Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w88 1/8 blz. 4-7
  • De christelijke kijk op beelden

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • De christelijke kijk op beelden
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1988
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Beelden in de christenheid — Waarvandaan?
  • Het gebruik van religieuze beelden rechtvaardigen
  • Beelden — Het standpunt van de aanbidder
  • Wat zegt de bijbel?
  • ’In waarheid’ aanbidden
  • Kunnen beelden u dichter tot God trekken?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1992
  • Geen beelden in verband met de aanbidding
    Ontwaakt! 1970
  • Beelden
    Ontwaakt! 2014
  • ’Gij moet u niet neerbuigen voor een gesneden beeld’
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1961
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1988
w88 1/8 blz. 4-7

De christelijke kijk op beelden

„GIJ [hebt] u van de afgoden tot God . . . bekeerd, om de levende en waarachtige God te dienen”, schreef de apostel Paulus tot christenen in Thessaloníka (1 Thessalonicenzen 1:9a). Ja, veel vroege christenen waren eens heidense afgodendienaars geweest (1 Korinthiërs 6:9-11). Maar toen zij christenen werden, staakten zij hun afgodische praktijken.

Voor afgoden buigen, was echter zo gewoon, dat christenen werden bespot omdat zij geen beelden gebruikten bij hun aanbidding. Sommige heidenen beschuldigden hen er zelfs van atheïsten te zijn! Hoe kwam het dan dat de verering van beelden later zo wijdverbreid werd in de christenheid?

Beelden in de christenheid — Waarvandaan?

Na de zogeheten bekering van de Romeinse keizer Constantijn werden er onder „christenen” veel heidense praktijken ingevoerd. „Sinds de dagen van Constantijn”, zo verklaart de godsdiensthistoricus Edwyn Bevan in zijn boek Holy Images, „werd het gebruik van het Kruis als symbool in de gehele christelijke wereld gewoon, en het duurde niet lang of het werd op verschillende manieren vereerd.” Dit baande de weg voor andere vormen van beeldenaanbidding. In hetzelfde boek wordt opgemerkt: „Het schijnt aannemelijk te zijn dat alvorens afbeeldingen en beelden werden vereerd, de gewoonte ingang had gevonden eer te schenken aan het symbool van het Kruis, dat zelf . . . pas op christelijke monumenten of voorwerpen van religieuze kunst wordt aangetroffen sinds Constantijn het voorbeeld had gegeven in het labarum [militair veldteken waarop een kruis was aangebracht].”

Deze ontwikkeling zette zich voort. In de achtste eeuw G.T. schreef Johannes Damascenus, die zowel door de Rooms-Katholieke als de Oosters-Orthodoxe Kerk als een „heilige” wordt beschouwd: „Evenals de heilige Vaders de tempels en heiligdommen van de duivels vernietigden en daarvoor in de plaats heiligdommen bouwden in de naam van Heiligen, die door ons worden aanbeden, vernietigden zij ook de beelden van de duivels en vervaardigden in plaats daarvan beelden van Christus, de Moeder Gods en de Heiligen.”

Thomas van Aquino, rooms-katholiek „heilige” uit de dertiende eeuw, voegde hieraan toe: „Aan een beeld van Christus dient dezelfde verering geschonken te worden als aan Christus zelf . . . Het Kruis wordt met dezelfde verering vereerd als Christus, dat wil zeggen, met de verering van latria [katholieke definitie voor de hoogste vorm van aanbidding], vandaar dat wij het Kruis net zo aanspreken en aanroepen als de Gekruisigde zelf.”

Thomas van Aquino wordt nog steeds beschouwd als iemand die een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de leer van de „beeldenverering”. Volgens de New Catholic Encyclopedia moest de „beeldenverering” op zijn komst wachten „om haar eigen meest volledige toelichting te vinden”. Niettemin is het duidelijk dat „christelijke” beeldenaanbidding louter diende als vervanging van heidense beeldenaanbidding.

Het gebruik van religieuze beelden rechtvaardigen

Velen die thans religieuze beelden vereren, zullen er bezwaar tegen maken beeldenaanbidders genoemd te worden. Hun bezwaren tegen zo’n aanduiding zijn echter niet nieuw. In de vierde eeuw liet de zogenoemde heilige Augustinus zich spottend uit over de redenaties van afgoden aanbiddende niet-christenen door te zeggen: „Er is een bepaalde disputant die geleerd meent te zijn en zegt: Ik aanbid die steen niet, noch dat beeld dat geen verstand heeft; . . . ik aanbid dit beeld niet, maar ik vereer wat ik zie en dien hem die ik niet zie.” Met andere woorden, zij beweerden louter de onzichtbare persoon te aanbidden die door hun afgodsbeelden werd voorgesteld. „Door dit verslag van hun beelden te geven,” zo zei Augustinus vervolgens, „menen zij kundige disputanten te zijn, omdat zij geen afgoden aanbidden, hoewel zij wel degelijk duivels aanbidden.” — Expositions on the Book of Psalms door Augustinus, Psalm xcvii 9.

Hoewel rooms-katholieke theologen er snel bij geweest zijn om heidense afgoderij te veroordelen, hebben zij, wanneer het op hun eigen gebruik van beelden aankomt, vaak hun toevlucht genomen tot precies dezelfde argumenten die de zogeheten heiden heeft gebruikt. Betreffende beelden van Christus, Maria en de „heiligen” verklaarde het zestiende-eeuwse concilie van Trente bijvoorbeeld: „Er dient een gepaste eer en verering aan gegeven te worden; dit wil echter niet zeggen dat men van mening is dat ze enige goddelijkheid of deugd zouden bezitten op grond waarvan ze vereerd zouden moeten worden.” Waarom dan de verering? „Omdat de eer die aan de beelden wordt geschonken”, zo legde het concilie uit, „tot het prototype gaat dat wordt uitgebeeld, zodat wij door de beelden, die wij kussen en voor welke wij het hoofd ontbloten en knielen, Christus aanbidden, en de heiligen, wier afbeeldsel ze zijn, vereren.”

Tot op de huidige dag blijft de Rooms-Katholieke Kerk beeldendienst op dezelfde gronden rechtvaardigen: dat beelden eenvoudig een middel zijn om de aandacht te vestigen op de hemelse persoon die erdoor wordt afgebeeld, en dat de beelden zelf geen deugd of kracht bezitten. In hoeverre is dit evenwel echt in de praktijk waar gebleken? Geloven allen die beelden gebruiken werkelijk dat de beelden geen ’goddelijkheid of deugd bezitten’?

Beelden — Het standpunt van de aanbidder

In Sevilla (Spanje) bestaat een fanatieke wedijver tussen de volgelingen van de Maagd la Macarena en de Maagd de la Esperanza. In de kathedraal van Chartres (Frankrijk) bevinden zich drie Maagden — Onze Lieve Vrouw van de Zuil, Onze Lieve Vrouw van de Crypte en Onze Lieve Vrouw van de „Belle Verrière” — die elk hun eigen vereerders hebben. De aanbidders zijn er klaarblijkelijk van overtuigd dat hun beeld van de Madonna op een of andere wijze superieur is aan de andere beelden — ook al stellen alle drie de beelden dezelfde persoon voor! Het is derhalve duidelijk dat er geen verering wordt geschonken aan wat er wordt uitgebeeld, maar aan de beelden zelf.

Wat de Rooms-Katholieke Kerk verontschuldigend relatieve aanbidding noemt, blijkt dus vaak de werkelijke aanbidding van een beeld te zijn. Theologische subtiliteiten hebben heel weinig te betekenen in het licht van eeuwen van werkelijke praktijk.

Wat zegt de bijbel?

De raad van de bijbel is in tegenspraak met de theorieën van de theologen. God gaf het oude Israël duidelijk te verstaan dat beeldendienst totaal werd veroordeeld (Exodus 20:4, 5; Deuteronomium 4:15-19). Het is waar dat sommige voorstellingen, zoals de koperen slang die door Mozes werd gemaakt, werden toegestaan. Zich in aanbidding voor zulke voorwerpen neerbuigen, was echter strikt verboden. — Numeri 21:9; 2 Koningen 18:1, 4.

Af en toe is Israël dit verbod met betrekking tot beeldendienst ongehoorzaam geweest. Bij de Sinaï maakte Israël bijvoorbeeld een gouden kalf voor de aanbidding. Wat was het godslasterlijk dat zij ’Gods heerlijkheid verruilden voor een afbeelding van een stier, die plantengroei eet’! (Psalm 106:20, NW) Maar evenals sommige religieaanhangers in deze tijd beweerden zij niet de stier te aanbidden, maar God zelf! „Toen riepen ze uit: ’Israël, dit is de god die u uit Egypte heeft geleid’” (Exodus 32:1-5). Jehovah tolereerde deze „relatieve” aanbidding, deze schaamteloze terugkeer tot de Egyptische religie, echter niet (Handelingen 7:39-41). Ze vormde een rechtstreekse schending van het verbond dat zij te Sinaï waren aangegaan en bracht Israël in gevaar uitgeroeid te worden. — Exodus 32:9, 10, 30-35; Deuteronomium 4:23.

Waarom nam Jehovah God echter zo’n krachtig standpunt tegen beelden in? In de eerste plaats zijn beelden krachteloos; ze zijn niets (Deuteronomium 32:21a; Psalm 31:6). Jeremia zei dat ze als vogelverschrikkers waren, waarin zich geen adem bevindt (Jeremia 10:5, 14). Ook Jesaja maakte degenen belachelijk die een gedeelte van een boom gebruiken om er een vuur van aan te leggen waarop zij koken en een ander deel om er een god van te maken. De profeet waarschuwt dat zulke afgodenaanbidders „dom en onwetend [zijn], want hun ogen zijn verblind zodat zij niets zien, en hun geest is van inzicht verstoken”. — Jesaja 44:13-18.

Een bijzonder dodelijk gevaar in verband met beeldenaanbidding is de mogelijkheid dat een beeld een contactpunt wordt met demonenkrachten. De psalmist zei over de Israëlieten: „Hùn afgoden gingen zij dienen, werden in hun netten verstrikt: zij brachten ten offer hun zonen, hun dochters aan de demonen” (Psalm 106:35-37; vergelijk Leviticus 17:7; Deuteronomium 32:17). Als gevolg hiervan werd de weg geopend voor andere bijgelovige, spiritistische praktijken. Nog een voorbeeld is dat van koning Manasse, die de afgoderij in Israël nieuw leven inblies. „In de beide voorhoven van de tempel van Jahwe bouwde hij [vervolgens] altaren voor heel het leger van de hemellichamen” en hij „gaf zich af met waarzeggerij en wichelarij”. — 2 Koningen 21:1-6.

De christelijke Griekse Geschriften waarschuwen voor dezelfde gevaren. In The New Bible Dictionary wordt gezegd: „De oudtestamentische polemiek tegen afgoderij . . . erkent dezelfde twee waarheden die Paulus later zou bevestigen: dat het afgodsbeeld niets was, maar dat er niettemin een demonische geestelijke kracht bestond waarmee rekening gehouden moest worden en dat het afgodsbeeld derhalve een positieve geestelijke bedreiging vormde.” Paulus schreef: „Wij weten dat er in de hele wereld geen afgod bestaat en dat er geen God is behalve één.” Maar later waarschuwde hij: „Wat de heidenen offeren, offeren zij aan boze geesten en niet aan God, en ik wil niet dat gij gemeenschap aangaat met de boze geesten.” — 1 Korinthiërs 8:4; 10:19, 20.

Ja, goddeloze geestenkrachten willen maar al te graag invloed uitoefenen op mensen. Paulus schreef: „Want onze strijd gaat niet tegen vlees en bloed, maar tegen de heerschappijen, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de boze geesten in de hemelen” (Efeziërs 6:12). Beeldenaanbidding, in welke vorm maar ook, stompt daarom iemands geestelijke onderscheidingsvermogens af, moedigt aan tot bijgeloof en draagt ertoe bij dat men door de occulte heersers van deze duistere, boze wereld wordt gemanipuleerd.

’In waarheid’ aanbidden

Veel oprechte mensen maken gebruik van beelden om dichter tot de Hoorder van het gebed te naderen. Het is wenselijk tot God te naderen. Maar hebben wij de vrijheid zelf uit te kiezen hoe wij dit zullen doen? Wij moeten God beslist trachten te naderen op de manier die Hem, en niet onszelf, behaagt. Jezus zei: „Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader tenzij door Mij” (Johannes 14:6). Het gebruik van afgodische beelden is hierbij uitgesloten. Jezus onderwees verder nog: „Maar er zal een uur komen, ja het is er al, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid. De Vader toch zoekt mensen die Hem zo aanbidden. God is geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem in geest en waarheid aanbidden.” — Johannes 4:23, 24.

Kan iemand die geest is, door een stoffelijk beeld worden voorgesteld? Nee. Ongeacht hoe indrukwekkend een beeld ook is, het kan nooit de glorie van God evenaren. Een beeld van God kan dus nooit waarheidsgetrouw zijn. (Vergelijk Romeinen 1:22, 23.) Zou iemand derhalve ’in waarheid aanbidden’ als hij God door middel van het een of andere bedrieglijke beeld zou naderen?

Jehovah’s Getuigen hebben duizenden mensen geholpen afgodische praktijken de rug toe te keren en ’de soort van aanbidders te worden die de Vader zoekt’. Nadat hun was aangetoond hoe God beelden beziet, zijn velen ertoe bewogen beelden uit hun huis en hun vorm van aanbidding te verwijderen. (Vergelijk Deuteronomium 7:25.) Het is voor zulke mensen inderdaad niet altijd gemakkelijk geweest dit te doen. Maar zij zijn ertoe bewogen door het oprechte verlangen strikt vast te houden aan Gods Woord de bijbel, dat ware christenen de aansporing geeft: „Kinderen, wacht u voor valse goden [letterlijk: afgodsbeelden].” — 1 Johannes 5:21, voetnoot (katholieke) Jerusalem Bible.

[Voetnoten]

a Tenzij anders vermeld, zijn alle aangehaalde bijbelteksten uit de katholieke Willibrordvertaling.

[Kader op blz. 7]

’Worden iconen nooit afgoden’?

„Icoon” heeft betrekking op een speciale soort van afbeelding, namelijk, religieuze schilderingen die vereerd worden door leden van de Oosters-Orthodoxe Kerk. Sommige zijn voorstellingen van Christus; andere stellen de Drieëenheid, Maria, „heiligen” of engelen voor. Evenals rooms-katholieken, rechtvaardigen orthodoxe theologen de verering van iconen als een relatieve daad waardoor toewijding wordt geschonken aan de hemelse persoon die erdoor wordt voorgesteld. „De icoon”, zo beweert de Russische theoloog Sergey Bulgakov, „blijft slechts een ding en wordt nooit een afgod of een fetisj.”

Terzelfder tijd leert de Oosters-Orthodoxe Kerk evenwel dat een icoon speciale voordelen kan schenken aan een aanbidder die ervoor neerknielt en bidt, mits de icoon door de kerk is „geheiligd”. „De rite van de zegen van de icoon”, zo verklaart Bulgakov in zijn boek The Orthodox Church, „legt een verband tussen het beeld en zijn prototype, tussen het afgebeelde en de afbeelding zelf. Door de zegen van de icoon van Christus wordt een mystieke ontmoeting van de gelovige en Christus mogelijk gemaakt. Hetzelfde geldt voor de iconen van de Maagd en de Heiligen; door hun iconen, zo zou men kunnen zeggen, wordt hun leven hier beneden verlengd.”

Bovendien wordt van veel iconen van Maria aangenomen dat ze wonderbare vermogens bezitten. „Hoewel zij in de hemel blijft,” zo beweert Bulgakov, „leidt ze nog steeds met ons het leven van onze wereld, lijdt ze met het lijden van de wereld en weent ze met de tranen van de wereld. Zij bemiddelt ten behoeve van de wereld voor de troon van God en onthult zich aan de wereld in haar wonderen bewerkende iconen.”

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen