Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w62 15/1 blz. 41-44
  • Beloningen voor volharding

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Beloningen voor volharding
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1962
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • BEVREDIGENDE DIENST
  • VOLHARDING IN HET CARIBOODISTRICT
  • TERUG NAAR DE BOTEN
  • TOEGENOMEN DIENSTVOORRECHTEN
  • VREUGDEVOLLE BELONINGEN
  • Een dor land wordt vruchtbaar
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1994
  • ’Eerst het koninkrijk zoeken’
    Jehovah’s Getuigen — Verkondigers van Gods koninkrijk
  • Op Jehovah vertrouwen schenkt geluk
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1990
  • Volle-tijddienaren van God
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1967
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1962
w62 15/1 blz. 41-44

Beloningen voor volharding

Zoals F. J. Franske dit heeft verteld

DE INDIANEN zwierven nog over de vlakten van west-Canada terwijl het als jongen op een veeboerderij mijn werk was om in het zadel te zitten. Voor dit soort van leven had men volharding nodig, maar de beloningen waren slechts beperkt. In 1921 opende zich een nieuw leven voor mij; een groot gedeelte hiervan zou ik in het ruige westen doorbrengen, maar de volharding zou ik in de dienst van God aan de dag moeten leggen. De beloningen zijn vele geweest.

Een zorgvuldige studie van Gods Woord toonde mij, dat er een werk moest worden gedaan, dat anderen in het belang van hun leven moesten worden onderwezen. Het artikel „De geboorte van de natie” in een exemplaar van The Watchtower van 1925 bracht mij dit bijzonder duidelijk onder ogen. Ik las en herlas het artikel en terwijl ik dit deed, groeide mijn waardering voor Gods wonderbaarlijke koninkrijk dermate, dat ik bij mijzelf vaststelde dat dienst in het belang van dit doel alles waard was om tot je eigendom te maken.

BEVREDIGENDE DIENST

Dat jaar gaven mijn broer en ik ons op voor de colporteursdienst en werden wij door het Wachttorengenootschap uitgezonden als een van de vier „schoolteams” die in scholen overal in de prairieprovincies lezingen moesten houden. De reactie was goed, en de balken buiten waaraan de paarden vastgebonden konden worden, waren vaak volledig bezet, terwijl de veedrijvers binnen naar de lezing luisterden. Een van onze onderwerpen was: „Is de hel heet?” en tegen de tijd dat wij aantoonden, dat de bijbelse hel niet warmer was dan het graf, kregen de plaatselijke predikanten het gevoel dat het hier op aarde toch nog behoorlijk warm kon zijn. Eens moest ik door een misverstand het podium met een politicus delen. Wat liep hij rood aan! De toehoorders vonden het echter prachtig. Het gezin waar wij verbleven, aanvaardde zelfs de boodschap en een van de meisjes ging als pionierster de volle-tijd-dienst in.

Toen brak 1929 aan en deed zich tevens de noodzaak van volharding in een nieuw gebied voelen. Het Genootschap stuurde mij naar Newfoundland en gaf mij de leiding over een schoener, de „Morton”. Op dat ogenblik wist ik totaal niets van schepen af, maar in de daaropvolgende jaren, waarvan ik er twaalf gedeeltelijk op zee doorbracht, kon ik veel leren. Mijn partner, Jimmy James, en ik predikten in alle havens van Newfoundland en in gedeelten van Labrador. Dikwijls hadden wij met ruwe zeeën, dichte mist en zware ijsgang te kampen. Eens voeren wij in volle vaart op een rots onder het water, terwijl wij ook een keer in de val kwamen te zitten doordat ’s nachts een enorme ijsberg de haven waarin wij lagen, had afgesloten. In de winter trok ik vaak met een span honden langs de kust. Met de Eskimo’s ruilden wij lectuur voor bont en leerwaren; van de Newfoundlanders ontvingen wij geld en gedroogde vis en ook wel andere goederen wanneer wij bijbelse lectuur bij hen achterlieten. De verspreiding was enorm en het werk schonk ons grote bevrediging.

In Montreal, waar ik in 1931 was, hadden wij niet met een ruwe zee te kampen, maar met het gepeupel van Quebec, dat, door hun priesters opgestookt, even onberekenbaar was en achter ons aan joeg wanneer wij uit de bijbel trachtten te prediken. Zelfs de politie gaf gehoor aan het verzoek van de geestelijkheid en het leek wel alsof elke politieagent in de stad op ons loerde. Wij waren geregelde bezoekers op het politiebureau, maar vertrokken niet. Wij kenden de volgende schriftuurplaats: „Indien gij echter, wanneer gij goeddoet en lijdt, het verduurt, dát is aangenaam bij God.” — 1 Petr. 2:20, NW.

Het volgende jaar had ik de leiding over een groep pioniers die zich specialiseerden in velddienst en overal in de provincie Ontario weekendvergaderingen hielden. Het was een interessant maar inspannend werk. Ik had nog niet geleerd, hoe ik mijn krachten kon sparen; ik werkte te hard en moest hier in het najaar voor boeten, doordat ik een zenuwinstorting kreeg. Daar dit steeds weer terugkeerde, moest ik van omgeving veranderen.

VOLHARDING IN HET CARIBOODISTRICT

Ik keerde terug naar de westkust, voegde mij bij een ex-lid van de bereden politie, waarna wij ons geheel en al wijdden aan het predikingswerk in het beroemde Cariboodistrict van veeboeren en goudmijnen in het centrum van Brits-Columbia; hier werkten wij onder mijnwerkers, houthakkers, pelsjagers, veedrijvers en Indianen. Het was een land voor mannen — ruw maar produktief. De nederzettingen lagen zo verspreid en de afstanden naar de steden waren zo groot, en wij kwamen er maar zo zelden, dat wij moeilijk een voorraad voedsel konden handhaven; daarom hadden wij een geweer bij ons en schoten ons vlees of visten in de woeste bergstromen. Onze maaltijden varieerden van bessen en wilde sneeuwhoenders tot elanden en berenvlees. Wij leefden werkelijk van het vette van het land.

Hoe dikwijls zaten wij aan het einde van de dag onder de geurende pijnbomen in het hoge bergland en keken wij naar de vonkende stukjes hout van ons knappende vuur! Daar onder de sterrenhemel spraken wij over De Wachttoren, of dachten na over de Schrift en de wonderbaarlijke vooruitzichten welke onder het Koninkrijk waarvoor wij werkten en waarom wij baden, verwezenlijkt zouden worden.

In het volgende voorjaar werden onze plannen door een ramp volkomen opgebroken; mijn partner kwam bij een auto-ongeluk om het leven. Ik probeerde alleen door te gaan, maar daar ik van tijd tot tijd een maand alleen moest werken, hield ik het niet vol. Er moest iets geregeld worden, wilde ik door kunnen gaan.

Ik had een metgezel nodig, en degene die ik vond, was vanaf het begin geduldig en praktisch, klaagde niet en was trouw. Wij trouwden in 1935 en zetten het werk in het Cariboodistrict voort. Ons gebied was woest. Vele malen gleden wij bijna van de steile bergwegen af en eens zakten wij in een moeras weg en moesten er met auto en al worden uitgetrokken. Bij een andere gelegenheid, toen ik een gedeelte van mijn tijd aan werelds werk besteedde, kreeg ik een diepe houw met een bijl in mijn been. Er was geen dokter in de buurt, maar met vers plantaardig materiaal van de bomen konden wij het toch behandelen. Wij hielden van ons gebied en de mensen. Hun opgewekte uitnodiging „Kom maar binnen, de deur staat open”, schonk ons altijd vreugde. Wij sloten in die tijd vele hartverwarmende vriendschappen met Indianen en blanken, en thans is het land met een netwerk van gemeenten van Jehovah’s getuigen bedekt.

TERUG NAAR DE BOTEN

Na korte perioden van dienst op Vancouver Island, in Winnipeg en op de boot van het Genootschap, kreeg ik het weer te kwaad met mijn zenuwen. Ik zond wel bericht van in de velddienst doorgebrachte uren op, maar was niet werkelijk bij mijn werk. Ik had een volledige verandering nodig, en monsterde daarom aan als machinist op een sleepboot. Hoewel dit lichamelijk goed voor mij was, kon ik hierdoor niet de gemeentevergaderingen bezoeken en had ik geen omgang met mijn christelijke broeders en zusters, en dat was moordend. Daarom kocht ik mij een eigen zalmboot en viste, terwijl mijn vrouw in Vancouver bleef pionieren. Net toen wij plannen maakten om een grote zeewaardige zalmboot te laten bouwen met een ruim woongedeelte, zodat wij langs de kust van Brits-Columbia zouden kunnen pionieren, kreeg mijn vrouw kanker en moest ik haar in november 1946 begraven. Wat nu?

Ik was uitermate moedeloos, maar men komt niet over een dergelijk verlies heen, door de tijd in ledigheid door te brengen. Ik bleef op de boot werken en nodigde Jim Quinn uit om mijn partner te worden. Samen brachten wij de Koninkrijksboodschap naar elk eiland, elke inham, elk houthakkerskamp, elke vuurtoren en nederzetting langs de kust. Maandelijks rapporteerden wij meer dan tweehonderd uur predikingswerk, terwijl wij negentig uur aan reizen besteedden, hetgeen wij vaak ’s nachts deden. Wij lieten echter van Vancouver tot aan Prince Rupert en zelfs tot in Alaska een spoor van bijbelse lectuur na. In twaalf maanden tijd sloten wij meer dan vijftienhonderd abonnementen op De Wachttoren en Ontwaakt! af. Mijn hoofd was weer helder.

TOEGENOMEN DIENSTVOORRECHTEN

Dat najaar ontving ik een uitnodiging om in het kringwerk een reizende vertegenwoordiger van het Genootschap te worden; ik verliet daarom de boot om aan de westkust gelegen gemeenten te bezoeken. Het was een enorm interessant werk. Een paar jaar later werd ik als districtsdienaar aangesteld en bediende ik geregeld grote vergaderingen. Canada was toen in twee districten verdeeld; ik had het westen, terwijl Jack Nathan het oosten bediende. Wij reisden per auto, trein, schip en vliegtuig om de grote afstanden af te leggen. Na een jaar wisselden wij en ging ik naar het oosten.

Na de Vergadering der Nieuwe-Wereldmaatschappij in 1953 in New York werd ik uitgenodigd om een lid van de Canadese Bethelfamilie te worden. Ik werd op de Canadese Koninkrijksboerderij als boerderijdienaar aangesteld en dit bleek een verder dienstvoorrecht te zijn waardoor ik nog vele waardevolle ervaringen meer kon opdoen. Terwijl ik aan de velddienst bleef deelnemen, ging ik steeds beter beseffen dat ook nog andere werkzaamheden deel uitmaken van de bediening. In dit geval was het de voorziening van stoffelijk voedsel voor de harde werkers op Bethel, zodat de bijbelse publikaties en instructies naar de predikers in het veld konden blijven stromen. Deze nieuwe toewijzing deed een beroep op mijn kennis van de zuivelbereiding, het kweken van groente en fruit en alles wat daarmee in verband staat. Dit voerde mij terug naar mijn jeugd in het westen en aangezien ik met het vee was opgegroeid, ging het mij goed af.

VREUGDEVOLLE BELONINGEN

Hoeveel hebben wij niet in Jehovah’s dienst geleerd, en hoe nuttig is dit! In de loop der jaren hebben wij geleerd hoe nauw met broeders en zusters samen te werken, die onvolmaakt maar bereid zijn verschillen over het hoofd te zien omdat zij Jehovah en elkaar liefhebben. Wij hebben geleerd hoe iemands persoonlijkheid te vergeten en christelijke beginselen onpartijdig toe te passen. Wij hebben geleerd dat niemand van ons zich mag gaan afzonderen, maar dat wij elkaar nodig hebben. De warme vriendschap en het enthousiasme van de zijde van onze christelijke broeders en zusters monteren ons op wanneer wij wat neerslachtig zijn, en meditatie over Gods Woord werkt te zamen met een ernstig gebed voor een lusteloze geest als een helende balsem.

Ik heb nooit de normale vreugden van een gezinsleven genoten, maar mijn omgang met de enorme familie van Gods volk en de voorrechten welke mij bij het behartigen van de belangen hiervan ten deel zijn gevallen, hebben mij een schat van aangename betrekkingen opgebouwd, hetgeen met geen enkele andere ervaring vergeleken of daardoor geëvenaard kan worden. Waar ik ook kom, in Koninkrijkszalen of op congressen, overal vragen mensen mij: „Kunt u zich mij nog herinneren!”, waarna zij mij weer de een of andere gelegenheid waarbij wij te zamen dienst verrichtten — misschien dat zij voor het eerst mee de dienst ingingen of door mij werden aangemoedigd om zich over een bepaalde moeilijkheid heen te zetten — in de gedachten terugroepen. Zouden wij een dergelijke rijkdom aan ervaringen, een dergelijke waarderende familie, voor iets in de oude wereld willen ruilen?

De ervaringen die ik in mijn leven heb opgedaan, hebben mij getoond, dat Jehovah inderdaad door middel van zijn organisatie met zijn volk handelt, maar dat hij hen bovendien in tijd van nood persoonlijk steunt. Wij kunnen niet op onszelf vertrouwen en denken dat wij niet zullen vallen. Wij moeten naar Hem opzien en doen wij dit, dan schenkt hij kracht evenredig aan de behoefte. De apostel Paulus bracht het als volgt zo mooi onder woorden: „Daarom, wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valle. Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij er tegen bestand zijt.” — 1 Kor. 10:12, 13.

Als ik had opgegeven toen het mij allemaal moeilijk afging, zou ik geweldig veel hebben gemist. De problemen waaraan ik het hoofd heb moeten bieden, zijn slechts die waarmee vele onvolmaakte mensen te kampen hebben; soms zijn ze moeilijk, maar voor hem die op Jehovah vertrouwt, is Gods geest een wonderbaarlijke ondersteunende kracht.

Mijn haar wordt grijs en ik moet het nu wat kalmer aan doen. Ik heb opzij moeten stappen ten behoeve van jongere en bekwamere mannen, maar ik ben nog niet aan het einde van mijn krachten. Mijn tred is nog veerkrachtig en in mijn hart weerklinkt een loflied voor God.

Hoe dankbaar ben ik God, dat hij mij de kracht heeft geschonken om in zijn dienst te volharden! Wat een vol leven, welk een beloningen en wat een diepe voldoening zijn mijn deel geweest doordat ik mijn leven aan de dienst van God heb opgedragen!

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen