Vleiende woorden die schade berokkenen
EEN prijzend woord voor een goed verrichte taak verwarmt het hart van een ijverige werker. Er bestaat echter ook een soort van spraak die, hoewel ze veel van prijzende woorden of lof weg heeft en er vaak ten onrechte voor wordt gehouden, altijd schade berokkent.
In Spreuken 28:23 lezen wij: „Hij die een mens terechtwijst, zal later meer gunst vinden dan hij die met zijn tong vleit.” Dit is een waarschuwing, niet tegen lof, maar tegen vleierij.
Volgens een woordenboek betekent het werkwoord „vleien” te veel prijzen, en wel op een onwaarachtige of onoprechte wijze. Het woord verwijst ook naar pogingen om door middel van lof en attenties bij iemand in de gunst te komen. In tegenstelling tot prijzende woorden die gebaseerd zijn op een juiste waardering voor hard werk, is vleierij op onwaarachtigheid gebaseerd.
DE DWAASHEID VAN OVERMATIGE LOF
Vleiende spraak werpt altijd slechte vruchten af. Ze draagt bijvoorbeeld bij tot hoogmoed, welke Jezus tot de „schadelijke overleggingen” rekende die uit het hart voortkomen (Mark. 7:21, 22). De bijbel geeft een aanbidder van God de raad „niet meer van zichzelf te denken dan nodig is, maar met een gezond verstand te denken” (Rom. 12:3). Het overdreven beeld dat men als gevolg van vleierij van zichzelf verkrijgt, is in strijd met zo’n christelijk gezond verstand.
Mensen die vleierij liefhebben, reageren ongunstig op kritiek. Zij verkiezen het alleen maar lovende opmerkingen over zichzelf te horen. Tot dat slag mensen behoorden de Israëlieten, die tegenover de profeten van God de klacht uitten: „Gij moet voor ons niet schouwen wat recht is. Spreekt tot ons vleiende dingen; schouwt bedrieglijke dingen” (Jes. 30:10). Dat zij vleiende woorden wilden horen in plaats van de correctieve raad van God, leidde echter tot rampspoed voor de natie Israël.
In Jezus’ tijd behoorden vooral de schriftgeleerden en Farizeeën tot degenen die vleierij liefhadden. De Zoon van God zei over hen: „Alle werken die zij doen, doen zij om door de mensen gezien te worden, want zij verbreden de doosjes met schriftuurplaatsen die zij als bescherming dragen, en vergroten de franjes van hun klederen. Zij zijn gesteld op de voornaamste plaats aan de avondmaaltijden en de voorste zitplaatsen in de synagogen en de begroetingen op de marktplaatsen, en worden door de mensen graag Rabbi genoemd” (Matth. 23:5-7). Dit leidde echter tot hun ondergang. Omdat zij ’heerlijkheid van elkaar aannamen’, bleven zij in gebreke geloof te oefenen in de beloofde Messías en gingen de zegeningen om deel uit te maken van Gods koninkrijk, aan hen voorbij (Joh. 5:44; 12:43; Matth. 21:42, 43). Hun verwerping van Jezus Christus leidde bovendien tot de vernietiging van de joodse natie door de Romeinen in 70 G.T.
VLEIERIJ OM ER BETER OP TE WORDEN
Trots en hoogmoed zijn slechts enkele van de slechte vruchten die door vleierij worden veroorzaakt. Vaak bedient de vleier zich van vleiende taal om van anderen te profiteren. De Schrift spreekt over bepaalde personen die de christelijke gemeente waren binnengedrongen en die „morren en mokken om hun lot; zij leven naar hun lusten; hun mond is vol grootspraak, terwijl zij de machtigen vleien om voordeel te behalen” (Jud. 16, Willibrordvertaling). Met soortgelijke mensen in gedachten, riep de psalmist uit: „Red mij toch, o Jehovah, want de loyale persoon heeft een eind genomen; want de getrouwen zijn verdwenen uit de mensenzonen. Onwaarheid blijven zij tot elkaar spreken; met gladde lip [„vleiende lippen”, Statenvertaling] blijven zij zelfs dubbelhartig spreken.” — Ps. 12:1, 2.
Iemand die „dubbelhartig” is, gebruikt vleiende taal om zelfzuchtige beweegredenen te verbergen. Door middel van zulke taal streelt hij de ijdelheid van zijn toehoorders en komt hij bij hen ’in de gunst’. Vervolgens gebruikt de vleier zijn slachtoffers om zelfzuchtige belangen te bevorderen. Hoe waar is de schriftuurlijke verklaring: „Een fysiek sterke man die zijn metgezel vleit, spreidt niets dan een net uit voor zijn schreden.” — Spr. 29:5.
Terecht gaf Jezus zijn discipelen de raad: „Gij moet u geen Rabbi laten noemen, want één is uw leraar, terwijl gij allen broeders zijt. Noemt bovendien niemand op aarde uw vader, want één is uw Vader, de Hemelse. Laat u ook geen ’leiders’ noemen, want één is uw Leider, de Christus. De grootste onder u moet echter uw dienaar zijn. Al wie zich verhoogt, zal vernederd worden, en al wie zich vernedert, zal verhoogd worden” (Matth. 23:8-12). Mensen die Christus wensen na te volgen, zijn niet uit op verhoging door mensen, door middel van vleiende taal, zoals door het gebruik van klinkende religieuze titels. De verhoging die werkelijk telt, komt van God en is slechts voor nederige mensen. „Vóór een ineenstorting is het hart van een man hovaardig, en aan heerlijkheid gaat ootmoed vooraf.” — Spr. 18:12.
Christenen zullen vleierij mijden als een middel om hun eigen ego of dat van anderen te strelen. Zij zullen vleierij ook uit de weg gaan als een middel om van hun medemensen te profiteren. De apostel Paulus heeft in dit opzicht een voortreffelijk voorbeeld gegeven: „Nooit zijn wij met vleiende woorden gekomen (zoals gij weet), noch met een vals voorkomen waarachter zich hebzucht verschool, God is getuige!” — 1 Thess. 2:5.
STREEF NAAR EVENWICHT
Dit wil niet zeggen dat alle vleiende taal verkeerd gemotiveerd is. Sommige mensen komen van nature gemakkelijk onder de indruk van de bekwaamheden die zij in hun vrienden of kennissen zien. Bepaalde mensen zijn geneigd er een gewoonte van te maken anderen te vertellen hoe „geweldig” zij zijn of hen anderszins met complimenten te overladen. Over het algemeen zijn zulke uitingen echter vaak sterk overdreven en komen ze op niets anders dan vleierij neer. Aangezien alle mensen zondig zijn, is niemand zo begiftigd dat hem dat voortdurend verteld moet worden. — Rom. 3:23.
Aan de andere kant is het belangrijk het andere uiterste te vermijden door nooit een lovend woord te spreken. In plaats daarvan is het goed in gedachte te houden dat Jezus snel geneigd was te prijzen, zelfs als hij op het punt stond een bestraffing toe te dienen. De Zoon van God zei bijvoorbeeld tot de christelijke gemeente in Efeze: „Ik ken uw daden, en uw moeizame arbeid en volharding, en ik weet dat gij slechte mensen niet kunt verdragen, en dat gij hen die zeggen dat zij apostelen zijn maar het niet zijn, op de proef stelt en hen leugenaars hebt bevonden. Gij geeft ook blijk van volharding, en gij hebt ter wille van mijn naam standgehouden en zijt niet moe geworden. Niettemin heb ik dit tegen u, dat gij de liefde die gij eerst hadt, hebt verlaten” (Openb. 2:1-4). Naar alle waarschijnlijkheid hebben die prijzende opmerkingen de christenen in Efeze aangemoedigd en hen er des te meer toe aangespoord de ene bedenking die Jezus ’tegen hen had’, te corrigeren.
Hoewel prijzende woorden voordelen afwerpen, maakt Gods Woord duidelijk dat de gladde woorden van een vleier schadelijke gevolgen hebben. Zowel degene die zich van vleierij bedient als degenen die zich erdoor laten ’inpalmen’, zullen de waarheid van de geïnspireerde verklaring ondervinden: „Een vleiende mond bewerkt een omverstoting” (Spr. 26:28). Jezus Christus weigerde zich vleierij te laten aanleunen (Mark. 10:17, 18). Hij is een voorbeeld voor zijn volgelingen.