Zendingsijver — Een kenmerk van ware christenen
„ZIJ hadden zelfs geen gelegenheid om een maaltijd te nuttigen.” Deze woorden vatten bondig samen met hoeveel voortvarendheid en ijver Jezus Christus zich kweet van de zendingstoewijzing die zijn hemelse Vader hem had gegeven (Mark. 6:31). Hij ging er zo met hart en ziel in op dat hij kon zeggen: „Mijn voedsel is, dat ik de wil doe van hem die mij heeft gezonden en zijn werk voleindig” (Joh. 4:34). Jezus trok het gehele land door om het „goede nieuws” te prediken (Luk. 8:1). Wat een tentoonspreiding van zendingsijver!
Ten einde dit werk te bespoedigen, koos Jezus onder gebed twaalf discipelen en zond die in het jaar 31 G.T. uit. Hij gaf hun de opdracht: „Slaat niet de weg naar de natiën in . . . maar gaat in plaats daarvan voortdurend naar de verloren schapen van het huis Israëls. Predikt op uw tocht en zegt: ’Het koninkrijk der hemelen is nabijgekomen’” (Matth. 10:5-7). Bij die gelegenheid werden niet alleen volledige instructies gegeven hoe het werk gedaan moest worden, maar ook gaven deze woorden uitdrukkelijk de grenzen van hun predikingsgebied aan. In deze gebieden waren zij en hun Meester tot het jaar 33 G.T. ijverig aan het werk.
Met deze gebiedsbeperkingen in gedachten kunnen sommigen van Jezus’ discipelen misschien moeite hebben gehad met wat hij vlak voor zijn dood zei. Jezus gaf hun een „teken” dat het besluit van „het samenstel van dingen” zou kenmerken en voorzei dat het „goede nieuws” dan op de gehele bewoonde aarde zou worden gepredikt tot een „getuigenis voor alle natiën”, voordat het einde zou komen. Later bond de uit de dood opgewekte Jezus zijn discipelen op het hart dat zij „discipelen van mensen uit alle natiën” moesten maken. Vlak voor zijn hemelvaart zei hij ten slotte tot zijn discipelen: „Gij zult kracht ontvangen wanneer de heilige geest op u komt, en gij zult getuigen van mij zijn zowel in Jeruzalem als in geheel Judéa en Samaria en tot de verst verwijderde streek der aarde.” — Matth. 24:3, 14; 28:19; Hand. 1:8.
Pinksteren 33 G.T. bracht de beloofde uitstorting van de heilige geest, en Petrus werd in staat gesteld de eerste ’sleutel van het koninkrijk’ te gebruiken. Het resultaat was, dat ongeveer 3000 joden en proselieten christenen werden (Matth. 16:18, 19; Hand. 2:1-4, 14-41). Tijdens de daaropvolgende drie en een half jaar gebruikte Petrus nog twee „sleutels”, zodat het zendingswerk werkelijk mensen uit alle natiën bereikte (Hand. 8:14-17; 10:23-48). Het was beslist waar dat de heilige geest „kracht” had verleend, zodat dezelfde zendingsgeest die Jezus aan de dag had gelegd, opnieuw zeer duidelijk aan het licht trad! Het verslag van het zendingswerk van deze vroege christenen, zoals opgetekend in het bijbelboek Handelingen, verschaft duidelijke bewijzen van een enorme ijver. Het moet de apostel Paulus goed hebben gedaan omstreeks 61 G.T. te kunnen zeggen dat het „goede nieuws” was gepredikt „in heel de schepping die onder de hemel is”! — Kol. 1:23.
ZENDINGSIJVER HERLEEFD IN DE MODERNE TIJD
Met de voorzegde afval en het daarmee gepaard gaande verlies van Gods geest verdween die zendingsijver echter in de loop van ruim 1700 jaar vrijwel geheel. In plaats daarvan nam de christenheid haar toevlucht tot het oorlogszwaard, kolonialisme en andere onschriftuurlijke methoden om „bekeerlingen” te maken. Was de zendingsijver van Christus en zijn ware discipelen voorgoed verdwenen? Dat zou nooit het geval kunnen zijn, want Jezus zelf had voorzegd dat het goede nieuws van het Koninkrijk op de gehele bewoonde aarde tot een getuigenis voor alle natiën zou worden gepredikt, en wel gedurende zijn tegenwoordigheid, die in 1914 is begonnen.
In de jaren 1870 werd het duidelijk dat Gods heilige geest met Charles T. Russell was, alsook met de oprechte bijbelonderzoekers die zich bij hem hadden aangesloten. In overeenstemming daarmee trad de ware zendingsijver opnieuw aan het licht. Weldra ontstonden overal op het Noordamerikaanse continent ecclesia’s (gemeenten) van bijbelonderzoekers. Het eerste bijkantoor van het Wachttorengenootschap buiten de Verenigde Staten werd in 1900 in Engeland, in Londen, gevestigd. Russell maakte predikingsreizen naar Europa en tijdens de tweede daarvan, in 1903, werd in Duitsland een bijkantoor van het Genootschap opgericht. Het volgende jaar werd weer een bijkantoor gevestigd, ditmaal in Australië, waar een jaar tevoren een begin was gemaakt met het zendingswerk. In 1911 en 1912 maakten Russell en anderen een wereldreis en predikten in landen als Singapore, de Filippijnen, China en Japan. De zendingsijver waarvan Jezus het toonbeeld was geweest, was opnieuw zeer duidelijk waarneembaar. Evenals in het geval van Jezus wekte hun predikingsijver echter de openlijke tegenstand van Satan op. Daardoor verliep het zendingswerk niet zonder moeilijkheden en beproevingen.
In 1915 gaf broeder Russell te kennen dat er nog veel zendingswerk verricht moest worden. Maar in 1916 voltooide hij zijn aardse loopbaan. Zou dit handjevol vervolgde christenen zendingsijver aan de dag blijven leggen? Inderdaad. J. F. Rutherford, de tweede president van het Genootschap, moedigde al deze christenen (die tegenwoordig bekendstaan onder de naam Jehovah’s Getuigen) ertoe aan krachtig deel te nemen aan de zendingsactiviteiten. Degenen die in staat waren naar andere landen te verhuizen, werden hiertoe uitgenodigd, en zo gebeurde het dat er kleine groepjes naar Afrika, India, Birma, Thailand, China en vele eilanden der zeeën gingen. Tegen de tijd dat de Tweede Wereldoorlog uitbrak werd er, althans op beperkte schaal, in meer dan 60 landen zendingswerk verricht. Sommigen die toen naar deze verre oorden gingen, dienen daar nog steeds, na 40 of 50 jaar!
NIEUWE VOORZIENING BEVORDERT ZENDINGSWERK IN HET BUITENLAND
In veel van deze landen werd het zendingswerk door de Tweede Wereldoorlog zeer aan banden gelegd. Zou die oorlog rechtstreeks uitmonden in Armageddon? (Openb. 16:14, 16, Statenvertaling) Naderde het zendingswerk dat door Jezus was begonnen zijn voltooiing? Deze vragen werden opgelost door een duidelijker begrip van Openbaring 17:8, hetgeen in de openbare lezing „Vrede — Is ze van blijvende duur?” tijdens het congres van Jehovah’s Getuigen in 1942 werd uiteengezet. In deze toespraak vernamen de Getuigen dat er na de oorlog een periode van vrede zou zijn. Met dit in gedachte maakte N. H. Knorr, de derde president van het Wachttorengenootschap, samen met de overige bestuursleden van het Wachttorengenootschap plannen om een nuttig gebruik te maken van de periode van vrede die zij nu verwachtten.
Er werden plannen gemaakt voor een school die speciaal ten doel had christenen op te leiden voor zendingsdienst in het buitenland, en bovendien om de gemeenten beter op te leiden voor het zendingswerk in eigen land. Op 1 februari 1943 begon de eerste klas van de Wachttoren-Bijbelschool Gilead aan de studiecursus. Wat een geloof sprak daaruit! Er waren vrijwel geen landen waarheen deze zendelingen vooralsnog gezonden konden worden. Niettemin kregen zij hun opleiding, in het vaste vertrouwen dat er een periode van vrede zou komen die nuttig besteed zou kunnen worden.
Uiteindelijk vonden de meeste zendelingen van de eerste klassen van de Gileadschool hun weg naar landen in Midden- en Zuid-Amerika en eilanden in het Caribisch gebied, om daar hun opleiding te gebruiken voor het helpen van anderen. In die dagen waren er vele problemen te overwinnen. Het vinden van onderdak, de taal, gewoonten, voedsel, tegenstand van de geestelijkheid en bijgeloof droegen elk het hunne bij tot de moeilijkheden waaraan deze nieuwe zendelingen het hoofd moesten bieden. In de meeste van deze landen waren, toen de zendelingen aankwamen, slechts één of twee personen geïnteresseerd of actief in het christelijke getuigeniswerk. Ondanks alle hinderpalen dienen echter velen van die eerste zendelingen nog steeds in deze landen. Wat een vreugde schenkt het hun dat thans meer dan 380.000 Getuigen in Midden- en Zuid-Amerika en in het Caribisch gebied samen met hen dienst verrichten!
Hoe bereidde de Gileadschool deze zendelingen op hun taak voor? Een zendeling die al 24 jaar dienst verricht in de Oriënt, vertelt: „Aangezien de bijbel ons voornaamste instrument in het zendingsveld zou zijn, vond ik de boek-voor-boek- en dikwijls vers-voor-versstudie van de bijbel, samen met de daarmee verband houdende lessen in geschiedenis, aardrijkskunde en dagelijks leven in bijbelse tijden, het belangrijkste deel van mijn opleiding. Bovendien kregen wij praktijklessen om onze bekwaamheid in het redeneren met en onderwijzen van mensen te vergroten. Wij werden geholpen in te zien welke aanpassingen wellicht nodig zouden zijn om in een nieuwe omgeving te kunnen leven. Iets anders dat mij erg geholpen heeft, was vijf maanden lang op Gilead te wonen met een grote ’familie’ van mensen met allerlei achtergronden. Dat heeft mij geholpen mij aan te passen aan het leven met een zendelingen-’familie’, waartoe mensen uit verschillende milieus behoren.” Met het verstrijken der jaren is het schoolprogramma van Gilead gemoderniseerd om het nog praktischer en doeltreffender te maken voor het helpen van nieuwe zendelingen om zich voor te bereiden op hun toewijzing in het buitenland.
Wie komen er nu in aanmerking voor het ontvangen van zo’n gespecialiseerde opleiding? In grote lijnen zijn de vereisten dat degenen die een aanvraag indienen tussen de 21 en 40 jaar oud moeten zijn, niemand mogen hebben die van hen afhankelijk is en geen andere verplichtingen mogen hebben die hen zouden verhinderen waar ook ter wereld te dienen. Zij kunnen vrijgezel zijn of minstens twee jaar getrouwd, en moeten een goede gezondheid hebben. Zij moeten ten minste drie jaar gedoopt zijn en op z’n minst de afgelopen twee jaar zonder onderbreking als volle-tijd Koninkrijksverkondigers gediend hebben. Kandidaten moeten ook de ware zendingsgeest bezitten — niet gedreven door zucht naar avontuur, maar veeleer door het verlangen om het toegewezen werk te verrichten. Dit vereist dat zij worden gemotiveerd door een diepe liefde voor Jehovah God en hun medemensen in hun toekomstige toewijzing. Wanneer deze soort van liefde hen beweegt, kunnen zij werkelijk tevreden zijn in hun toewijzing, zelfs als de omstandigheden niet zo gemakkelijk en gerieflijk zijn als zij vroeger gewoon waren. — Luk. 10:27.
BEZIT U DE ECHTE ZENDINGSIJVER?
Het is duidelijk dat slechts een betrekkelijk klein aantal getuigen van Jehovah als zendelingen in het buitenland kunnen dienen. Maar alle opgedragen dienstknechten van Jehovah God behoren diezelfde zendingsijver te bezitten. Er moet echter toegegeven worden dat er inspanning voor nodig is om die ijver in stand te houden, want er zijn vele afleidende factoren.
Soms geven jonge Getuigen op de middelbare school de wens te kennen het zendingswerk in de volle-tijddienst, hetzij thuis of in het buitenland, tot hun doel te maken. Maar tegen de tijd dat zij voor die speciale dienst in aanmerking zouden kunnen komen, is die aanvankelijke ijver verdwenen. Wat is er gebeurd? Hebben zij zich door de geest van de wereld laten afleiden? De geest van de wereld is een geest van genotzucht, het najagen van genoegens en minachting voor hard werken en verantwoordelijkheid. Deze geest heeft sommigen zodanig aangetast dat zij geen voldoening vinden in het alleen maar goed verrichten van een taak. Voor velen in de wereld moet een carrière „leuk” en „opwindend” zijn, of „glamour” hebben. Anders voelen zij er niets voor. Daarom moeten vooral jonge christelijke mannen en vrouwen zich afvragen: Ben ik soms enigszins besmet geraakt met die liefde voor een gemakkelijk leventje? Heeft de geest van de wereld — of wat dan ook — mijn ijver voor het zendingswerk bekoeld?
Wat uw leeftijd ook is, en ook al is het voor u misschien niet weggelegd een aandeel te hebben aan het zendingswerk thuis of in het buitenland, toch zou het heilzaam zijn uzelf te onderzoeken om vast te stellen of u de ware zendingsijver bezit of niet. Als u het gevoel hebt dat er op de een of andere manier iets aan uw zendingsijver schort, wat kunt u daar dan aan doen?
Misschien kan het bestuderen van Handelingen hoofdstuk vier u helpen terreinen op te sporen die extra aandacht verdienen, zodat u de zendingsijver van de eerste-eeuwse christenen vollediger kunt weerspiegelen. Merk op dat, volgens 4 vers 13, de tegenstanders de apostelen herkenden als personen die „met Jezus waren geweest”. Misschien hebben de verschillende bezigheden van dit leven uw omgang met Jezus door middel van bijbelstudie zozeer beperkt dat u iets van uw aanvankelijke ijver kwijt bent geraakt.
4 Vers 23 laat zien dat de apostelen, zelfs na het ondergaan van een beproeving, zo snel mogelijk weer bijeenkwamen met hun medegelovigen, om elkaar geestelijk aan te moedigen en elkaars ijver op te bouwen. Wanneer iemand daarentegen toelaat dat ontspanning en andere activiteiten die op zich niet verkeerd zijn, verhinderen dat hij regelmatig met medechristenen vergadert, zal hij langzaam maar zeker de ware zendingsijver verliezen. Het prachtige gebed dat staat opgetekend in 4 de verzen 24 tot 30 is nog een richtsnoer voor degenen die trachten hun ijver te vergroten. Merk op hoe Jezus’ discipelen baden om vrijmoedigheid van spreken. Zoekt u net zo ernstig als die gelovigen in dat gebed, de kracht van Gods geest om u te helpen uw ijver te vergroten? Indien dit zo is, dan kunt u dezelfde resultaten verwachten als die welke staan opgetekend in 4 vers 31. Jehovah verhoorde hun gebed, zij werden met de heilige geest vervuld en zij „spraken het woord Gods met vrijmoedigheid”.
Jezus zei dat het „goede nieuws” op de gehele bewoonde aarde tot een getuigenis zou worden gepredikt. Bij het verrichten van dat bevoorrechte werk leggen sommige christenen zendingsijver aan de dag in het gebied waar zij wonen, anderen doen dit in het buitenlandse veld. Geestdriftig ’spreken zij Gods woord met vrijmoedigheid’.
Dank zij Jehovah’s onverdiende goedheid wordt de Koninkrijksboodschap thans in meer dan 200 landen gehoord, terwijl dit aantal 54 bedroeg toen de Gileadschool werd opgericht. Hoe ziet het leven van een zendeling er uit? Hoe wordt in hun materiële behoeften voorzien? Waar wonen zij? Hoe pakken zij taalproblemen aan? Als u de zendingsdienst in het buitenland overweegt, zal het volgende verslag een extra aanmoediging voor u zijn.