’Gelukkig zijn allen die Jehovah blijven verwachten’
ZOALS VERTELD DOOR DOMENICK PICCONE
Mijn ouders emigreerden in het begin van de jaren twintig van Italië naar de Verenigde Staten en vestigden zich uiteindelijk in Zuid-Philadelphia, destijds bekend als Klein-Italië. In 1927 verbonden zij zich met de Bijbelonderzoekers, die later bekend kwamen te staan als Jehovah’s Getuigen.
IK BEN in 1929 geboren en ben dus van kindsbeen af met de bijbelse waarheid in contact geweest. Ik kan mij herinneren dat Getuigen in ons huis bijeenkwamen voordat zij gingen prediken in streng rooms-katholieke steden in het kolenmijngebied van Pennsylvania, waar de broeders herhaaldelijk werden gearresteerd. Ik werd in 1941 op het congres van Jehovah’s Getuigen in St. Louis (Missouri) gedoopt. Toen ging het met mij de verkeerde kant op.
Ik kwam in contact met verkeerde jongelui uit de buurt en begon op straathoeken te roken en te gokken. Gelukkig zagen mijn ouders in dat zij hun greep op mij verloren en besloten zij naar een andere stadsbuurt te verhuizen. Ik was daar niet mee ingenomen, omdat ik hierdoor al mijn straatvrienden verloor. Als ik nu echter op die tijd terugkijk, ben ik mijn vader heel dankbaar. Hij bracht een groot financieel offer om mij uit die omgeving te halen. Terwijl hij vroeger naar zijn werk kon lopen, moest hij nu een lange rit met de ondergrondse maken. Door deze verhuizing ben ik echter weer in een theocratische omgeving teruggekomen.
Zaden voor zendingsdienst worden gezaaid
Bijna elk jaar reisden wij naar South Lansing (New York), om de graduaties van de Wachttoren-Bijbelschool Gilead bij te wonen. Mee te maken dat die zendelingen naar alle delen van de wereld werden gezonden, zaaide het verlangen naar de zendingsdienst in mijn hart. Na van de middelbare school afgestudeerd te zijn, liet ik mij inschrijven als gewone pionierbedienaar, en wel vanaf mei 1947.
In onze gemeente was al een jonge pionierster, namelijk Elsa Schwarz, die bijzonder ijverig was in het predikingswerk. Haar ouders hadden haar altijd aangemoedigd zendelinge te worden, dus u zult het resultaat waarschijnlijk kunnen raden. Wij trouwden in 1951. Toen wij samen als pionier in Pennsylvania werkzaam waren, dienden wij een aanvraag in voor de zendelingenschool Gilead. In 1953 werden wij uitgenodigd de 23ste klas van Gilead te bezoeken. Na vijf maanden van intensieve studie en voorbereiding gradueerden wij op een congres in Toronto (Canada) en ontvingen onze toewijzing — Spanje!
Problemen in Spanje
Toen Elsa en ik ons in 1955 op ons vertrek naar onze zendingstoewijzing voorbereidden, zaten wij vol vragen. Spanje! Hoe zou het daar zijn? Het land stond onder het bewind van de katholieke dictator Generalissimo Francisco Franco en het werk van Jehovah’s Getuigen was verboden. Hoe zou het ons onder zulke omstandigheden vergaan?
Wij waren er door de broeders op het hoofdbureau in Brooklyn van op de hoogte gesteld dat Frederick Franz, destijds vice-president van het Wachttorengenootschap, en Alvaro Berecochea, een zendeling uit Argentinië, samen met nog veel meer broeders, waren gearresteerd. Er was een geheim congres in de bossen bij Barcelona georganiseerd. De politie had echter lucht gekregen van deze geheime bijeenkomst en had de meeste aanwezigen gearresteerd.a
Er was ons verteld dat wij misschien niet afgehaald konden worden als wij in Barcelona aankwamen. Onze instructies luidden: „Ga op zoek naar een hotel en geef het adres dan aan het Genootschap in New York door.” Wij hielden de woorden van Jesaja in gedachte: „Gelukkig zijn allen die [Jehovah] blijven verwachten. En uw eigen oren zullen een woord achter u horen, dat luidt: ’Dit is de weg. Wandelt daarop’” (Jesaja 30:18, 21). Er stond ons niets anders te doen dan Jehovah te blijven verwachten en de aanwijzingen van zijn organisatie te volgen.
Wij namen afscheid van onze ouders en vrienden, die naar New York waren gekomen om ons vaarwel te zeggen, en al gauw voer ons schip, de Saturnia, de Hudson af en zette koers naar de Atlantische Oceaan. Dat was de laatste keer dat ik mijn vader zag. Twee jaar later, toen ik in het buitenland was, stierf hij na een langdurige ziekte.
Ten slotte bereikten wij onze toewijzing, de havenstad Barcelona. Het was een mistroostige, regenachtige dag, maar toen wij door de douane gingen, zagen wij de „zonneschijn” van stralende gezichten. Alvaro Berecochea, samen met enkele Spaanse broeders, stond daar om ons af te halen. Wij waren werkelijk blij te weten dat onze broeders vrijgelaten waren.
Nu moesten wij Spaans leren. Destijds moesten de zendelingen zelf maar zien dat zij een nieuwe taal leerden — zonder leerboeken of leraren. Er waren toen geen taalcursussen. Wij moesten de vereiste quota in het predikingswerk halen en terzelfder tijd al doende de taal leren.
Prediking onder katholieke dictatuur
Jehovah’s organisatie in Spanje stond destijds in haar kinderschoenen. In 1955 was er in een land met ongeveer 28 miljoen inwoners een hoogtepunt van 366 verkondigers. Er waren in het hele land slechts 10 gemeenten. Zou die situatie nog lang voortduren? Zodra mijn vrouw en ik van huis tot huis begonnen te prediken, merkten wij dat Spanje een waar paradijs was voor predikers van het goede nieuws. Ja, de mensen waren hongerig naar de waarheid.
Maar hoe werd het predikingswerk verricht, aangezien het verboden was? Wij bezochten doorgaans niet elk huis in een straat, en ook niet alle appartementen in een gebouw. Barcelona bestaat uit veel flatgebouwen van vijf of zes verdiepingen, en wij hadden de opdracht gekregen om op de bovenste etage te beginnen en vervolgens de lager gelegen verdiepingen af te werken. Vaak bezochten wij slechts één woning per verdieping of sloegen zelfs verscheidene etages over. Deze methode maakte het voor de politie moeilijker ons te pakken te krijgen als een fanatieke huisbewoner ons aangaf.
De gemeentevergaderingen werden in particuliere huizen gehouden, terwijl de gemeenten in drie tot vier boekstudiegroepen waren verdeeld. Dit stelde de gemeentedienaar in staat elk van deze boekstudies eens per maand te bezoeken. De boekstudieleider was verantwoordelijk voor het leiden van alle vergaderingen, die op twee verschillende avonden per week voor groepjes van tien tot twintig mensen werden gehouden.
Wij moesten een nieuwe levenswijze aanleren. Er bestonden destijds geen regelingen voor zendelingenhuizen in Spanje. Waar mogelijk woonden wij bij broeders en zusters in. Het was voor Elsa een hele ervaring te leren op een houtskoolkomfoor te koken! Na verloop van tijd konden wij een eenpits-petroleumstel kopen, wat een hele verbetering was.
Vervolging en uitwijzingen
Na een poosje hoorden wij dat er een golf van vervolging spoelde over Andalusië, waar een speciale pionier was gearresteerd. Jammer genoeg had hij een notitieboekje bij zich met namen en adressen van broeders en zusters in het hele land. Er bleven berichten binnenkomen dat onze broeders en zusters in de ene stad na de andere werden gearresteerd. De razzia’s kwamen steeds dichter bij Barcelona. Ten slotte bereikte de vervolging Barcelona.
Enkele maanden voordien had de politie mij naar het hoofdbureau gebracht voor ondervraging. Na een aantal uren werd ik vrijgelaten, en ik meende toen dat de kwestie hiermee afgehandeld was. Toen nam de Amerikaanse ambassade contact met mij op en gaf mij de raad de pijnlijke situatie van deportatie te vermijden door uit eigen beweging het land te verlaten. Kort daarna stelde de politie ons ervan op de hoogte dat wij tien dagen hadden om te vertrekken. Er was geen tijd meer om het Wachttorengenootschap te schrijven, dus wat stond ons te doen? De omstandigheden schenen te kennen te geven dat wij naar het dichtstbijzijnde zendingsveld buiten Spanje moesten gaan, naar Portugal, in het westen.
Een andere toewijzing, een andere taal
Toen wij in juli 1957 eenmaal in Lissabon waren aangekomen, werden wij als zendelingen toegewezen aan Porto, een stad die een behoorlijk eind ten noorden van Lissabon ligt. De stad werd als de tweede hoofdstad van het land beschouwd en bevond zich in een gebied dat welbekend is wegens zijn port of dourowijn. In de kelder van een gebouw in de binnenstad kwam een bloeiende gemeente bijeen. Ook in Portugal, dat onder de dictatuur van Salazar stond, was het predikingswerk verboden. Toch waren de omstandigheden totaal anders dan in Spanje. De vergaderingen werden bij broeders en zusters thuis gehouden en werden door veertig tot zestig personen bijgewoond. Er waren geen aanwijzingen dat de huizen vergaderplaatsen van Jehovah’s Getuigen waren. Hoewel ik geen Portugees sprak, werd ik als gemeentedienaar aangesteld. Opnieuw moesten wij zien ons een nieuwe taal eigen te maken.
Ongeveer een jaar later werden wij aan Lissabon toegewezen. Hier woonden wij voor het eerst op onszelf, in een flat met uitzicht op de stad. Wij kregen de toewijzing zorg te dragen voor een kring — de hele republiek Portugal. Toen wij in Portugal aankwamen, waren er slechts 305 verkondigers en vijf gemeenten.
Er breekt een tijd van moeilijkheden aan
Op sommige kaarten van Portugal en zijn kolonies stond de leus: „In de Portugese gebiedsdelen gaat de zon nooit onder.” En dat was ook zo, aangezien Portugal in veel delen van de wereld kolonies bezat, waarvan Mozambique en Angola in Afrika de grootste waren. In 1961 schenen er in deze kolonies problemen te broeien, en Portugal achtte het nodig zijn strijdkrachten uit te breiden.
Welnu, wat zouden de jonge broeders doen als zij voor militaire dienst werden opgeroepen? Sommigen slaagden erin wegens slechte gezondheid vrijstelling te krijgen, maar de meesten namen een krachtig standpunt in voor christelijke neutraliteit. Al gauw begon er een golf van vervolging over het land te spoelen. Het bijkantoor ontving berichten dat speciale pioniers door de geheime politie, de beruchte PIDE (Polícia Internacional e Defesa do Estado) werden gearresteerd en afgeranseld. Sommige van de zendelingen werden op het hoofdbureau van politie ontboden voor ondervraging. Toen werd drie echtparen aangezegd dat zij het land binnen dertig dagen moesten verlaten. Wij allen tekenden protest aan.
Eén voor één werden de zendelingen-echtparen op het hoofdbureau van politie ontboden voor een onderhoud met het hoofd van de PIDE. Eerst werden de bijkantoordienaar, Eric Britten, en zijn vrouw, Christina, ondervraagd. Toen kwamen Eric Beveridge en zijn vrouw, Hazel, aan de beurt en ten slotte werden Elsa en ik aan een verhoor onderworpen. De politiecommissaris beschuldigde ons er ten onrechte van door de communisten gebruikt te worden om de westerse wereld met onze leer over neutraliteit te ondermijnen. Onze protesten haalden niets uit.
Wat was het verdrietig 1200 broeders en zusters achter te laten die als gevolg van het hardvochtige bewind van een onredelijke dictator een moeilijke tijd meemaakten! De Beveridges gingen naar Spanje en de Brittens keerden naar Engeland terug. Wat zou onze volgende toewijzing zijn? Het islamitische Marokko!
In het islamitische Marokko prediken
Opnieuw bleven wij Jehovah verwachten. Een nieuwe toewijzing, nieuwe gewoonten en nieuwe talen! Arabisch, Frans en Spaans waren de officiële talen van het koninkrijk Marokko, waar 234 Getuigen waren in 8 gemeenten. De officiële religie van het land was de islam, en proselietenmaken onder moslims was illegaal. Wij konden dus alleen prediken tot de voornamelijk Europese niet-islamitische bevolking.
Zodra er aan het eind van de jaren vijftig zendelingen begonnen te arriveren, kwam er toename. Maar de Marokkaanse regering begon druk uit te oefenen op de Europese bevolking en er ontstond een grote exodus van buitenlanders, met inbegrip van veel broeders en zusters.
Nu onze niet-islamitische bevolking inkromp, voelden wij ons genoodzaakt tactvolle manieren te vinden om de moslims aan te spreken, maar dit leidde tot klachten bij de politie. Toen het aantal klachten in Tanger en andere steden toenam, werd ons uiteindelijk te verstaan gegeven dat wij het land binnen dertig dagen moesten verlaten. In mei 1969 werden Elsa en ik opnieuw uit een toewijzing verdreven.
Een toewijzing van korte duur?
Wij kregen opdracht naar Brooklyn terug te keren en ik ontving de uitnodiging een vergadering voor bijkantoordienaren bij te wonen welke die zomer werd gehouden. Toen ik daar was, werd mij meegedeeld dat onze nieuwe toewijzing El Salvador (Midden-Amerika) zou zijn en dat ik daar als bijkantoordienaar zou dienen. Ik vernam dat dit waarschijnlijk ongeveer vijf jaar zou duren, de maximale tijd dat zendelingen in het land mochten blijven, aangezien ons werk daar niet wettelijk erkend was.
El Salvador — wat een toewijzing! Er waren gemiddeld 1290 verkondigers, met inbegrip van 114 pioniers, die elke maand bericht inleverden. De mensen waren godvrezend en gastvrij en hadden belangstelling voor de bijbel. Bij vrijwel elke deur nodigden zij ons binnen om met hen te praten. Binnen korte tijd hadden wij het maximum aantal bijbelstudies dat wij konden behartigen.
Toen wij de toename zagen en beseften welk een grote behoefte daar bestond, stemde het ons verdrietig deze toewijzing na slechts vijf jaar al te moeten verlaten. Daarom werd besloten dat wij moesten proberen het werk van Jehovah’s Getuigen wettelijk erkend te krijgen. In december 1971 dienden wij de officiële stukken bij de regering in en op 26 april 1972 waren wij opgetogen in de regeringskrant Diario Oficial te lezen dat ons verzoek was ingewilligd. De zendelingen hoefden niet meer na vijf jaar te vertrekken maar konden een permanente verblijfsvergunning krijgen.
Beproevingen en zegeningen
In de loop der jaren hebben wij in onze verschillende toewijzingen veel goede vrienden gemaakt en vruchten van onze bediening gezien. Elsa deed in San Salvador een mooie ervaring op met een onderwijzeres en haar man, een militair. Een van de vriendinnen van de onderwijzeres kreeg ook belangstelling voor de waarheid. In het begin toonde de man geen belangstelling voor de bijbel; wij bezochten hem echter toen hij in het ziekenhuis lag, en hij was vriendelijk. Uiteindelijk bestudeerde hij de bijbel, gaf zijn militaire carrière op en begon samen met ons te prediken.
Intussen kwam er een dame naar de Koninkrijkszaal die aan Elsa vroeg of zij met de voormalige soldaat studeerde. Zij bleek zijn maîtresse geweest te zijn! Nu bestudeerde ook zij de bijbel met Jehovah’s Getuigen. Op het districtscongres werden niet alleen de voormalige militair, maar ook zijn vrouw, haar vriendin en de voormalige maîtresse gedoopt!
Toename in El Salvador
Als gevolg van de grote toename zijn er veel Koninkrijkszalen gebouwd, en er zijn nu meer dan 18.000 actieve Getuigen in het land. Deze vooruitgang is evenwel niet zonder beproevingen en problemen geweest. Tien jaar lang hebben de broeders en zusters Jehovah’s wil moeten doen terwijl er een burgeroorlog woedde. Maar zij hebben hun neutraliteit bewaard en zijn loyaal gebleven aan Jehovah’s koninkrijk!
Elsa en ik zijn nu samen 85 jaar in de volle-tijddienst. Wij hebben gemerkt dat als wij Jehovah blijven verwachten en luisteren naar ’het woord achter u, dat luidt: „Dit is de weg. Wandelt daarop”’, wij nooit teleurgesteld worden. Als Jehovah’s volle-tijddienstknechten kunnen wij inderdaad terugkijken op een voldoening schenkend en lonend leven.
[Voetnoten]
a Zie voor details het Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1979, blz. 177-179.
[Illustratie van Domenick en Elsa Piccone op blz. 23]
[Illustratie op blz. 24]
Congres in een bos in Spanje, 1956
[Illustratie op blz. 25]
In Marokko predikten wij meestal tot niet-moslims
[Illustratie op blz. 26]
Bijkantoor in El Salvador, onze huidige toewijzing