Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w83 15/1 blz. 12-15
  • Eens een atheïst — nu een zinvol leven

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Eens een atheïst — nu een zinvol leven
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1983
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Mijn leven krijgt een nieuwe wending
  • Jehovah’s werk komt op de eerste plaats
  • In de volle-tijddienst
  • Dienen waar de behoefte groot was
  • Bouwkundige capaciteiten aangewend tot lof van Jehovah
  • Werelds aanzien tegenover het loven van Jehovah
  • Vol waardering voor de dienst van de „getrouwe en beleidvolle slaaf”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1974
  • Mijn lange, zware strijd voor het ware geloof
    Ontwaakt! 1995
  • ’Eerst het koninkrijk zoeken’
    Jehovah’s Getuigen — Verkondigers van Gods koninkrijk
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1963
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1983
w83 15/1 blz. 12-15

Eens een atheïst — nu een zinvol leven

Zoals verteld door Fred N. Severud

HOEWEL ik in een zeer godsdienstig gezin in Noorwegen ben opgegroeid, werd ik atheïst. Waarom? Dit laat zich onder meer verklaren door een voorval in mijn jeugd.

In 1909, toen ik een jaar of tien was, stierf mijn zusje bij de geboorte. Mijn grootmoeder ging vertwijfeld op zoek naar een predikant om de baby te dopen, opdat ze niet naar de hel zou gaan en daar voor eeuwig zou branden. Toen er geen predikant te vinden was, nam ze wat van het vuile water waarin ze de baby net had gebaad, sprenkelde het over haar hoofdje, sprak een gebed uit en „stuurde haar naar de hemel”.

„Waarom zouden we niet allemaal zo gemakkelijk naar de hemel kunnen gaan?” vroeg ik me af. Er werden zaadjes van twijfel gezaaid waardoor ik ten slotte alle geloof in God verloor. Ik kon gewoon niet begrijpen wat voor God dat toch moest zijn die mensen pijnigde in een vurige hel.

Ook het idee dat het leven op aarde slechts als voorbereiding dient voor de hemel kon ik niet aanvaarden. Wat is de zin van het leven? Slechts zeventig of tachtig jaar te leven en dan te sterven? Dat waren vragen die een antwoord behoefden. Toen dus de tijd voor mijn confirmatie was aangebroken, weigerde ik me te laten aannemen in een kerk die zo’n schijnbaar onredelijke God aanbad. Ik was alleen naar de kerk gegaan om mijn ouders een plezier te doen, maar ik zat me te verbijten als ik naar de predikant luisterde, en dacht bij mezelf: „Jij huichelaar!” Iedereen die aangenomen werd, kreeg een nieuw pak. Maar voor mij geen aanneming en geen nieuw pak!

Mijn leven krijgt een nieuwe wending

Op de universiteit die ik bezocht, was ik om de een of andere reden de lievelingsstudent van de docent. Op een dag vroeg de docent mij, voor de klas een lezing te houden over het onderwerp evolutie, wat ik deed. Als atheïst geloofde ik in evolutie. Maar na de lezing vertelde ik de docent dat er één ding was dat ik niet begreep.

„Wat gebeurde er voordat het oog zich ontwikkelde?” vroeg ik. De docent antwoordde dat het oog was begonnen als wat zachte plekken in de schedel; er verstreken miljoenen jaren en ten slotte ontwikkelde het oog zich. „Wilt u daarmee zeggen dat ze maar wat op de tast rondzwierven zonder te weten waar ze heen gingen?” Dat wilde ik gewoon weten. Het was niet mijn bedoeling te redetwisten.

Maar de docent werd zo kwaad en voelde zich zo in verlegenheid gebracht dat hij me een laag cijfer gaf. En misschien heeft dat wel mijn hele leven veranderd. Want ziet u, door dat slechte cijfer kwam ik er niet voor in aanmerking aanvoerder van de kadetten te zijn op de voorname militaire academie die ik bezocht. Was dat niet gebeurd, dan had ik misschien een militaire loopbaan gekozen. In plaats daarvan ging ik nu bouwkunde studeren.

Ik legde met goed gevolg de examens voor civiel- en bouwkundig ingenieur af en trouwde met een meisje dat ik tijdens mijn studie aan de universiteit had leren kennen. In 1923 verlieten wij ons geboorteland Noorwegen en reisden naar de Verenigde Staten, waar ik hoopte mijn ambitie te verwezenlijken „de grootste ingenieur ter wereld te worden”.

Toen kreeg mijn leven een nieuwe wending door een onverwachte keer in de gebeurtenissen. Voordat wij Noorwegen verlieten, hadden onze familieleden ons gewaarschuwd niet over godsdienst te praten met mijn oom Chris in de Verenigde Staten. Waarom niet? Omdat hij op het gebied van godsdienst een beetje „vreemd” was, werd ons gezegd. Hij was een „Bijbelonderzoeker”, zoals Jehovah’s Getuigen destijds werden genoemd.

En wie anders stond bij aankomst op de aanlegsteiger op ons te wachten dan oom Chris! En ja hoor, hij sprak inderdaad met ons over zijn „vreemde religie”, maar wij stonden versteld van zijn antwoorden. ’Een God van liefde pijnigt beslist geen zielen in de hel’, legde hij uit. ’Voor de aarde is in Gods voornemen een eeuwige toekomst weggelegd. En de mens is eeuwig leven in volmaakte gezondheid hier, op een paradijsaarde, beloofd.’ — Pred. 9:5, 10; Ps. 146:3, 4; 104:5; Luk. 23:43; Openb. 21:3, 4.

Ik moet toegeven dat ik me tot een dergelijke God aangetrokken voelde, maar ik was wat sceptisch. Mijn vrouw aanvaardde het echter allemaal onmiddellijk. Ik wilde wat dieper graven om te zien of er geen fouten aan kleefden. Elke keer dat iets in mijn King James-​bijbel in strijd scheen te zijn met wat mijn oom had gezegd, deed ik naslagwerk en gebruikte daarbij de „Exhaustive Concordance” van Strong. Alles bleek zo te zijn als de Bijbelonderzoekers zeiden.

In Noorwegen hadden wij destijds de bijbel moeten bestuderen als onderdeel van onze opleiding. Ik had de „stukjes” dus wel, zoals bij een legpuzzel, maar ik had niet het gehele beeld. Hoe meer ik echter met mijn oom studeerde, hoe meer ik zag dat elk stukje in het geheel paste, zonder dat er stukjes overbleven. Ten slotte, in 1935, aanvaardde ook ik wat ik leerde en werd al gauw gedoopt.

Ik ging nu een nieuwe lijn in mijn leven zien. Ik moest meer tijd besteden aan het behagen van God, maar tevens in het onderhoud van mijn groeiende gezin voorzien. Hoewel ik er nog steeds belang in stelde een goed ingenieur te zijn, wist ik nu dat mijn leven meer voldoening zou schenken als ik Jehovah God diende. Toch moest ik ook mijn zaak op poten zetten. Hoe meer ik de bijbel bestudeerde, hoe meer ik inzag dat ik het paard achter de wagen had gespannen. Eérst moest ik Jehovah dienen en dan zou al het andere (de levensbehoeften) worden toegevoegd (Matth. 6:33). En zo is het ook gegaan.

Jehovah’s werk komt op de eerste plaats

Tegen de tijd van de Depressie in 1929 had ik een florerend bedrijf. Toen kon ik de salarissen van mijn personeel niet meer betalen en was ik dus gedwongen hen allemaal te laten gaan. Later, toen de economische situatie weer wat beter werd, dong ik mee naar een project dat mij al het werk zou verschaffen dat ik nodig had om weer op gang te komen. Er kwamen echter nog een flink aantal andere constructeurs voor het werk in aanmerking.

Het was een woningbouwproject en de regering had verscheidene richtlijnen opgesteld. Een ervan was dat het platte betonnen daken moest hebben met muurtjes als borstwering. Ik wist dat als er geen speciale voorzieningen werden getroffen, de borstweringen bij de hoeken zouden barsten (wat trouwens bij negenendertig andere projecten die ik kende is gebeurd) door de spanning tussen het geïsoleerde betonnen dak, dat in de winter werd verwarmd, en de borstweringen die in de kou stonden. De architect zag dit in en beval mij voor het project aan. Ik kon toen nog niet vermoeden dat mijn vastbeslotenheid om Jehovah’s werk op de eerste plaats te laten komen, weldra op de proef gesteld zou worden.

In die tijd waren Jehovah’s Getuigen het voorwerp van felle tegenstand wegens hun neutrale standpunt in politieke zaken en hun openbare prediking van Gods Woord. Arrestaties waren aan de orde van de dag, vooral in New Jersey, waar ik woonde.

Op een woensdag had ik een afspraak in Washington, D.C., om het nieuwe contract op te stellen. Maar de vrijdag voor die afspraak werd op onze vergadering in de Koninkrijkszaal een brief van het Wachttorengenootschap voorgelezen waarin alle gemeenten uit de omgeving werd gevraagd iets te doen als reactie op de onwettige arrestaties van onze broeders.

Wij werden uitgenodigd om die zondag (precies drie dagen voor mijn afspraak!) vreedzame bezoeken te brengen bij de inwoners van enkele steden in New Jersey om de overtuiging van Jehovah’s Getuigen uiteen te zetten. Als velen de afdelingsveldtochten, zoals ze werden genoemd, zouden ondersteunen, kon er een goed getuigenis worden gegeven. Maar we moesten er rekening mee houden voor 120 dagen de gevangenis in te gaan. Als ik in de gevangenis zou belanden, kon ik het werk dat ik zo hard nodig had wel vergeten. Na om Jehovah’s leiding gebeden te hebben, meldde ik mij aan. Jehovah’s werk kwam op de eerste plaats!

Tijdens de bewerking van het ons toegewezen gebied stapte er een politieagent op ons af die kortaf riep: „Wat doen jullie hier?” Onmiddellijk kwam er een vreemd gevoel over me. „Daar gaat m’n werk!” dacht ik bij mezelf. „Maar Jehovah zal voor me zorgen.” Snel vroeg een zuster in de auto de politieagent waar het dichtstbijzijnde benzinestation was, omdat zij naar het toilet moest.

„U bent er net een gepasseerd”, antwoordde hij vinnig.

„Maar toen hoefde ik nog niet”, zei de zuster.

En daar gingen we dus naar het benzinestation. Toen we terugkwamen, niets anders verwachtend dan gearresteerd te zullen worden, was er vreemd genoeg geen politieagent, en geen arrestatie. En dus kreeg ik het werk toch nog!

In de volle-tijddienst

Het was mijn oprechte wens meer tijd aan de prediking en het onderwijzen te besteden. Om die reden vroeg ik, toen ik na de Depressie mijn vroegere werknemers weer aannam, of zij mijn compagnons wilden worden. Waarom? Wel, op die manier behoefde ik slechts drie dagen op kantoor te zijn en kon ik vier dagen besteden aan het prediken en onderwijzen van de bijbel.

„Dan zult u altijd weg zijn om te prediken”, zeiden zij. „We zullen u nooit te zien krijgen.” Ik verzekerde hun dat ik me aan mijn belofte zou houden en naar kantoor zou komen. En dus stemden zij ermee in — zij hadden het werk nodig! Later trok ik meer compagnons aan en bracht mijn kantoordagen tot twee terug.

Ik hield mijn kinderen het doel van de pioniersdienst (volle-tijdprediking) voor ogen en zij hebben er alle vier een aandeel aan gehad; twee dochters hebben ook verscheidene jaren op het hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen gediend. Toen mijn jongste kind vijftien was, ging ik pionieren.

Dienen waar de behoefte groot was

Omstreeks de tijd dat ik met pionieren begon, vroeg ik het Wachttorengenootschap waar de behoefte aan Koninkrijkspredikers groter was. Mijn gezin en mij werd gevraagd naar Stroudsburg in Pennsylvania te gaan, dicht genoeg bij mijn zaak om twee dagen per week in New York te kunnen doorbrengen en de rest van de week te pionieren. Toen wij daarheen verhuisden, waren er nog maar acht Getuigen in East Stroudsburg. Twintig jaar later was er een bloeiende gemeente die voor een groot deel bestond uit personen die wij hadden mogen helpen christenen te worden.

Nu er zo’n krachtige groep was die onze hulp niet langer nodig had, vonden wij dat het tijd was nieuwe gebieden te zoeken waar hulp nodig was. Het Genootschap stelde een gebied in de buurt van New York voor — Hackettstown in New Jersey. Het duurde niet lang of er werd een gemeente gevormd, en toen een tweede.

Een man die ik daar bezocht, vroeg toen ik me voorstelde: „Waar zullen we gaan zitten, binnen of buiten?” U kunt zich de verwonderde uitdrukking op mijn gezicht wel voorstellen. Het bleek dat hij kort tevoren in Californië een paar uur met een Getuige had zitten praten, de eerste keer dat hij van Jehovah’s Getuigen had gehoord. De Getuige, die opgetogen was over de belangstelling van de man, had hem gevraagd: „Als u weer thuis bent, waarom zou u dan niet eens luisteren naar een Getuige die bij u aan de deur komt?”

„Ik dacht dat zij u had gestuurd”, verklaarde de man. Maar ik kwam daar toevallig aan de deur bij de gewone van-huis-tot-huisprediking. Deze man is nu ouderling en zijn vrouw en twee dochters staan in de volle-tijdpioniersdienst.

Bouwkundige capaciteiten aangewend tot lof van Jehovah

Tegen het einde van de jaren dertig deed J. F. Rutherford, toen president van het Wachttorengenootschap, een beroep op mij om een gebouw te ontwerpen waar de Bethelfamilie haar toevlucht zou kunnen nemen voor het geval zij door hevige vervolging naar die plaats zouden moeten verhuizen. Wij hadden er geen flauw vermoeden van waarvoor dat gebouw in Ithaca (New York) nog eens gebruikt zou worden — voor de Gileadschool, opgezet om zendelingen op te leiden voor de bediening in andere landen.

Om de steeds toenemende stroom van bijbelse lectuur bij te houden, was de noodzaak voortdurend aanwezig de drukkerijfaciliteiten van het Wachttorengenootschap uit te breiden. Zo werd er in 1950 een nieuwe toevoeging aan het Bethelhuis geopend en tevens een nieuwe drukkerij voor de vervaardiging van bijbels en bijbelse lectuur. Ik had het voorrecht deze beide gebouwen te ontwerpen. De uitbreiding bleef echter niet beperkt tot de gebouwen van het Genootschap in Brooklyn. Integendeel, er werd besloten dat ook andere eigendommen van het Genootschap gebruikt zouden worden, in de buurt van de boerderij in de staat New York. En ook nu weer genoot ik het voorrecht aan de plannen te werken.

In 1972, toen ik ongeveer twintig jaar gepionierd had, ging de gezondheid van mijn vrouw achteruit; zij kon heel moeilijk lopen en spreken. Daarom moest ik met de pioniersdienst ophouden. Niettemin is mijn levensdoel nog hetzelfde — Jehovah God voor altijd te dienen. Ik probeer elke dag een aandeel aan de prediking te hebben. Ondanks mijn drieëntachtig jaar geniet ik nog een redelijk goede gezondheid.

Werelds aanzien tegenover het loven van Jehovah

Mijn carrière heeft er niet onder geleden dat ik Jehovah’s belangen op de eerste plaats stelde, zoals mijn compagnons vreesden. In feite heb ik als bouwkundige het voorrecht genoten een aandeel te hebben aan het ontwerpen van veel bekende bouwwerken, waaronder de poort in St. Louis (Missouri): „De toegang tot het westen”; het stadhuis van Toronto; Madison Square Garden en nog een aantal bouwwerken, zowel in de Verenigde Staten als in andere delen van de wereld. Maar in plaats dat ik naar roem heb gestreefd als ingenieur, ben ik gaan beseffen dat de ware roem van geestelijke aard is (Fil. 3:7, 8). Alle capaciteiten die wij bezitten hebben wij te danken aan het feit dat wij door onze Grootse Schepper naar zijn beeld zijn gemaakt. — Gen. 1:26, 27.

Wat zou mijn leven zinloos en leeg zijn geweest als ik atheïst was gebleven! Het is zoals Psalm 14:1 zegt: „De dwaas heeft in zijn hart gezegd: ’Er is geen Jehovah.’” Wat ben ik blij dat ik geleid ben naar een doel dat werkelijk de moeite waard is en dat voldoening en eeuwig leven schenkt! En ik heb het vooruitzicht om, na getrouwe beëindiging van mijn aardse loopbaan, van aangezicht tot aangezicht de Schepper te zien aan wiens bestaan ik eens heb getwijfeld.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen