Wanneer Gods raad in de wind wordt geslagen
Een jonge Getuige in het begin van de twintig vertelt wat het gevolg was van haar veronachtzamen van Gods raad. Zij schrijft:
„Ik heb een aantal jaren geleden een afschuwelijke fout begaan. Ik pleegde hoererij met een ongedoopte jonge man die destijds de bijbel bestudeerde. Ik was gedoopt. Ik wilde dat hij van mij hield. In plaats daarvan overtraden wij beiden Jehovah’s wet. . . .
Nu is mijn leven een aaneenschakeling van ’Had ik maar’ en ’Was ik maar’. Was ik als jongere die toch Jehovah liefhad, maar sterker geweest. Had ik maar meer aandacht geschonken aan Gods vereisten. Had ik maar nagedacht over de ernst van mijn daden toen ik verkeerd handelde. Nu moet ik oogsten wat ik heb gezaaid. . . . De slapeloze nachten, de perioden van wanhoop en huilbuien horen bij de prijs die ik voor mijn ongehoorzaamheid jegens Jehovah moet betalen. . . .
Ik wou maar dat jonge mensen zouden beseffen dat de ouderlingen en Jehovah liefde voor hen koesteren en hen geen schade willen zien lijden. Gods vereisten zijn bedoeld voor ons geluk. Als een fout eenmaal is begaan, is dat niet meer ongedaan te maken. Wij moeten altijd ons vertrouwen op Jehovah stellen en ons stellig voornemen om aan zijn rechtvaardige en liefdevolle beginselen vast te houden. Het geluk dat wij als jongeren kunnen hebben, is erbij betrokken. Wij moeten altijd aan de toekomst denken, aan onze verhouding tot Jehovah. Daarvoor is nodig dat wij onze loopbaan nu met wijsheid bepalen, in overeenstemming met schriftuurlijke beginselen. Dat is een les die ik helaas door schade en schande heb geleerd. Anderen zullen hopelijk alle kwaaddoen vermijden omdat zij hun vertrouwen op Jehovah stellen.
Ik heb Jehovah werkelijk lief. Het doet me pijn dat ik hem ongehoorzaam ben geweest. Maar ik ben vastbesloten mij in te spannen, hard te werken, een sterke en blijvende verhouding tot Jehovah op te bouwen. Ik zie met verlangen de tijd tegemoet dat Jehovah’s geschenk aan zijn loyale onderdanen, een nieuw samenstel van morele pracht, verwezenlijkt zal worden en iedereen vreugde zal verschaffen. Dan pas zal ik de hartepijn en smart vergeten die mijn zonde heeft veroorzaakt.”