Het christendom en het verslag van de ware religie
1, 2. Hoe laat datgene wat over het algemeen „christendom” wordt genoemd, zich vergelijken met de religie van Jezus Christus?
In de Detroit Free Press van 24 december 1976 werd de vraag gesteld:
ZOUDEN DE TEGENWOORDIGE CHRISTENEN BIJ EEN TWEEDE KRUISIGING DE LEIDING NEMEN?
In het artikel dat volgde, schreef rubriekschrijver S. J. Harris:
„Indien er met Kerstmis een tweede komst zou plaatsvinden, zou er dan ook niet snel een tweede kruisiging op volgen? En deze keer niet door de Romeinen of de joden, maar door degenen die zich trots christenen noemen?
Ik vraag me af hoe wij deze man, met zijn vreemde en ontstellende en ’onpraktische’ leerstellingen op het gebied van menselijk gedrag en maatschappelijke verhoudingen, in deze tijd zouden beschouwen en behandelen. . . .
Zouden de militaristen onder ons hem niet aanvallen als een laffe pacifist, omdat hij ons ertoe aanspoort kwaad niet te weerstaan maar kwaad met goed te vergelden?
Zouden de nationalisten onder ons hem niet de wind van voren geven als een gevaarlijke revolutionair, omdat hij ons zegt dat wij allen van één vlees zijn? . . . Zouden degenen onder ons die sentimenteel van aard zijn, hem niet als een cynicus verwerpen, omdat hij ons waarschuwt dat de weg naar redding smal en moeilijk is? . . .
Ik vraag me dit werkelijk af. Ik vraag me af of het christelijke tijdperk eigenlijk wel is begonnen.”
2 Dit artikel beklemtoont op dramatische wijze welke grote verschillen er zoal bestaan tussen de leringen van Jezus Christus en de zienswijze van veel mensen in deze tijd die beweren in de ware religie te geloven zoals deze in de bijbel wordt uiteengezet.
JEZUS EN DE WARE RELIGIE
3, 4. Hoe laat de wijze waarop Adam en Eva over het algemeen worden beschouwd, zich vergelijken met (a) wat Jezus geloofde? (Gen. 1:26) (b) wat zijn discipelen geloofden?
3 Wij hebben dus gezien dat het bijbelboek Genesis leert dat Jehovah God de eerste mensen, Adam en Eva, heeft geschapen. Het is waar dat veel geestelijken en kerkgangers, die de voorkeur geven aan de evolutietheorie, het Genesisverslag als een mythe beschouwen, maar wat valt er over Jezus, de Stichter van het christendom, te zeggen?
4 Er valt niet aan te twijfelen dat Jezus er zeker van was dat God Adam en Eva, de ouders van het mensengeslacht, had geschapen. De discipelen geloofden dit eveneens (Gen. 2:21-24; 1 Kor. 6:16; 15:45; Ef. 5:31; Luk. 3:23-38). Toen Jezus eens een vraag over echtscheiding beantwoordde, zei hij:
„Hebt gij niet gelezen dat hij die hen van het begin af heeft geschapen, hen als man en als vrouw heeft gemaakt en gezegd heeft: ’Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw, en de twee zullen één vlees zijn’? Zodat zij niet langer twee, maar één vlees zijn. Wat God derhalve onder één juk heeft samengebracht, brenge geen mens vaneen. . . . Ik zeg u dat al wie zich van zijn vrouw laat scheiden, behalve op grond van hoererij, en een ander trouwt, overspel pleegt.” — Matth. 19:4-9.
5. Welke houding ten opzichte van de bijbel helpt ons de ware religie te identificeren?
5 Wij kunnen er op grond van deze verklaring van Jezus zeker van zijn dat hij en zijn volgelingen de bijbel als geïnspireerd en betrouwbaar aanvaardden. Zulk een aanvaarding is een belangrijk onderscheidend kenmerk van de ware religie (2 Tim. 3:16, 17). Elkeen van ons zou derhalve de vraag kunnen stellen: ’Aanvaardt mijn religie de bijbel als geïnspireerd en nauwkeurig, met inbegrip van wat hij over de schepping zegt? Geloof ik persoonlijk hetzelfde als Jezus en de apostelen?’
6. (a) Hoe dacht Jezus over huwelijk en echtscheiding, en hoe laat de ware religie zich vergelijken met de inlichtingen die Genesis over deze onderwerpen verschaft? (b) Welke handelwijze volgden de vroege christenen met betrekking tot seks en het huwelijk? (Hebr. 13:4)
6 Wat Jezus in Matthéüs 19:4-9 zei, illustreert ook hoe consequent de ware religie is met betrekking tot juist gedrag. Jezus was het ermee eens dat het huwelijk heilig en het huwelijksverbond bindend is; echtscheiding en hertrouwen mogen volgens de Schrift alleen worden toegestaan als iemands huwelijkspartner zich aan grove immoraliteit schuldig heeft gemaakt. Door aan deze goddelijke maatstaf vast te houden, zet de ware religie gehuwde personen ertoe aan eraan te werken hun verbintenis tot een succes te maken. Zij dienen het huwelijk niet als een tijdelijk maatschappelijk contract te bezien dat gemakkelijk door de Staat vernietigd kan worden. De vroege christenen vermeden bij de beoefening van de ware religie dan ook vrij geslachtelijk verkeer, aangezien zij zich hielden aan de kijk die de Schepper op het huwelijk heeft als een heilige, onverbrekelijke verbintenis. Dr. C. J. Cadoux schreef in dit verband betreffende christenen in de tweede eeuw G.T.:
„Alle geslachtsgemeenschap buiten de begrenzingen van het huwelijk was streng verboden. De christenen hebben zich vaak krachtig uitgesproken tegen de excessen die in de heidense wereld om hen heen algemeen voorkwamen.” — The Early Church and the World, blz. 283.
7, 8. Hebt u uit ervaring gemerkt dat de meeste kerkgangers aan de morele maatstaf van de bijbel vasthouden? Of is dit thans onmogelijk?
7 Merkt u dat de meerderheid van de kerken krachtig aan de morele maatstaf van de bijbel vasthoudt? Of is het iets gewoons dat personen die beweren christelijk te zijn een echtscheiding verkrijgen en hertrouwen, ook al bestaat hier geen schriftuurlijke basis voor? Blijven bovendien niet veel religies personen die immoreel samenleven en personen die polygamie beoefenen, als lidmaten erkennen?
8 Velen zullen natuurlijk zeggen dat alhoewel de hoge moraliteit van de bijbel bewonderenswaardig is, het eigenlijk onmogelijk is zich er in onze tijd aan te houden. Toch is het voor een religieus volk beslist mogelijk ondanks ’de excessen die in de wereld om ons heen algemeen voorkomen’, aan hoge morele maatstaven vast te houden (Hebr. 13:4). Merkt u maar op wat in een verslag van de Londense Daily Telegraph betreffende honderdduizenden personen in het werelddeel Afrika werd gezegd:
„Jehovah’s Getuigen hebben er in geheel Afrika blijk van gegeven fatsoenlijke, ordelijke burgers te zijn die volgens een hoge morele maatstaf leven. . . . Het vrije geslachtelijke verkeer en de polygamie die kenmerkend zijn voor de Afrikaanse samenleving, zijn eenvoudig ondenkbaar onder de Getuigen. De sekte prent [bij haar leden] gewoonten op het gebied van zuinigheid, punctualiteit, eerlijkheid en gehoorzaamheid in.” — 26 oktober 1972.
9. (a) Waarom houdt datgene wat de bijbel over seksuele moraliteit en stelen zegt, met elkaar verband? (Deut. 5:19, 21; 1 Thess. 4:4-6) (b) Door welk optreden ten aanzien van iemand die een onberouwvolle, volhardende kwaaddoener is, wordt de ware religie gekenmerkt?
9 Vanaf het begin blijkt de ware aanbidding dus het stempel te dragen van aandringen op seksuele moraliteit en respect voor het huwelijk. Deze aspecten zijn zelfs betrokken bij de zorg die de bijbel tot uitdrukking brengt met betrekking tot eigendomsrechten en de veroordeling van stelen. Hiertoe behoort tevens het stelen van iemands partner of de morele zuiverheid van iemand anders (Gen. 2:24; Ef. 4:28). Bovendien verklaart de bijbel duidelijk dat personen die de ware religie belijden maar onberouwvolle ’hoereerders, overspelers, dieven of hebzuchtige personen’ blijven, uit de christelijke gemeenschap gesloten moeten worden, aangezien Gods vereiste luidt: „Verwijdert de goddeloze man uit uw midden” (1 Kor. 5:11-13; 6:9, 10). Men heeft de ware religie consequent kunnen identificeren aan de hand van het feit dat er krachtig aan zulk een goddelijke moraliteit werd vastgehouden. Wij zouden de vraag kunnen stellen: Hoe laat onze aanbidding van God zich hiermee vergelijken?
JEZUS EN DE ZIEL
10. Hoe laten de christelijke Geschriften en Genesis zich met elkaar vergelijken met betrekking tot de kwestie van de „ziel”?
10 U zult u herinneren dat wij in onze voorgaande bespreking van Adam opmerkten dat de bijbel niet zegt dat Adam een onsterfelijke ziel bezat, maar dat hij een ziel was. Wordt deze zelfde gedachte ook in de christelijke Geschriften of het „Nieuwe Testament” aangetroffen? Ja, inderdaad. Toen de apostel Paulus de kwestie van de opstanding besprak, deed hij zelfs een aanhaling uit het Genesisverslag door te zeggen: „Zo staat er ook geschreven: ’De eerste mens, Adam, werd een levende ziel.’ De laatste Adam [Jezus Christus] werd een levengevende geest” (1 Kor. 15:45). Dus ook in deze kwestie bestaat er overeenstemming met betrekking tot de geloofspunten van de ware religie.
11. Welke hoop hadden Jezus’ discipelen, en hoe konden zij er zeker van zijn dat deze werkelijk was en niet slechts een wensdroom? (1 Petr. 1:3, 4; Hand. 10:39, 40; 17:31; 1 Kor. 15:3-8)
11 Door hetgeen er met Jezus zelf gebeurde, konden Christus’ vroege volgelingen er zeker van zijn dat zij de kwestie aldus moesten bezien. Hij, een menselijke ziel, werd ter dood gebracht. Hij bleef drie dagen dood, gedurende welke periode hij niet ergens anders levend was (Hand. 2:22-27; 1 Kor. 15:3, 4). Hij was in het graf totdat God hem op de derde dag met een geestelijk lichaam opwekte om later naar de hemel terug te keren (1 Petr. 3:18). Voordien, nadat Jezus de dood met het onbewustzijn van de slaap had vergeleken, had Jezus tot gelovigen gezegd: „Ik ben de opstanding en het leven. Wie geloof oefent in mij, zal, ook al sterft hij, tot leven komen” (Joh. 11:11-14, 25; 5:28, 29). Zijn discipelen hadden derhalve geen reden om de een of andere Griekse filosofie te geloven volgens welke de mens een onsterfelijke ziel heeft.
12. Waarom is wat men omtrent de „ziel” gelooft belangrijk in verband met religie?
12 In dit licht kunnen wij allen beschouwen wat onze religie onderwijst. Is onze religieuze denkwijze gevormd overeenkomstig datgene wat de ware religie altijd heeft beweerd, dat de mens een ziel is en dat elk toekomstige leven pas na een opstanding mogelijk is? Deze kwestie kan niet licht worden opgevat; onze hoop staat op het spel.
CHRISTENEN EN DE GEBODEN AAN NOACH
13, 14. Waarom is de kwestie van bloed belangrijk met betrekking tot ware aanbidding?
13 Wij zouden redelijkerwijs kunnen verwachten dat evenals Jezus’ leringen in overeenstemming waren met het Genesisverslag over Adam, ze ook zouden overeenstemmen met wat wij in de bijbel over Noach aantreffen. En dit is ook zo. U zult u herinneren dat de Schepper in Genesis 9:3-6 instructies gaf die geboden inhielden voor de gehele mensheid. God sprak zich daar uit tegen het eten van vlees waarin zich nog bloed bevond en ook verbood hij de mens anderen van het leven te beroven.
14 Vanaf die tijd was bij de ware religie ook respect voor bloed inbegrepen, waarvan God zelf zei dat dit het leven vertegenwoordigde dat van Hem afkomstig was en Hem toebehoorde (Lev. 17:13, 14; Ps. 36:9). In overeenstemming hiermee werd Jezus’ levensbloed als een slachtoffer voor de gehele mensheid uitgegoten (Ef. 1:7; Hebr. 9:11-14; 1 Petr. 1:19). Maar wordt er ook van christenen verlangd dat zij zich onthouden van het eten van bloed of van vlees waaruit men het bloed niet heeft laten weglopen? Wanneer wij de christelijke Geschriften hierop naslaan, bemerken wij dat Handelingen hoofdstuk 15 een bindend besluit bevat van de apostelen en oudere mannen van Jeruzalem, die het centrale of besturende lichaam van christelijke ouderlingen vormden. De bijbel vertelt ons dat zij, geholpen door Gods heilige geest, bevestigden dat christenen zich moeten onthouden van bloed, precies zoals dit door bemiddeling van Noach was geboden. — Hand. 15:28, 29; 21:25.
15, 16. Hoe laten het gedrag van de vroege christenen en het gedrag van Jehovah’s Getuigen zich met elkaar vergelijken met betrekking tot de kwestie van de heiligheid van bloed?
15 De vroege christenen hielden krachtig aan deze wet van God vast. Volgens de Latijn schrijvende Tertullianus beschouwden de tweede- en derde-eeuwse christenen ’zelfs het bloed van dieren niet als geoorloofd voedsel; ook mochten zij geen door verstikking of natuurlijke dood om het leven gekomen dieren eten’. Zelfs de vervolgers beseften dat degenen die aan de ware christelijke religie vasthielden, geen vlees aten waarin zich nog bloed bevond. Daarom ’stelden zij christenen op de proef door hen bloedworsten voor te zetten, daar zij er vast van overtuigd waren dat datgene waardoor zij hen van de rechte weg wilden afbrengen, bij hen ongeoorloofd was’. — Apologeticum van Tertullianus, Deel I, hoofdstuk 9.
16 Is dit onderscheidende kenmerk van de ware religie sindsdien prijsgegeven? Hoewel de meeste kerken datgene wat de bijbel in dit verband zegt, negeren of niet onderwijzen, is het nog steeds een identificerend kenmerk van het ware christendom. In 1976 werd in een verslag uit één Afrikaanse natie melding gemaakt van een groep getuigen van Jehovah die evenals de vroege christenen waren gevangengezet omdat zij aan hun politieke neutraliteit vasthielden. Hun gevangenbewaarders stelden hun geloof op de proef door te trachten hen ertoe te dwingen ’een brief te schrijven waarin zij hun geloofsovertuiging loochenden, van religie te veranderen, het beginsel van polygamie te aanvaarden of vlees te eten waaruit men het bloed niet had laten weglopen’. Wij zijn blij te kunnen meedelen dat die christenen net zo reageerden als de apostelen: „Wij moeten God als regeerder meer gehoorzamen dan mensen.” — Hand. 5:29.
17. Welk andere kenmerk van de ware religie kunnen christenen opmerken in wat God tot Noach zei?
17 Nog een kenmerk van de ware religie waaraan wij aandacht willen besteden, houdt eveneens verband met wat God tot Noach heeft gezegd. God maakte destijds, toen het gehele mensengeslacht uit slechts acht zielen bestond, duidelijk dat zij elkaar niet moesten bestrijden en elkaar niet moesten doden (Gen. 9:5, 6). Dit gevoel van broederschap ten opzichte van de mensheid en respect voor het menselijke leven is een van de krachtigste identificerende kenmerken van de ware religie. — Ex. 20:13.
18. (a) Waardoor zouden Jezus’ discipelen, zoals hijzelf zei, geïdentificeerd kunnen worden? (b) Welk standpunt hebben de vroege christenen als gevolg van Jezus’ woorden ten aanzien van oorlog ingenomen? (Matth. 5:43-45; 26:52)
18 Kort voor zijn dood zei Jezus: „Ik geef u een nieuw gebod, dat gij elkaar liefhebt; net zoals ik u heb liefgehad, dat ook gij elkaar liefhebt. Hieraan zullen allen weten dat gij mijn discipelen zijt, indien gij liefde onder elkaar hebt” (Joh. 13:34, 35). Vandaar dat de vroege christenen weigerden zich in het Romeinse leger te laten inlijven of in de legers van welke andere natie uit de oudheid maar ook te strijden. In zijn verhandeling An Inquiry into the Accordancy of War with the Principles of Christianity (Een onderzoek naar de overeenstemming van oorlog met de beginselen van het christendom) berichtte J. Dymond over zijn speurwerk in dit verband:
„De christenen die het dichtst bij de tijd van onze Heiland leefden, geloofden, met een ontwijfelbaar vertrouwen, dat hij de oorlog ondubbelzinnig had verboden — zij beleden dit geloof openlijk, en ter ondersteuning ervan waren zij bereid hun fortuin en hun leven te offeren, hetgeen zij ook werkelijk deden.
Later werden christenen echter soldaten. — En wanneer? Toen hun algemene trouw aan het christendom verslapte: — toen zij, in andere opzichten, de beginselen ervan overtraden; . . . Kortom, zij werden soldaten toen zij niet langer christenen waren.” — Blz. 60, 61.
19. Op welk onderscheidende kenmerk van de ware religie legde de bijbelschrijver Johannes de nadruk?
19 De apostel Johannes vestigde krachtig de aandacht op liefde als een essentiële hoedanigheid van de ware religie toen hij schreef: „Want dit is de boodschap die gij van het begin af hebt gehoord, dat wij liefde voor elkaar moeten hebben; niet zoals Kaïn, die uit de goddeloze voortsproot en zijn broer vermoordde. . . . Kindertjes, laten wij liefhebben, niet met het woord noch met de tong, maar met de daad en in waarheid.” — 1 Joh. 3:11, 12, 18.
VERENIGDE ONDERSTEUNERS VAN HET KONINKRIJK
20. Op welk feit in verband met het Koninkrijk zouden wij kunnen wijzen wanneer wij iemand helpen de ware aanbidding te identificeren?
20 Nog een reden voor de wereldomvattende eenheid van de christelijke broederschap treffen wij in het centrale thema van Jezus’ prediking aan: het koninkrijk der hemelen. Ware christenen geven, ongeacht waar zij op de oppervlakte der aarde wonen, hun steun en hun leven aan de autoriteit van dit koninkrijk. Het is waar dat miljoenen kerkgangers thans het door Jezus gegeven „modelgebed” opzeggen en bidden: „Uw koninkrijk kome”, maar beseffen zij dat het Koninkrijk een werkelijke regering is die deze aarde werkelijk ten behoeve van de aardbewoners zal regeren en gerechtigheid, vrede, gezondheid en leven voor de mensheid zal teweegbrengen? (Openb. 21:3, 4; 2 Petr. 3:11-13) Jezus zei over dat koninkrijk toen hij voor de Romeinse bestuurder Pontius Pilatus stond:
„Mijn koninkrijk is geen deel van deze wereld. Indien mijn koninkrijk een deel van deze wereld was, zouden mijn dienaars hebben gestreden, opdat ik niet aan de joden overgeleverd zou worden. Maar mijn koninkrijk is nu eenmaal niet uit deze bron.” — Joh. 18:36.
21. Waaraan zijn ware christenen loyaal en waarvoor spannen zij zich in?
21 Dit koninkrijk is uit een hemelse bron. Daarom geven christenen, hoewel zij menselijke krachtsinspanningen om vrede tot stand te brengen, respecteren, al hun kracht en middelen aan de bekendmaking van dat koninkrijk en de hoop die het de gehele mensheid in het vooruitzicht stelt (Matth. 24:14; 28:18-20). Geloof in en loyaliteit aan het Koninkrijk zijn derhalve de allerbelangrijkste dingen in het leven van Christus’ ware volgelingen.
22. Welk standpunt namen de vroege christenen in met betrekking tot wereldlijke regeringen? (Tit. 3:1; 1 Petr. 2:17)
22 In de postapostolische periode toonden de vroege christenen door hun handelwijze hun geloof in Christus’ woorden. Zij betaalden hun belasting, gehoorzaamden de wetten van het land en waren in alle normale opzichten voorbeeldige burgers van het land waarin zij woonden (Matth. 22:17-21; Rom. 13:1-7). Maar zij namen te midden van de politieke partijen en twisten van hun tijd een neutraal standpunt in. De geschiedenis verhaalt:
„De christenen waren vreemdelingen en pelgrims in de wereld om hen heen; hun burgerschap was in de hemel; het koninkrijk waar naar zij uitzagen, was niet van deze wereld. Het daaruit voortvloeiende gebrek aan belangstelling voor publieke aangelegenheden was dus van het begin af aan een opvallend kenmerk van het christendom.” — Christianity and the Roman Government, door E. G. Hardy, blz. 39.
23. Waarom is het neutrale standpunt van Jehovah’s Getuigen van belang voor iemand die erachter probeert te komen wat de juiste religie is? (Joh. 15:19)
23 Om thans degenen te kunnen identificeren die de ware religie beoefenen, moeten wij derhalve naar degenen uitzien die zich in de aangelegenheden van de menselijke regeringen neutraal opstellen, niet wegens persoonlijke redenen, maar omdat zij verwachten dat Gods koninkrijk handelend zal optreden om het onrecht en het lijden in onze tijd te herstellen. Kunnen er in deze tijd zulke christenen zijn? In een recent boek over het christendom werd het volgende opgemerkt:
„Dat Jehovah’s Getuigen zich aan politieke, militaire en maatschappelijke betrokkenheid onttrekken, is door hun vijanden als mensenhaat uitgelegd en vormt de belangrijkste oorzaak van de verschrikkelijke vervolging die vaak over hen is gebracht.” — American Christianity, An Historical Interpretation.
In het boek From State Church to Pluralism (1971), door F. H. Littell, wordt bovendien gezegd:
„Hoe ongeloofwaardig en letterlijk van aard de eigenaardige door de J[ehovah’s] G[etuigen] aangehangen leer van het Koninkrijk ook mag schijnen, toch dienen wij niet te vergeten dat de komst van het Koninkrijk in de bijbelse religie een moment is waarop de normale lijn der menselijke verwachtingen op dramatische wijze wordt doorkliefd en omgebogen.” — Blz. 212.
De bijbelse leer van het Koninkrijk verschilt inderdaad van de wereldse zienswijze, evenals dit het geval was toen Jezus voor de rechterstoel van Pontius Pilatus werd geoordeeld. Jezus zei echter ook: „De wijsheid [vindt] haar rechtvaardiging in haar werken.” Als wij ons interesseren voor wat de ware religie is, is het de moeite waard de werken te onderzoeken van degenen die de bijbelse zienswijze volgen. — Matth. 11:19.
WAT WIL DIT ZEGGEN?
24. Wat zijn als samenvatting enkele belangrijke identificerende kenmerken van de ware religie?
24 De punten die wij hier hebben beschouwd, zijn beslist niet alle identificerende kenmerken van de ware religie. Ze verschaffen ons echter wel een ruime basis op grond waarvan wij de geloofspunten en praktijken van onze religie en van ons persoonlijk, kunnen overwegen. In overeenstemming met hetgeen wij in de bijbel en in het leven van de vroege christenen hebben aangetroffen, zullen wij gemakkelijk kunnen inzien dat de ware religie het volgende moet omvatten: Dat God de mens rechtstreeks heeft geschapen om op aarde te leven; dat mensen geen onsterfelijke ziel bezitten, maar dat de doden een toekomstige opstanding ontvangen; dat wij er standvastig in moeten zijn immoraliteit te vermijden en de heiligheid van de huwelijksregeling hoog te houden; dat het belangrijk is aan Gods wet met betrekking tot bloed vast te houden en liefde ten opzichte van medemensen ten toon te spreiden, wat het leven zoveel aangenamer maakt; en dat christenen Gods koninkrijk moeten bekendmaken ten einde anderen te helpen de wonderbaarlijke hoop te bezitten die door God wordt verschaft.
25, 26. Waarom moet elk van ons persoonlijk zich voor deze kenmerken van de ware aanbidding interesseren? Met welk resultaat?
25 Sommigen zullen waarschijnlijk bemerken dat hun religie of persoonlijke geloofsovertuiging en -beoefening verschilt van wat de bijbel als ware religie identificeert. Indien u in uw geval bemerkt dat bepaalde wijzigingen noodzakelijk zijn, verzuim dan niet deze aan te brengen. Volg de geïnspireerde raad in 1 Petrus 3:10-12 op: „Want ’wie het leven wil liefhebben en goede dagen wil zien, . . . laat hij zich afkeren van wat slecht is en doen wat goed is; laat hij vrede zoeken en die nastreven. Want de ogen van Jehovah zijn op de rechtvaardigen’.”
26 Hoe kunnen wij het goede nastreven? Niet slechts door datgene prijs te geven wat in strijd is met de ware religie, maar ook door positieve stappen te doen ten einde in overeenstemming met de wil van onze God te leven. Roep u te binnen dat Noach niet slechts een gelovige was. De bijbel vertelt ons dat Noach met de ware God wandelde en „een prediker van rechtvaardigheid” was. Evenzo hebben zowel Jezus als zijn apostelen niet alleen geloof gesteld in de ware religie maar er ook in overeenstemming mee geleefd. Dit hield ook in dat zij het goede nieuws over Gods koninkrijk en de door God beloofde nieuwe ordening van vrede met anderen deelden (Matth. 4:17; 10:7; 28:19, 20). Wanneer wij dit van ganser harte doen, zal dit ons veel voldoening schenken en zullen andere mensen hoop, een doel in het leven en werkelijk geluk ontvangen. Doordat zij de ware religie identificeren en beoefenen, zullen hun rijke zegeningen ten deel vallen.
[Illustraties op blz. 14]
In plaats dat ware christenen verwikkeld raken in oorlog en twist, hebben zij wereldomvattende eenheid gevonden, gebaseerd op hun gemeenschappelijke hoop op Gods koninkrijk