Een dor land wordt vruchtbaar
ZOALS VERTELD DOOR ARTHUR MELIN
Het was een heldere lentedag in 1930, en ik stond op een kade in Prince Rupert (British Columbia). Terwijl ik neerkeek op de boot die op de zeebedding rustte, vroeg ik mij af: ’Waar is al het water gebleven?’ Dit was mijn eerste kennismaking met de getijden van de Grote Oceaan aan de westkust van Canada, waar de zeespiegel in slechts zes uur wel zeven meter kan dalen. Maar hoe raakte een boerenzoon die op de prairie was opgegroeid, aan de kust van de Grote Oceaan verzeild?
IK WAS uitgenodigd om mijn voorrecht in de volle-tijddienst voor Jehovah uit te breiden door mij aan te sluiten bij de bemanning van de boot Charmian. Onze toewijzing bestond in het opstarten van het predikingswerk langs de geïsoleerde westkust van Vancouver tot Alaska. Dit gebied besloeg het grootste gedeelte van de vele kilometers lange kustlijn van British Columbia, die in geestelijk opzicht een dorre wildernis was, zonder actieve lofprijzers van Jehovah. De enige uitzondering vormde een kleine groep Koninkrijksverkondigers in het stadje Prince Rupert.
Ik popelde om te beginnen, dus toen ik uit de trein stapte, ging ik onmiddellijk naar de kade om de boot Charmian te zien en kennis te maken met de bemanning, Arne en Christina Barstad. Er was niemand aan boord, dus ik ging weg. Toen ik later op de dag terugkwam, was ik geschokt. Het was alsof de oceaan leegliep!
Maar wat ging er aan deze interessante toewijzing vooraf?
Een geestelijke erfenis
Mijn waardering voor geestelijke zaken begon thuis, op de vlakten van Alberta (Canada). Mijn vader had een traktaat gevonden, geschreven door Charles Taze Russell van Zion’s Watch Tower Tract Society, waardoor zijn leven ingrijpend veranderde. Vader begon ondanks zijn tijdverslindende werk op de boerderij in Calmar (Alberta) tot zijn buren te prediken. Dat was honderd jaar geleden, aan het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw.
In dit godvrezende gezin werd ik op 20 februari 1905 geboren, de achtste van uiteindelijk tien broers en zussen. Vader, alsook anderen in deze Zweedse gemeenschap, verbond zich met de Internationale Bijbelonderzoekers. Na verloop van tijd bouwden zij een vergaderplaats, die later Koninkrijkszaal werd genoemd. Het was een van de eerste in Canada.
Het werk op de boerderij heeft ons er nooit van weerhouden de christelijke vergaderingen te bezoeken, waar soms lezingen werden gehouden door gastsprekers die door het Wachttorengenootschap waren uitgezonden. Deze lezingen wakkerden in ons het vurige verlangen aan om aan het predikingswerk deel te nemen. Daardoor is bijna ons hele gezin standvastig in het licht van de bijbelse waarheid blijven wandelen.
Deelnemen aan het predikingswerk
Vroeg in de jaren twintig kreeg ik mijn eerste predikingstoewijzing. Ik moest in de stad Edmonton huis aan huis uitnodigingen voor een openbare lezing verspreiden. Aangezien ik er die dag alleen voor stond, leerde ik een waardevolle les: Vertrouw op Jehovah (Spreuken 3:5, 6). Wat was ik gelukkig dat ik mij met Jehovah’s hulp van die eerste toewijzing kon kwijten!
Mijn vertrouwen in Jehovah’s zichtbare organisatie en in zijn getrouwe en beleidvolle slaafklasse bleef groeien naarmate er meer inzicht in zijn Woord van waarheid werd verschaft. Veel praktijken en gebruiken van de christenheid, zoals het vieren van Kerstmis en verjaardagen, werden afgeschaft. Het accent lag niet langer op persoonlijke redding; in plaats daarvan ging men de Koninkrijksprediking de juiste waarde toekennen. Dit alles had een diepgaande uitwerking op mijn leven. Daarom stelde ik mij niet lang nadat ik op 23 april 1923 mijn leven aan Jehovah had opgedragen, de volle-tijddienst ten doel.
In de prairiewinters met temperaturen ver onder nul predikten wij met een arreslee op het platteland. Ik heb eens twee weken lang met een groep het werk gedaan dat toen bekendstond als het woonautowerk. Deze speciale auto’s bleken praktisch te zijn bij de prediking op de open vlakten van de Canadese prairie. Ondanks financiële problemen, barre weersomstandigheden en enorme afstanden lukte het mij om met enige onderbrekingen ongeveer drie jaar lang de pioniersdienst in Alberta vol te houden tot die gedenkwaardige dag in 1930, toen ik een uitnodiging kreeg om aan de Canadese westkust, aan de Grote Oceaan, te dienen. Aangezien ik niets van de zee of van boten af wist, was ik verbaasd over die uitnodiging.
Welnu, ik voelde mij na mijn aankomst in Prince Rupert al gauw thuis bij mijn nieuwe medewerkers op de boot. Broeder Barstad was een doorgewinterde zeeman, die jarenlang als visser had gewerkt. De volgende zes jaar waren een periode van intensief prediken terwijl wij van Vancouver tot Alaska de kustwateren van British Columbia bevoeren. Weer een les geleerd: Aanvaard altijd een toewijzing van Jehovah en wees daar nooit terughoudend in.
Zaaien langs de kust
De eerste haven die wij in die lente van 1930 aandeden, was Ketchikan (Alaska), waar wij zestig dozen bijbelse lectuur inlaadden. In enkele weken bezochten wij alle huizen in Ketchikan, Wrangell, Petersburg, Juneau, Skagway, Haines, Sitka en andere ver uit elkaar gelegen plaatsjes. Vervolgens bewerkten wij de hele kust van British Columbia en waren daar voor het einde van de zomer mee klaar. Afgelegen houthakkerskampen, visconservenfabrieken, indianendorpen, stadjes, alsook geïsoleerd wonende kolonisten en pelsjagers werden bezocht. Soms konden wij maar niet wegkomen bij eenzame vuurtorenwachters die blij waren dat zij met iemand konden praten.
Na verloop van tijd rustte het Genootschap ons toe met draagbare grammofoons en op de plaat opgenomen bijbellezingen. Wij namen ze met ons mee, samen met boeken, bijbels en tijdschriften. Vaak moesten wij ze dragen terwijl wij over de kustrotsen klauterden. Bij eb moesten wij ze soms langs gammele ladders de hoge kaden op sjouwen. Ik was blij met de lichamelijke oefening die ik in mijn jeugd had gehad door het werk op een prairieboerderij.
De geluidsinstallatie op onze boot was een krachtig hulpmiddel bij het verbreiden van het Koninkrijksnieuws. Aangezien de geluidsgolven door het wateroppervlak worden weerkaatst, waren de opgenomen lezingen vaak mijlenver te horen. Toen wij eens in een afgeschermde inham op Vancouver Island voor anker lagen, draaiden wij een van deze bijbellezingen. De volgende dag vertelden de mensen die in het binnenland woonden ons opgewonden: „Gisteren hebben wij rechtstreeks uit de hemel een preek gehoord!”
Bij een andere gelegenheid zei een ouder echtpaar dat zij muziek uit hun schoorsteen hadden horen komen, maar toen zij naar buiten gingen, hoorden zij niets. Toen zij weer binnen waren, hoorden zij een stem. Hoe kwam dat? Welnu, terwijl zij buiten stonden, hadden wij de plaat verwisseld. Wij draaiden altijd eerst muziek om de aandacht van de mensen te trekken en daarna een bijbellezing.
Bij weer een andere gelegenheid, toen wij vlak bij een eiland met een indianendorp voor anker lagen, kwamen er twee inheemse jongens aangeroeid om te kijken waar de stemmen vandaan kwamen. Sommigen op het eiland dachten dat het de stemmen van hun doden waren die tot leven waren gekomen!
Het was niet ongewoon om honderd boeken per dag te verspreiden aan de werknemers van afgelegen visconservenfabrieken. Door het gebrek aan vertier hadden zij tijd om over geestelijke zaken na te denken. Uiteindelijk werden veel van deze geïsoleerd wonende mensen Getuigen. Op de volgende tochten zagen wij ernaar uit hen te bezoeken voor „een uitwisseling van aanmoediging”. — Romeinen 1:12.
Voortgezette dienst met een huwelijkspartner
In 1931 trouwde ik met de zus van Christina Barstad, Anna. Daarna zetten wij onze pioniersdienst samen voort op de boot en maakten in de loop der jaren vele lonende ervaringen mee. Walvissen, zeeleeuwen, robben, dolfijnen, herten, beren en arenden vergezelden ons tegen een achtergrond van majestueuze bergen, afgeschermde inhammen en beschutte baaien met ceders, pijnbomen en reusachtige douglassparren. Verscheidene keren hebben wij uitgeputte herten en hun jongen geholpen terwijl ze een snelstromende geul probeerden over te zwemmen om aan roofdieren te ontkomen.
Op een middag zagen wij een Amerikaanse zeearend laag over het water vliegen met een grote quinnat (een zalmsoort) stevig in zijn klauwen. De vis was te groot om hem in z’n geheel uit het water te tillen, dus de arend vloog naar de kust met de zalm op sleeptouw. Frank Franske, een bemanningslid, zag zijn kans schoon en rende langs de kustlijn naar de vermoeide arend toe en overreedde hem afstand te doen van zijn vangst. Onze pionierbemanning genoot die avond van een heerlijk zalmgerecht en de arend leerde te delen, zij het met tegenzin.
Op een eilandje aan het noordelijke uiteinde van Vancouver Island aanvaardde een echtpaar, Thuot genaamd, de bijbelse waarheid. Hij was analfabeet, een wilskrachtige en onafhankelijke man van in de negentig, en zij was in de tachtig. Hij was echter zo geboeid door de waarheid dat hij zich vernederde en zijn vrouw toestond hem te leren lezen. Al gauw kon hij de bijbel en de publikaties van het Genootschap zelf bestuderen. Nog geen drie jaar later smaakte ik de vreugde hen beiden op hun afgelegen eilandje te dopen, waarbij wij onze roeiboot als doopbassin gebruikten!
Wij ervoeren ook de vreugde de familie Sallis in Powell River gunstig te zien reageren op de Koninkrijksboodschap. Walter las de brochure Oorlog of vrede? en herkende de klank van de waarheid onmiddellijk. Kort daarna sloot het hele gezin zich bij Walter aan in de pioniersgelederen in Vancouver, waar wij de Charmian ’s winters in het dok brachten. Hij bleek heel ijverig te zijn en maakte zich in de loop der jaren geliefd bij de gehele gemeenschap van broeders in het gebied van Vancouver. Hij beëindigde zijn aardse loopbaan in 1976 en liet een grote familie van Getuigen achter.
Tegenstand overwinnen
De geestelijken in de indianendorpen stoorden zich vaak aan ons werk en bezagen ons als indringers in hun domein. In Port Simpson eiste de plaatselijke geestelijke dat het dorpshoofd ons zou verbieden de huizen te bezoeken. Wij namen contact op met het dorpshoofd en vroegen of hij vond dat de geestelijke zijn volk terecht als mensen classificeerde die te dom waren om een eigen mening te hebben. Wij stelden voor dat zijn mensen de gelegenheid zouden krijgen een bespreking van Gods Woord te horen en zelf zouden beslissen wat zij wilden geloven. Het resultaat was dat hij ons toestemming gaf om in het dorp te blijven prediken.
Een ander dorpshoofd verijdelde tientallen jaren alle pogingen van raadsleden en religieuze groeperingen om de Getuigen ervan te weerhouden contact te leggen met zijn mensen. „Zolang ik het dorpshoofd ben,” zei hij, „zijn Jehovah’s Getuigen hier welkom.” Toegegeven, wij waren niet altijd overal welkom, maar ondanks de tegenstand werden wij nooit gedwongen een gebied te verlaten. Zo konden wij telkens als wij voor anker lagen onze bediening volbrengen.
Moeilijkheden op zee verduren
In de loop der jaren hebben wij het hoofd moeten bieden aan moeilijkheden zoals stormen, getijden, rotsen die niet in kaart waren gebracht en soms zelfs motorstoringen. Op een keer kwamen wij te dicht in de buurt van Lasqueti Island, ongeveer 160 kilometer ten noorden van Vancouver. Wij liepen vast op een rif, zaten daar bij afgaand tij gevangen en waren overgeleverd aan de elementen. Als het slecht weer was geworden, zou de boot aan stukken zijn geslagen op de rotsen. Wij klauterden allemaal de rotsen op en maakten het beste van een nare situatie. Wij gebruikten ons middagmaal, studeerden een beetje en wachtten totdat het weer vloed zou worden.
Ondanks de vele risico’s en ongemakken was het een gezond en gelukkig leven. De geboorte van onze twee zonen bracht echter een grote verandering teweeg. Wij bleven op de boot wonen, maar telkens wanneer wij zo ver noordelijk als de rivier de Oona voeren, bleven Anna en de jongens daar bij haar ouders terwijl de overigen van ons verder naar het noorden, naar Alaska, gingen. Wanneer wij vervolgens naar het zuiden terugkeerden, gingen Anna en de kinderen weer met ons mee.
Ik kan mij niet heugen dat de kinderen ooit hebben geklaagd of ziek zijn geweest. Zij hadden altijd een reddingsgordel om, en soms bonden wij hen zelfs aan een touw. Ja, er waren wel eens spannende momenten.
Verdere aanpassingen
In 1936 moesten wij de Charmian verlaten, en ik ging werelds werk verrichten. Later kregen wij een derde zoon. Na verloop van tijd kocht ik een vissersboot, waarmee wij niet alleen in ons levensonderhoud konden voorzien maar ook het predikingswerk langs de kust konden voortzetten.
Wij vestigden ons op Digby Island, aan de overkant van de baai vanuit Prince Rupert gezien, en het duurde niet lang of er werd een kleine gemeente gevormd. In de Tweede Wereldoorlog, toen de prediking van Jehovah’s Getuigen in Canada verboden was, namen wij ’s nachts een boot naar Prince Rupert en hielden een bliksemactie in het gebied, waarbij wij in elk huis lectuur achterlieten. Niemand heeft onze nachtelijke overtochten ooit in verband gebracht met de verspreiding van verboden lectuur!
Het land is vruchtbaar geworden
Langzamerhand gingen meer mensen zich met Jehovah’s Getuigen verbinden, en in 1948 bestond in Prince Rupert een duidelijke behoefte aan een Koninkrijkszaal. Nadat wij een legergebouw aan de overkant van de haven hadden gekocht, braken wij het af, vervoerden het met een vlot naar de overkant en vervolgens met een vrachtauto naar het bouwterrein. Jehovah zegende ons harde werk en wij hadden onze eigen Koninkrijkszaal.
In 1956 voegde ik mij weer bij de pioniersgelederen en Anna sloot zich in 1964 bij mij aan. Wij bewerkten opnieuw de kust van de Grote Oceaan met de boot. Wij hebben ook enige tijd een aandeel aan het kringwerk gehad, waarbij wij gemeenten bezochten vanaf de Queen Charlotte Islands in oostelijke richting over de bergen naar het Fraser Lake en later helemaal naar Prince George en Mackenzie. In de loop der jaren hebben wij met de auto, per boot of per vliegtuig duizenden mijlen langs de hele Canadese noordwestkust, aan de Grote Oceaan, afgelegd.
In Prince Rupert maakten wij steeds weer geweldige ervaringen in de bediening mee. Anna en ik hebben beiden met personen gestudeerd die later de Wachttoren-Bijbelschool Gilead hebben bezocht en daarna als zendelingen in het buitenland hebben gediend. Wat is het een vreugde om onze geestelijke kinderen de kostbare Koninkrijksboodschap naar verre landen te zien uitdragen!
Nu zijn wij allebei ver over de tachtig en hebben met een verslechterende gezondheid te kampen, maar wij zijn nog altijd gelukkig in Jehovah’s dienst. Het natuurschoon dat wij in Alaska en British Columbia hebben gezien, roept dierbare herinneringen bij ons op. Maar het schenkt nog grotere vreugde te zien dat er in de eens geestelijk dorre wildernis van dit immense gebied nu vele gemeenten van Jehovah’s lofprijzers bloeien.
Het heeft ons vooral goedgedaan te zien dat onze eigen kinderen, alsook onze geestelijke kinderen, opgroeien en Jehovah zegenen. Wij verheugen ons erover dat wij een klein aandeel aan de geestelijke groei in dit deel van de wereld hebben gehad. Alaska bijvoorbeeld heeft nu zijn eigen bijkantoor dat het werk van ruim 25 gemeenten coördineert.
Hier in Prince Rupert hadden wij in 1988 het voorrecht midden in het centrum een prachtige nieuwe Koninkrijkszaal in te wijden. Ja, wij zijn blij net als Jesaja te kunnen zeggen: „Gij hebt aan de natie toegevoegd; o Jehovah, . . . gij hebt uzelf verheerlijkt. Gij hebt alle grenzen van het land ver uitgebreid.” — Jesaja 26:15.
[Illustratie op blz. 21]
In de kringdienst, 1964–1967
[Illustratie op blz. 24]
Het type boot dat gebruikt werd bij het prediken langs de kust