Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w77 15/11 blz. 700-703
  • Een universitair geschoolde verslaggeefster vindt het beste nieuws

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Een universitair geschoolde verslaggeefster vindt het beste nieuws
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1977
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • EEN LETTERKUNDIGE, RELIGIEUZE ACHTERGROND
  • EEN CARRIÈRE
  • EEN VERSLAGGEEFSTER VAN BETER NIEUWS
  • MIJN JOURNALISTIEKE ERVARING HELPT MIJ
  • NIEUWS DAT LEVENS HERVORMT
  • Mijn strijd om de beste te zijn — Was het de moeite waard?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1976
  • Mijn echtscheiding — Een tweede kans in het leven?
    Ontwaakt! 1978
  • Van straatvechter tot christelijke bedienaar
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1977
  • „Ik gaf haar zes weken, zij gaf mij de waarheid”
    Ontwaakt! 1983
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1977
w77 15/11 blz. 700-703

Een universitair geschoolde verslaggeefster vindt het beste nieuws

Zoals verteld door Vora C. Hannan

DANK zij de edelmoedigheid van de weduwe van mijn broer kon ik in 1975 naar het Wellesley College in de Verenigde Staten terugkeren voor de vijftigste reünie van mijn klas. De natuurlijke schoonheid van het schoolterrein bij Boston in Massachusetts was weinig veranderd, maar dit kon niet worden gezegd van de tientallen van ons die vroeger klasgenoten waren — vijftig jaren eisen hun tol.

’Wat heb jij de afgelopen vijftig jaar gedaan? Wat heb jij van je leven gemaakt?’ Wij waren geïnteresseerd in elkaar en het was belangwekkend te horen wat voor soort van leven verscheidenen van ons hadden geleid.

Ik had niet zoals sommigen materiële rijkdommen vergaard. Ook had ik geen invloedrijke positie of wereldse faam uit mijn vijftig jaren overgehouden, maar na anderen te hebben aangehoord, geloof ik dat ik een opwindender en, ja, een gelukkiger, meer voldoening schenkend leven heb gehad dan iemand van hen. En toch kwam dit niet door de jaren die ik als verslaggeefster had gewerkt. Ik zal het u uitleggen.

EEN LETTERKUNDIGE, RELIGIEUZE ACHTERGROND

Mijn dorst naar kennis begon reeds toen ik nog maar acht jaar oud was. Ik stopte geregeld boeken in mijn bed om te kunnen lezen wanneer ik geacht werd te slapen. Op die leeftijd begon ik ook viool te spelen. Mijn ouders moedigden mij hierin aan. Vader schonk mij een boekenplank van twee meter vol met de Harvard-klassieken voor mijn kamertje. Ik verslond ze, evenals talloze boeken uit de openbare bibliotheek.

Mijn ouders waren beiden erg gelovig. Na het bezoeken van de Congregationalistische Kerk op zondagochtend zouden wij nooit auto gaan rijden of de stripverhaaltjes in het zondagsblad lezen. Alle genoegens werden voor de rest van de week bewaard.

Na verloop van tijd raakte moeder teleurgesteld in vaders geloof en keerde tot de kerk van haar meisjestijd, de Episcopale Kerk, terug. Ik ging met haar mee. Ten slotte begon moeder de Schriftstudiën te lezen en raakte ervan overtuigd dat wij in de laatste dagen leefden, die in de bijbelse profetieën werden voorzegd. — Matth. 24; Luk. 21; 2 Tim. 3:1-5.

Deze keer volgde ik mijn moeder niet na. Ofschoon ik alles las wat ik te pakken kon krijgen, kon ik er niet toe komen haar boeken te lezen. Mijn reactie was: „Als de wereld dan straks vergaat, zal ik ervoor zorgen dat ik me amuseer.” Vader stond er echter op dat ik een college zou doorlopen en zo trok ik op zeventienjarige leeftijd naar Wellesley.

Toentertijd moesten alle eerstejaarsstudenten een cursus in bijbelse geschiedenis volgen. Het interesseerde mij te vernemen dat Gods naam in het Hebreeuws Jahweh luidt. Het duurde echter niet lang of ik kwam in botsing met hetgeen er werd onderwezen. Men vertelde ons dat de eerste hoofdstukken van Genesis door drie verschillende mannen waren geschreven en dat deze geschriften niet betrouwbaar waren. Dit was in lijnrechte tegenstelling tot de basis van mijn geloof in de bijbel als Gods Woord en ik klaagde mijn nood aan moeder.

Tijdens mijn eerste vakantie ontmoette ik de Congregationalistische predikant. „Wel Vora”, legde hij mij vriendelijk uit, „je moet de bijbel niet al te ernstig opvatten. Je weet dat hij door veel verschillende mensen is geschreven en een ieder schreef de dingen op zoals hij ze zag.” Deze kijk op Gods Woord was genoeg voor me om me van de georganiseerde religie af te keren. Terug op school werd het vergaren van kennis mijn religie.

EEN CARRIÈRE

Na het behalen van mijn einddiploma wilde ik lerares aan een middelbare school worden. Het eerste jaar was ik echter meer geïnteresseerd in repetities met het schoolorkest dan in het onderwijzen van Latijn, dus verloor ik mijn baan. Thuis ging ik mij toen op de muziek concentreren en oefende vijf tot zes uur per dag op mijn viool.

Wat moeders bijbelse lectuur betrof, was ik koppig. Ik wilde alleen de bijbel lezen. Ik had mij eens in Wellesley de vingers gebrand, en ik wilde niet opnieuw teleurgesteld worden.

In 1930 werd ik alleen, zoals ik dacht, voor de zomermaanden verslaggeefster. Ik vond het werk echter zo boeiend dat ik het bleef doen. Spoedig werkte ik op onafhankelijke basis voor drie kranten en ook voor Associated Press. Het was opwindend werk, het meest opwindende werk ter wereld, zo dacht ik. Ik speelde ook viool en gaf vioolles. Het gevolg was dat ik er, zelfs midden in de crisisjaren, financieel goed voorstond.

Toch begon ik, door mijn verschillende ervaringen tijdens mijn werk voor de kranten, te beseffen dat het in de wereld niet zo goed ging. Alles was onecht. Soms zat ik naast de tijdopnemer bij een worstelwedstrijd en dan vertelde hij mij de afloop van elke wedstrijd nog voordat die begonnen was. Elk nummer waarvoor de toeschouwers op het puntje van hun stoel gingen zitten, was van tevoren vastgesteld.

Dezelfde huichelarij heerste er bij politieke, maatschappelijke en religieuze vergaderingen. Als ik naar schier eindeloze redevoeringen zat te luisteren, probeerde ik altijd een bepaalde onbewuste opmerking, waardoor zwakheden of fouten in het stelsel naar voren kwamen, eruit te lichten. Daarna legde ik in een artikel dan sterk de nadruk op die opmerking. Ik wilde de aandacht op de fouten vestigen, in de hoop dat iemand zou proberen de toestand te verbeteren. Mensen lezen zulke dingen graag, maar ze voelen zich absoluut niet geroepen ze te veranderen. Iedereen houdt van schandaaltjes, naar het schijnt, maar niet van het veranderen ervan.

EEN VERSLAGGEEFSTER VAN BETER NIEUWS

Ik ging ermee voort de bijbel te lezen en na verloop van tijd kwam ik tot de overtuiging dat moeders geloof schriftuurlijk juist was, hoewel ik nog steeds te koppig was om iets anders dan de bijbel te lezen. Op een dag in april 1933 reed ik moeder, om haar een plezier te doen, naar een dooptoespraak in Boston. Terwijl ik op het balkon zat, dacht ik: „Wel, ik heb toch altijd de wil van Jehovah willen doen.” Er was iets wat mij scheen aan te sporen, bijna te dwingen, naar beneden te gaan en mijzelf voor de doop aan te bieden. Moeder was volkomen verrast, maar natuurlijk bijzonder verheugd.

Na een tijdje besefte ik dat de lectuur welke door Jehovah’s Getuigen wordt verschaft, een kortere weg is naar bijbelkennis en vergat ik mijn dwaze vooroordeel. Toen nam mijn leeshonger de overhand en verslond ik alle boeken en tijdschriften die ik maar te pakken kon krijgen.

Het werd moeilijk voor mij om in Newburyport de enige Getuige te zijn en tegelijk als een bekend verslaggeefster mijn werk te doen. Sommige Ierse katholieke politiebeambten weigerden in politiezaken met mij samen te werken. Zij staken zelfs de gek met Jehovah als ik het politiebureau binnenkwam.

Toen kreeg een speciale vertegenwoordiger van Jehovah’s Getuigen, Robert Hannan, de toewijzing om in Haverhill, waar de dichtstbijzijnde gemeente was gevestigd, te gaan prediken. Spoedig daarna trouwden wij en vergezelde ik hem in het predikingswerk. Geleidelijk aan trachtte hij mij ertoe te bewegen de krant vaarwel te zeggen en eveneens een volle-tijdprediker van de bijbelse waarheid te worden. Ik meende echter dat ik moest blijven werken om in ons onderhoud te voorzien.

Het grote nationale congres van Jehovah’s Getuigen te St. Louis, Missouri, gaf uiteindelijk de doorslag. Ik vertelde mijn redakteur dat ik een paar dagen vrij wilde hebben om het congres te bezoeken. Hij antwoordde dat een Getuige en tegelijk een verslaggeefster zijn geen goede combinatie was. Daar was ik het mee eens. Hij dacht dat ik mijn geloof zou opgeven, maar in plaats daarvan gaf ik mijn werk bij de krant op en op 15 september 1941 werd ik pionierster, precies op tijd om geen oorlogscorrespondente te hoeven worden.

Toen de Verenigde Staten zich in de Tweede Wereldoorlog mengden, begonnen mijn man en ik met het speciale pionierswerk te Walpole in Massachusetts. Nu kon ik werkelijk iets doen om het leven van de mensen die ik ontmoette te verbeteren. Niet alleen kon ik de aandacht vestigen op onrechtvaardigheden, zoals ik dat in de krant had gedaan, maar ik kon hun nu het beste nieuws tonen — hoe Jehovah God door middel van zijn rechtvaardige Koninkrijksregering alle moeilijkheden zou gaan oplossen.

In 1943 hoorden wij dat de Gileadschool voor zendelingen was begonnen. Wat wilde ik daar graag naar toe! Wij ontvingen een uitnodiging om aan de vijfde klas, die in februari 1945 zou beginnen, deel te nemen. Onze zendingstoewijzing was Chili, en eind 1946 kwamen wij in Santiago aan. Na een treinreis van een hele dag verder het zuiden in kwamen wij in Concepción aan, de op twee na grootste stad van Chili. Hier waren wij, samen met de vier die ons hadden vergezeld, op onszelf aangewezen.

MIJN JOURNALISTIEKE ERVARING HELPT MIJ

Een tijdlang werd het leven bijna te moeilijk voor mij. In de tweede maand werd ik gebeten door een vlieg die een drager was van miltvuur, waaraan paarden doodgaan en ik moest een maand lang een zwavelbehandeling ondergaan. De maand daarna kreeg ik, in mijn verzwakte toestand, tyfus en bracht de daaropvolgende twee maanden met hoge koorts in het ziekenhuis door. Eerst verloor ik mijn gehoor, daarna mijn haar; ik was zo afgevallen dat ik vel over been was geworden.

Na nog eens twee maanden in bed moest ik gaan overwegen hoe ik weer met het predikingswerk zou kunnen beginnen. Met het verlies van mijn gehoor en doordat ik niet in staat was me in een nieuwe taal uit te drukken, scheen het een hopeloze zaak. Ik herinnerde mij echter hoe ik als verslaggeefster altijd alle moeilijkheden om aan mijn verhaal te komen had overwonnen. Er moest dus ook nu ergens een weg gevonden kunnen worden om deze moeilijkheden te overwinnen.

Ten eerste stuurde moeder mij een pruik om, totdat mijn haar weer was aangegroeid, mijn kaalheid te bedekken. Dat kwam mijn uiterlijke verschijning ten goede, maar hoe moest ik het grootste probleem, mijn hardhorendheid, oplossen?

De meeste Chilenen waren toentertijd in naam katholiek. Ik gebruikte een dun katholiek Nieuw Testament dat netjes in mijn boekentas paste en studeerde enkele toepasselijke teksten in. Een verslaggever stelt vragen. Hij houdt nooit toespraken. Dus besloot ik dezelfde methode te volgen.

Door woorden uit een bijbeltekst te gebruiken, stelde ik toepasselijke vragen samen. Zelfs al verstond ik het antwoord van de huisbewoner niet, toch kon ik altijd iets interessants uit de bijbel laten zien dat met het actuele nieuws in hun krant verband hield. Door de bijbel met nieuwsberichten in verband te brengen, ging de inhoud ervan veel meer voor hen leven. Als ik hun vragen niet goed begreep en dientengevolge een bijbeltekst over een ander onderwerp toonde namen ze mij dit niet kwalijk omdat ik een gringuita, een Amerikaanse, was.

NIEUWS DAT LEVENS HERVORMT

Na verloop van tijd verbeterde mijn gehoor een beetje en was ik in staat veel bijbelstudies te leiden. Een van de eerste was met een man wiens vrouw hem had verlaten om met een ander te trouwen, maar die er geen moeite voor deed om haar eerste huwelijk te laten ontbinden. Aangezien hij zijn vrouw niet aan een aanklacht wegens bigamie wilde blootstellen maar thans wel in een moreel reine positie wilde geraken om Jehovah te kunnen dienen, kreeg deze man zijn vrouw uiteindelijk zover dat zij echtscheiding aanvroeg.

Dit opende voor de man de weg om zowel wettelijk als schriftuurlijk te kunnen trouwen met de vrouw met wie hij samenleefde. Hij, zijn tweede vrouw en hun drie kinderen droegen allen hun leven aan Jehovah op. Uiteindelijk hebben twee van zijn kinderen een tijdlang als speciale pioniers gediend, en de man zelf werd presiderend opziener.

Het hervormen van levens was dus een van de aspecten van het zendingswerk. Ik verwonderde mij over de werking van Jehovah’s geest bij hen die ik onderwees. Tegen 1950 waren er zoveel mensen die Jehovah wilden dienen dat wij een serie doopdiensten moesten houden in het prachtige San Pedro-meer, vanuit Concepción aan de andere kant van de rivier.

Ofschoon mijn man en ik in Concepción woonden, zwierven wij tevens door de hele streek om het goede nieuws van Gods koninkrijk naar verafgelegen gebieden te brengen. Reizend in de derde klas van de trein, tussen manden vis, kreeften en versgebakken brood, bezochten wij mijnstadjes, vissersdorpen en textielnederzettingen. Onze prediking legde de grondslag voor de vele gemeenten die daar later werden opgericht.

Naarmate de jaren verstreken, dienden veel zendelingen een tijdlang in Concepción en vertrokken dan weer, maar mijn man en ik bleven er voorgoed en verhuisden alleen een beetje van de ene kant van het gebied naar de andere. Dit maakte dat wij los padres (de ouders) van alle gemeenten werden genoemd. Onze voortdurende aanwezigheid scheen een bepaald zichtbaar evenwicht te verschaffen.

Met het oprichten van nieuwe gemeenten werd het gebied voor mijzelf en mijn man wat meer beperkt. Nog steeds wonend in Concepción begon ik aan de overkant van de rivier in San Pedro te werken. In de buitenwijken vond ik een vrouw die met haar zes kinderen in een bouwvallige hut woonde. Zij was jaren geleden door haar zwaar drinkende man in de steek gelaten toen die naar Santiago vertrok om met een andere vrouw te gaan leven.

Op zekere dag ontving deze vrouw een brief van haar man. Hij bood haar geld aan voor het onderhoud van de kinderen indien zij naar Santiago wilde komen. De vrouw en haar kinderen gingen ten slotte weer bij de man wonen en hij begon zijn vrouw naar de christelijke vergaderingen te vergezellen. Toen hij, na een lange strijd, uiteindelijk zijn verslaving aan de alcohol wist te overwinnen, had het goede nieuws uit Gods Woord opnieuw een opmerkelijke hervorming teweeggebracht. Een verdeeld, ongelukkig gezin was weer bij elkaar gebracht en gelukkig verenigd in de ware aanbidding.

In staat te zijn nieuws te brengen dat zo’n grote invloed op het leven van mensen uitoefent, heeft mij onnoemelijk veel meer voldoening geschonken dan mijn werk als verslaggeefster.

Met het verstrijken der jaren heb ik veranderingen zien plaatsvinden in het leven van letterlijk honderden mensen die ik persoonlijk heb geholpen het beste nieuws te leren kennen. En wat is dat nieuws? Dat God zich om ons bekommert en dat zijn Koninkrijksregering alle oorzaken voor menselijk lijden spoedig teniet zal doen.

Neen, ik heb uit de meer dan vijftig jaar sedert mijn eindexamen geen geld of aanzien in de wereld overgehouden, zoals een aantal van mijn vroegere klasgenoten op school, maar ik heb iets veel kostbaarders — de voldoening veel mensen geholpen te hebben actieve dienaren van Jehovah God te worden.

[Illustratie van Vora C. Hannan op blz. 700]

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen