je over het aanbieden van boeken? Waar begint boekverspreiding? Alweer bij de balie van de lectuurdienaar. Wat zou een Koninkrijksverkondiger nu moeten beginnen met één boek? Als je dat verspreidt, wat dan? Het duurt misschien enkele dagen voordat je weer in de Koninkrijkszaal zult zijn. Zou je wat aan twee boeken hebben? Wel wat meer, ongetwijfeld, doch als je op straat, van huis tot huis, bij informeel getuigenisgeven, aan je kennissen en familieleden, op je werk of tijdens het doen van boodschappen altijd de nieuwste boekjes bij je hebt, hoeveel boeken zou je dan bij je moeten hebben? Een positieve verkondiger vindt het heel gewoon om zich ten doel te stellen elke maand enkele boeken te verspreiden, zelfs gedurende een abonnementsveldtocht. Iemand die altijd boeken bij zich heeft en ze bij elke gelegenheid aanbiedt, verspreidt ze ook. Zeker zullen pioniers zich een doel kunnen stellen van zo’n tien of twintig boeken per maand, en met positieve krachtsinspanningen zullen zij dit doel vaak kunnen bereiken.

Een noodzakelijk werk

Alle lectuurverspreiding van de wereld op zich zou echter niet bij machte zijn mensen over Gods voornemen te onderwijzen. Lectuur baant vaak de weg, doch het belangrijke werk dat daarna komt, werd door Paulus tot uitdrukking gebracht toen hij zei: „Apóllos heeft begoten” (1 Kor. 3:6). In deze eenvoudige woorden gaf hij een beschrijving van wat wij het nabezoek- en bijbelstudiewerk noemen. Vlak voordat Jezus terug zou keren tot in de tegenwoordigheid van zijn Vader en nadat hij zijn discipelen de talenten had toevertrouwd, zei hij: „Gaat daarom en maakt discipelen van mensen uit alle natiën, hen dopende in de naam van de Vader en van de Zoon en van de heilige geest, en leert hun onderhouden alles wat ik u geboden heb.” — Matth. 28:19, 20.

Wat een ontzagwekkende opdracht. Omdat de „getrouwe en beleidvolle slaaf” dit heeft begrepen, zijn er over de gehele aarde theocratische bedieningsscholen ingesteld, worden de ouderlingen op de Koninkrijksbedieningsschool onderwezen, zijn ruim vijfduizend zendelingen op de Gileadschool opgeleid en worden er ruim één miljoen huisbijbelstudies over de gehele aarde geleid. Wat hier zo in een paar woorden wordt gezegd, komt echter neer op hard werk, op een onvermoeibare speurtocht naar mensen die van enige belangstelling blijk hebben gegeven. Zou jij in het dienstjaar 1976 nog meer aandacht aan deze tak van dienst kunnen besteden? Zou jij kunnen proberen meer studies op te richten? Vergeet niet dat het Jehovah’s werk is, dat Jezus met zijn heilige engelen is gekomen om de mensen van elkaar te scheiden (Matth. 25:31, 32). Wanneer jij Jehovah dus in gebed om één of meer bijbelstudies smeekt, zal hij jou die bijbelstudie geven of jou op zijn minst de kracht geven jouw bijdrage op dit terrein te vergroten. Word jij er echter door jouw liefde voor God en jouw naaste toe gedrongen om als het ware dag en nacht „op sjouw” te zijn een bijbelstudie te krijgen? Heb jij Jehovah hierin al volledig beproefd? — Mal. 3:10.

Jehovah’s organisatie is over de hele wereld gereed om een nog veel grotere expansie op te vangen. Ook wij hier zijn gereed. Jehovah heeft het bouwen van Koninkrijkszalen gezegend, er zijn vele ouderlingen en dienaren in de bediening in de gemeenten, wij hebben een overvloed aan lectuur en er zijn dertien en een half miljoen mensen tot wie wij kunnen prediken. Ook al zouden wij in de komende tijd tot 35.000 verkondigers groeien, dan nog is de verhouding van Getuigen op de bevolking 1 op 386. In heel wat landen der wereld is deze verhouding reeds bereikt of overschreden. Zolang Jehovah ons nog de tijd geeft om te blijven prediken, zullen wij zoveel mogelijk mensen willen helpen met spoed Babylon de Grote en de rest van Satans organisatie te verlaten.

Om dit grootse werk in 1976 werkelijk tot een hoogtepunt aller tijden te maken, moet het beschikbare vermogen in elke gemeente optimaal aan het werk worden gezet. Paulus verzekert ons: „Voor alle dingen bezit ik de sterkte door hem die mij kracht verleent” (Fil. 4:13). Wij zijn van deze kracht afhankelijk. Deze kracht verschaft Jehovah door middel van heilige geest en hij geeft die edelmoedig en zonder verwijt aan hen die erom vragen en die zich openstellen voor de inwerking van zijn geest.

In ons streven naar een vruchtbaar 1976 spelen de ouderlingen een grote rol. Hun voorbeeld in actieve dienst in het veld en op de vergaderingen kan velen tot grotere activiteit inspireren. Het zal hun taak zijn om de dienst die wij in het dienstjaar 1976 beogen, op een passende wijze te beklemtonen.

De verkondigers in het algemeen dragen de verantwoordelijkheid om voordeel te trekken van het voorbeeld van de ouderlingen. Zij worden door de Schrift (Hebr. 13:7) aangemoedigd: „Houdt hen in gedachtenis die onder u de leiding nemen, . . . en volgt hun geloof na, lettend op het einde van hun wandel.” Volgens Paulus’ woorden in vers 17 rust op een ieder de plicht om gunstig te reageren op de aanmoedigingen en raad van ouderlingen: „Weest gehoorzaam aan hen die onder u de leiding nemen.” Wanneer iemand problemen in zijn bediening heeft, is het zijn voorrecht om voor raad naar een ouderling te gaan en elke ouderling zal graag hulp willen verschaffen. Wees heel vrijmoedig in het benaderen van ouderlingen ten einde hen om hulp en raad te vragen, zoals de Spreukendichter dit stelt: „Raad in het hart van een man is als diepe wateren, maar de man van onderscheidingsvermogen, die zal hem naar boven halen.” — Spr. 20:5.

De ouderlingen zouden er goed aan doen om in de komende maanden een programma op te stellen waarbij elk gezin of elke verkondiger individueel wordt benaderd om te bepalen waar hulp geboden kan worden om een ieder in de gemeente te helpen zijn dienst in het veld zo doeltreffend mogelijk te maken, met inachtneming van de omstandigheden van elke verkondiger.

Daarom, broeders en zusters, en allen die met ons verbonden zijn, laten wij ons meer dan ooit inzetten voor de zaak van Jehovah. Laten wij onze liefde voor Jehovah en Christus verdiepen door onszelf te verloochenen, zoals Jezus ons aanspoorde: „Wie grotere genegenheid voor vader of moeder heeft dan voor mij, is mij niet waardig; en wie grotere genegenheid voor zoon of dochter heeft dan voor mij, is mij niet waardig. En al wie zijn martelpaal niet aanvaardt en mij niet navolgt, is mij niet waardig. Wie zijn ziel vindt, zal ze verliezen, en wie zijn ziel verliest ter wille van mij, zal ze vinden.” — Matth. 10:37-39.

Het is nu de tijd dat degenen wier omstandigheden het toelaten, in de pioniersdienst gaan of, indien dit niet mogelijk is, misschien af en toe de tijdelijke pioniersdienst ter hand nemen. Het is nu de tijd om als gemeenteverkondigers onze dienst voor Jehovah uit te breiden en nog bewuster dan ooit tevoren met milde hand lectuur te zaaien en naarstig naar bijbelstudies te speuren. Jezus Christus zei dat niemand de dag en het uur weet waarop de „grote verdrukking” zal toeslaan, maar wij weten wel dat wij ons diep in de tijd van het einde bevinden en dat de overgebleven tijd kort is. Wij willen het beste gebruik maken van de gelegenheden die nog openstaan om het werk te doen dat God ons in deze tijd heeft toegewezen. Moge dit ons besluit voor het dienstjaar 1976 zijn.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen