Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w85 1/7 blz. 7-10
  • Drie gevangenen van bijgeloof vinden de vrijheid

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Drie gevangenen van bijgeloof vinden de vrijheid
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1985
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Edmond en de „Geest van de Rivier”
  • Adama’s jacht op succes
  • Athanase en zijn talisman
  • De waarheid omtrent fetisjen
  • Fetisjen — Kunnen ze u beschermen?
    Ontwaakt! 1986
  • Ik was een fetisj-priesteres
    Ontwaakt! 1975
  • Onzichtbare geesten — helpen ze ons? of berokkenen ze ons kwaad?
    Onzichtbare geesten — helpen ze ons? of berokkenen ze ons kwaad?
  • Weersta goddeloze geestenkrachten
    Kennis die tot eeuwig leven leidt
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1985
w85 1/7 blz. 7-10

Drie gevangenen van bijgeloof vinden de vrijheid

ZIJ NOEMDEN hem Meneer Tout-Blanc, en dat betekent „Meneer Helemaal-Wit”. Edmond, een inwoner van de stad Dimbokro in Ivoorkust, had de laatste zestien jaar uitsluitend witte kleren gedragen! En als men Edmond vroeg waarom hij nooit iets anders dan wit droeg, zei hij gewoon dat hij dat deed omdat hij gehoorzaam was. Maar hij vertelde niet aan wie — of aan wat.

Adama’s meest gekoesterde bezit was zijn geweven „parelhoen”-overhemd. Zo werd het genoemd omdat het met zijn zwart-wittekening aan een parelhoen deed denken. Het patroon was karakteristiek voor het werk van de Tagbanastam in het noorden van Centraal-Ivoorkust. Adama had het overhemd als kind gekregen, maar zelfs toen hij volwassen was, bewaarde hij het heel zorgvuldig op een veilige plaats. Om een of andere reden had hij het gevoel dat dat moest.

Ook Athanase had iets dat hij koesterde als een schat — een parfumflesje gevuld met nota bene een mengsel van porseleinaarde, zand en water. Toch was hij echt bang om het weg te gooien!

Deze mannen waren alle drie gevangenen van bijgelovige, religieuze angsten — angsten waardoor zelfs hun leven werd beheerst! Miljoenen anderen zitten op soortgelijke wijze gevangen. In Afrika geloven velen dat voorwerpen zoals amuletten, ringen, beelden en halskettingen een bovennatuurlijke kracht bezitten waarmee boze geesten kunnen worden geweerd. Mensen die het bijgeloof bevorderen, zoals fetisj-priesters, verdienen de kost met die angsten. En Afrika staat in dit opzicht niet alleen. Velen die de westerse cultuur aanhangen, hebben soortgelijke ideeën over „geluks”-voorwerpen zoals het konijnepootje of het hoefijzer. Maar Edmond, Adama en Athanase hebben geleerd dat er een uitweg uit deze gevangenschap is.

Edmond en de „Geest van de Rivier”

Enkele van Edmonds vroegste herinneringen betreffen tochtjes met zijn ouders naar een „heilige” berg buiten hun dorp. Vlakbij was een rivier waar koeien en schapen werden geofferd om de geest van de rivier te behagen. De mensen waren gewoon deze geest te raadplegen voor het oplossen van hun problemen. Iedereen had uit de rivier een stem horen komen, die hun dikwijls raad gaf.

Van bepaalde kinderen in ieder gezin werd gezegd dat zij een speciale band met deze geest hadden. Edmond was volgens de fetisj-priester een van hen. Hij kon zich er daarom op verlaten dat de geest hem zou leiden. Toen Edmond oud genoeg was om te werken, ging hij altijd de geest raadplegen als het ernaar uitzag dat andere werkers in aanmerking kwamen voor een promotie die hij voor zichzelf wenste. De geest droeg hem dan op een kip of een schaap te offeren. Door de geest aldus gunstig te stemmen, was hij er zeker van dat zijn collega’s door „tegenslag” zouden worden getroffen. Edmond klom al snel op tot een verantwoordelijke positie op zijn werk. Zelfs Edmonds ouders, die zijn „speciale band” erkenden, kwamen naar hem toe als zij met de geest in contact moesten treden.

Merkwaardig genoeg zag Edmond er niets tegenstrijdigs in dat hij spiritisme beoefende, maar tevens katholiek was. In de katholieke kerk waar hij geregeld heen ging, hield men zich naast het „christelijke” ritueel ook bezig met heidense riten, zoals het bespelen van de heilige tamtams (trommels).

Ten slotte voerde Edmonds baan hem naar de hoofdstad, Abidjan. Daar kreeg hij belangstelling voor een andere geest, die door zijn zwager regelmatig werd geraadpleegd. Dit was echter een geest van de lagunes en de oceaan, en werd Mami-Wata genoemd. Bij een van de lagunes was een eenzame plek waar Edmond regelmatig naar toe ging ten einde de geest om raad te vragen.

Maar op een dag bleek de geest verstoord te zijn. „Wat is er aan de hand?” vroeg Edmond. De geest beklaagde zich dat Edmonds zwager hem niet meer kwam raadplegen. „Waarom niet?” vroeg Edmond. Hij kreeg te horen dat de nieuwe religie van zijn zwager de oorzaak was. Dat bevreemdde Edmond, want hij was katholiek en daar had de geest zich nooit over beklaagd. Er moest iets bijzonders aan de hand zijn met deze nieuwe religie. Weldra zou Edmond bezoek krijgen van een lid van deze religie en zou ook voor hem het raadplegen van Mami-Wata tot het verleden gaan behoren.

Adama’s jacht op succes

Adama had zich vast voorgenomen een succes van zijn leven te maken. Zijn ouders waren animist en geloofden dat elk stoffelijk voorwerp een ziel heeft. Zij gaven hem daarom een fetisj, het „parelhoen”-overhemd, dat hem geluk moest brengen zodat hij op school een goed figuur zou slaan. Toen hij echter zakte voor zijn schoolexamens, kwam hij tot de conclusie dat de fetisjen van andere leerlingen doeltreffender moesten zijn dan de zijne.

Hij sprak er met zijn ouders over en nu gaven zij hem een geitehoorn. Die moest hij met een heel dun draadje vastmaken aan een spijker in het plafond van zijn kamer. ’s Ochtends kon hij dan zijn fetisj raadplegen en eraan vertellen wat hij allemaal wilde. Dan zou het draadje breken! Vervolgens kon hij aan de hand van de manier waarop de geitehoorn viel, beslissen of hij zijn plannen voor die dag al dan niet zou uitvoeren. Ook deze nieuwe fetisj bleek geen succes.

Toen Adama van school kwam, ging hij naar de stad Agboville. Daar werd hem door een van zijn vrienden een fetisj-priester aanbevolen, die zei dat hij Adama succes kon garanderen bij het zoeken naar een baan. Gehoorzaam aan de instructies van de priester kocht Adama een hangslotje. Er werd hem gezegd dat hij in de opening van het slot alles moest zeggen wat hij in het leven verlangde. „Ik wil een baan”, zei hij in het slotje, deed het dicht en wachtte op succes. Maar dat bleef uit.

Adama wanhoopte echter niet. Hij was er zeker van dat hij nog steeds onder de bescherming stond van de magische kracht van zijn kostbare „parelhoen”-overhemd.

Eindelijk vond Adama werk in de stad San Pedro. Het was niet het soort werk dat hij had willen hebben, maar het was werk. ’s Avonds ging Adama dikwijls bij een vriend op bezoek. Op een avond trof hij bij zijn vriend thuis een bezoeker aan — een bijbelonderwijzer. Adama, die vurig katholiek was, betwistte wat deze bezoeker te zeggen had. Toch werd hij geboeid door het idee de bijbel te bestuderen om iets over de Schepper te weten te komen. Op een avond, toen „Bestaan er goddeloze geesten?” het gespreksonderwerp was, kon Adama het niet laten volop aan de bespreking deel te nemen. Ook zijn dagen als fetisj-aanbidder waren geteld.

Athanase en zijn talisman

Athanase werd grootgebracht als „Harrist” — een in naam christelijke sekte die door William Wade Harris werd gesticht. Hij was een Liberiaan die beweerde dat hij door de engel Gabriël als profeet aangesteld was. Omstreeks het jaar 1913 vertrok Harris uit Liberia naar Ivoorkust en begon te prediken. In een boek wordt over hem gezegd: „Op zijn stem vielen de fetisjen tot stof uiteen, zwoeren afgodendienaars hun valse goden af en aanvaardden hele dorpen zijn religie. . . . Geleund op een staf met een houten kruis erbovenop schreed hij voort, gevolgd door zes vrouwen die evenals hij geheel in het wit waren gekleed en die hij zijn ’discipelen’ noemde.”

Athanases vader zei altijd dat hij later, als hij groot was, Harristenpriester zou worden. Hoewel de Harristen zogenaamd fetisjen veroordeelden, beweerden zij dat de bijbel wonderbaarlijke krachten bezat! Evenals hun stichter gebruikten de Harristenpriesters de bijbel om mensen te zegenen en te genezen. Athanase merkte echter op dat slechts heel weinigen van hen de bijbel werkelijk lazen, laat staan navolgden.

Toen hij van school kwam, besloot hij twee weken door te brengen bij een hoge functionaris van de Harristenreligie, in de hoop dat hij hierdoor een baan zou krijgen. Tot zijn grote verbazing gaf de religieuze leider hem een talisman — een parfumflesje gevuld met porseleinaarde, zand en water — en vertelde hem dat dit hem succes zou verzekeren bij het zoeken naar een baan. „Maar,” zo zei de functionaris, „als je het weggooit, zul je krankzinnig worden en uiteindelijk sterven!”

Athanase was in verwarring gebracht. Hij kon geen verschil zien tussen dit parfumflesje en de fetisjen die door andersdenkende gelovigen werden gebruikt. Maar uit vrees voor zijn ouders en de religieuze leider behield hij de talisman. Die bracht hem niet het beloofde geluk. Tevergeefs besteedde hij een vol jaar aan het zoeken naar werk. Maar ook Athanase kwam in contact met iemand die hem van zijn vrees voor de talisman bevrijdde.

De waarheid omtrent fetisjen

De mannen waren alle drie in contact gekomen met Jehovah’s Getuigen. Door een bijbelstudie met de Getuigen kwamen zij te weten waar de geesten hun oorsprong vinden. De bijbel laat zien dat vóór de vloed van Noachs dagen engelen tegen God in opstand kwamen en zich materialiseerden om seksuele betrekkingen met vrouwen te hebben. De Vloed dwong de geesten zich te dematerialiseren, en sindsdien zitten zij gevangen in het geestenrijk. Geen wonder dat deze demonen zo’n voorname rol toekennen aan stoffelijke voorwerpen, zoals fetisjen! — Genesis 6:1-5; 2 Petrus 2:4.

Mettertijd ontwikkelden deze mannen alle drie liefde voor Jehovah God en een grondige afkeer van spiritistische praktijken. In de bijbel wordt het zoeken van contact met goddeloze geesten uitdrukkelijk veroordeeld. Deuteronomium 18:10-12 zegt hierover: „Er dient onder u niemand te worden gevonden die zijn zoon of zijn dochter door het vuur laat gaan, niemand die aan waarzeggerij doet, geen beoefenaar van magie, noch iemand die voortekens zoekt, noch een tovenaar, noch iemand die anderen door een banspreuk bindt, noch iemand die een geestenmedium of beroepsvoorzegger van gebeurtenissen raadpleegt, noch iemand die de doden ondervraagt. Want iedereen die deze dingen doet, is iets verfoeilijks voor Jehovah, en wegens deze verfoeilijkheden verdrijft Jehovah, uw God, hen van voor uw aangezicht.” Omdat de drie mannen zich niet Jehovah’s misnoegen op de hals wilden halen, gaven zij nu gehoor aan de raad van de christelijke discipel Jakobus: „Onderwerpt u daarom aan God, maar weerstaat de Duivel en hij zal van u wegvluchten.” — Jakobus 4:7.

Het viel hun echter niet gemakkelijk zich uit hun religieuze gevangenschap te bevrijden. Edmond moest bijvoorbeeld amuletten verbranden die hem blijkbaar aan Mami-Wata verbonden. Maar daarna maakte hij goede vorderingen, droeg zelfs zijn leven aan God op en werd als symbool daarvan gedoopt. Toen, slechts één week na zijn doop, begonnen de geesten hem lastig te vallen. Stemmen bevalen hem dit nieuwgevonden geloof op te geven. Maar Edmond bad en riep de naam van Jehovah aan. Ten slotte lieten de goddeloze geesten hem met rust. — Spreuken 18:10.

Ook Adama had de nodige problemen. Omdat hij anderen wilde helpen zich van satanische invloeden te bevrijden, werd hij een volle-tijdprediker. Maar een tijdlang werd hij door gevoelens van ontmoediging gekweld. Hij vond dat hij geen goede vorderingen maakte en dat zijn geestelijke gezindheid ondanks al zijn christelijke activiteiten onvoldoende was. Wat kon de oorzaak zijn van zulke negatieve gedachten? Plotseling besefte Adama dat hij het „parelhoen”-overhemd dat zijn ouders hem gegeven hadden, nog steeds moest hebben. Hij doorzocht zijn huis, vond het hemd en vernietigde die laatste band met de geestenwereld. „Ik voelde mij mentaal geweldig opgelucht”, zei hij.

Ook Athanase moest iets weggooien — de talisman die hij gekregen had. Toen hij dat gedaan had, werd hij ernstig ziek. ’Zou het kunnen komen doordat ik het bevel om het flesje niet weg te gooien in de wind heb geslagen?’ vroeg hij zich af. Maar ook hij wendde zich in gebed tot Jehovah. In plaats van te zwichten voor de druk van zijn familie om weer zijn toevlucht te nemen tot het spiritisme, zocht hij medische hulp. Na verloop van tijd werden zowel zijn lichamelijke als zijn geestelijke gezondheid beter. Nu gebruikt Athanase zijn weekeinden om zijn medemensen te helpen de bijbelse waarheden te leren kennen. — Johannes 8:44.

De ervaringen van deze drie voormalige gevangenen van bijgeloof bevestigen dat Gods Woord een krachtige uitwerking kan hebben op hen die tot geloof komen (1 Thessalonicenzen 2:13; Handelingen 19:18-20). Meer dan 2000 anderen in Ivoorkust spannen zich net als deze jonge mannen in om mensen te helpen zich uit religieuze gevangenschap te bevrijden. Ook in uw omgeving zullen Jehovah’s Getuigen u graag helpen die vrijheid te vinden.

[Illustraties op blz. 7]

Edmond Kouadio

Adama Traore

Athanase Kouassi

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen