De grootse volvoering van Jehovah’s voornemen ten aanzien van de mensheid gedurende 6000 jaar
TOEN Adam Jehovah’s rechtmatige soevereiniteit openlijk verwierp, handelde Jehovah op een barmhartige, liefdevolle wijze ten aanzien van de mensheid. Hij bracht Adam niet onmiddellijk ter dood ten einde helemaal opnieuw te beginnen en Adam hier op aarde door een nieuwe schepping te vervangen. God verkoos veeleer Adam in leven te laten opdat hij ermee kon beginnen het mensengeslacht voort te brengen. Dit uit Adam voortgesproten geslacht werd door God „aan ijdelheid onderworpen” doordat het, door overerving van Adam, onder het doodsoordeel kwam te staan. De mens was er uit zichzelf niet toe in staat zich uit deze ongelukkige toestand te bevrijden. Deze onderwerping aan ijdelheid geschiedde echter „op basis van hoop”, doordat God zich in zijn onvergelijkelijke goedheid voornam voor getrouwen onder Adams nakomelingen in een uitweg te voorzien. Op deze wijze zouden zij „vrijgemaakt [kunnen] worden van de slavernij des verderfs” en bevrijd kunnen worden ten einde zich als herstelde kinderen van God in een „glorierijke vrijheid” te verheugen. Deze grootse hoop werd tot uitdrukking gebracht in een profetie die destijds in Eden door Jehovah zelf werd uitgesproken. Onderzoek nu het verslag, zoals zich dit millennium na millennium aan ons presenteert, om te zien of God van zijn zijde traag is geweest in het ten uitvoer brengen van zijn voornemen de mensheid te bevrijden. — Rom. 8:20, 21; Gen. 3:15; 2 Petr. 3:9.
VAN 4026 TOT 3026 V.G.T.
Gedurende de millennia die aan ’s mensen schepping voorafgingen, had God een diepe liefde en belangstelling voor het mensengeslacht ten toon gespreid door voor de mens een paradijstehuis in gereedheid te brengen. Toen de mens in Eden evenwel in opstand kwam, hield Jehovah, als de Soevereine Regeerder, een terechtzitting; hij veroordeelde Adam en Eva ter dood en verdreef hen uit de hof van geneugte. Jehovah handelde in overeenstemming met zijn eigenschap gerechtigheid. Hij bracht het vonnis echter niet op een dusdanige wijze ten uitvoer dat hij het mensengeslacht verdelgde. Hij stond het eerste mensenpaar toe, hoewel zij nu zondaars waren geworden, kinderen voort te brengen. Toen Jehovah Adam en Eva veroordeelde, verklaarde hij ook dat hij een „zaad” of nakomeling zou verwekken die Satan en zijn volgelingen zou vermorzelen. Hierdoor werd te kennen gegeven dat hij met barmhartigheid jegens Adams nakomelingen zou handelen, zodat zij door bemiddeling van dit beloofde „zaad” de hoop op herstel en leven konden koesteren. — Gen. 3:8-24.
Toen Kaïn zijn broer Abel vermoordde, maakte Jehovah duidelijk dat hij de mensheid ter verantwoording zou roepen wanneer ze bloedschuld op zich zou laden. Deze rechtvaardige God inspireerde Henoch ertoe te profeteren dat Jehovah zou komen „met zijn heilige myriaden . . . om aan allen het oordeel te voltrekken en om alle goddelozen schuldig te verklaren betreffende al hun goddeloze daden”. Jehovah maakte dus duidelijk dat hij altijd volgens recht en gerechtigheid tegen de goddelozen zou optreden, terwijl hij degenen die hem wilden eren, in zijn barmhartigheid een glorierijke hoop voor ogen hield. — Gen. 4:9-11; Jud. 14, 15; Ex. 34:6, 7.
VAN 3026 TOT 2026 V.G.T.
Vroeg in dit millennium werd Noach geboren. Jehovah gebruikte Noach om de bevrijding die Hij de mensheid uiteindelijk zou schenken, profetisch uit te beelden. Op welke wijze? Jehovah bracht de geweldige Vloed teweeg ten einde de goddelozen terecht te stellen. Alleen Noach en zijn gezin bleven in de ark in leven, te zamen met exemplaren van alle diersoorten, terwijl zij te zijner tijd uit de ark te voorschijn kwamen en de gereinigde aarde betraden. Meer dan twee millennia later legde de Messías, Jezus, de profetische betekenis van de Vloed uit. Hij zei: „Want net zoals de dagen van Noach waren, zo zal de tegenwoordigheid van de Zoon des mensen zijn. Want zoals zij in die dagen vóór de vloed waren, zij aten en zij dronken, mannen huwden en vrouwen werden ten huwelijk gegeven, tot op de dag waarop Noach de ark binnenging, en zij sloegen er geen acht op totdat de vloed kwam en hen allen wegvaagde, zo zal de tegenwoordigheid van de Zoon des mensen zijn.” Op deze wijze wees de „Zoon des mensen”, Jezus zelf, vooruit naar de ’dag en het uur’ die door Jehovah God waren bepaald om de „grote verdrukking” over de aarde te brengen en deze van goddeloze mensen te reinigen. — Gen. 6:13-22; Matth. 24:36-39.
Toen Jehovah de mens na de Vloed toestemming gaf dierlijk vlees te eten, verklaarde Hij het leven heilig en verbood Hij het eten van bloed. Maar zelfs toen Noach nog leefde, werd de gereinigde mensenmaatschappij corrupt en gaf ze blijk van minachting voor Gods wet, zoals wel blijkt uit het feit dat Nimrod, een bloeddorstig jager, zich als de eerste aardse koning opwierp. Jehovah had zich voorgenomen dat de mensenmaatschappij zich over de gehele aarde zou verspreiden. Toen Nimrod dit voornemen uitdagend tegenstond door te trachten de mensenwereld onder zichzelf als dictator en „god” te centraliseren, trad Jehovah handelend op! Door de taal van de mensheid te verwarren, dwong Jehovah de mensheid ertoe zich „over de gehele oppervlakte der aarde” te verspreiden. Aldus toonde hij dat niemand die tracht zijn bekendgemaakte voornemen te dwarsbomen, hierin zal slagen. — Gen. 9:1-7; 10:9, 10; 11:1-9; Jes. 55:11.
VAN 2026 TOT 1026 V.G.T.
Jehovah had bekendgemaakt dat het beloofde „zaad” en de Bevrijder voor de mensheid via de geslachtslijn van Noachs zoon Sem zou komen. In deze geslachtslijn verscheen Abraham, een man die rechtvaardig werd verklaard wegens zijn krachtige geloof. God sloot een verbond met Abraham waarin hij verklaarde dat door bemiddeling van Abrahams zaad alle natiën der aarde „zich stellig [zullen] zegenen”. Door Abraham zo ver te laten gaan dat hij zijn zoon Isaäk poogde te offeren, beeldde God niet alleen het toekomstige slachtoffer van zijn eigen Zoon als losprijs voor de mensheid af, maar ook de glorierijke opstandingshoop. God gebruikte ook Abrahams achterkleinzoon Jozef in Egypte om af te beelden hoe de Messías als redder voor de mensheid verwekt zou worden. In het nabijgelegen land Uz beeldde Job, door ’vast te houden aan zijn rechtschapenheid’ ten einde te bewijzen dat Satan een leugenaar was, af hoe de Messías, alsook andere getrouwe dienstknechten van God, ter rechtvaardiging van Jehovah’s voornemen veel vervolging zouden verduren. — Gen. 22:3-18; Hebr. 11:17-19; Gen. 47:21-27; Job 2:3.
Omstreeks het midden van dit millennium leidde Jehovah Israël, onder Mozes, uit Egypte en vertelde hij hun: „Gij zult mij een koninkrijk van priesters en een heilige natie worden.” God gaf een gedetailleerde wet aan Mozes, te zamen met instructies voor de tabernakel, de dienst ervan en de priesterschap. Dit alles verschafte de mens een voorproefje van de wijze waarop Jehovah in de toekomst de aangelegenheden zou besturen om alle dingen onder de Messías te verenigen. Toen dit millennium ten einde liep, sloot God een verbond met de getrouwe koning David, waarin werd beloofd dat de Messías, als het ’zaad van David’, voor eeuwig op de troon van Gods koninkrijk zou zitten. Toen dit millennium ten einde liep, voltooide Davids zoon Salomo de bouw van Jehovah’s grootse tempel in Jeruzalem. De volvoering van Gods voornemen bewoog zich waarlijk op grootse wijze voorwaarts! — Ex. 19:5, 6; Ef. 1:9, 10; 1 Kron. 17:11-14; 2 Kron. 5:1.
VAN 1026 TOT 26 V.G.T.
In het eerste jaar van het vierde millennium werd de glorierijke tempel die door Salomo was gebouwd, ingewijd. Dit geschiedde halverwege de periode tussen Adams schepping en onze tegenwoordige tijd. Salomo bad zeer terecht of de tempel te Jeruzalem een bedehuis voor alle natiën mocht worden. Jehovah had Israël echter speciaal uitgekozen als het werktuig door middel waarvan Hij Zijn goddelijke voornemen zou openbaren om de mensheid te herstellen, en via hen bleef Hij profetische beelden van toekomstige gebeurtenissen maken. — 1 Kon. 8:1-66; Mark. 11:17.
Israël verviel echter tot afval. In 740 v.G.T. gebruikte Jehovah Assyrië als ’de roede van zijn toorn’ om het noordelijke koninkrijk Israël te straffen en in ballingschap weg te voeren. In 607 v.G.T. gebruikte hij op overeenkomstige wijze Babylon om Juda en Jeruzalem te verwoesten. Na zeventig jaar keerde een getrouw overblijfsel van joden uit de ballingschap in Babylon terug ten einde de tempel te herbouwen en de ware aanbidding in Jeruzalem te herstellen. — Jes. 10:5-11; Jer. 25:8-14.
God gebruikte de profeet Daniël om te profeteren dat „Messías de Leider” negenenzestig jaarweken na het uitgaan van het gebod om Jeruzalem zelf te herbouwen, welk gebod in 455 v.G.T. werd uitgevaardigd, zou verschijnen. De Messías, Gods Gezalfde, zou derhalve in 29 G.T. komen. God gaf ook te kennen dat de door Hem toegestane heidense overheersing van de aarde, welke in 607 v.G.T. begon, 2520 jaar zou duren en derhalve in 1914 G.T. zou eindigen. — Dan. 9:24-27; 4:16, 23, 25, 32.
De geschreven canon van de Hebreeuwse Geschriften werd in dit millennium, tegen het einde van de vijfde eeuw v.G.T., voltooid. Taalbarrières zouden de verspreiding van de uiterst belangrijke inlichtingen welke in die heilige rollen waren vervat, echter niet belemmeren. Gedurende de derde eeuw v.G.T. werd er in Egypte een begin gemaakt met de vervaardiging van de Griekse Septuagintavertaling van de Hebreeuwse Geschriften; deze werd ten behoeve van de Grieks-sprekende joden die in andere landen verspreid woonden, in gereedheid gebracht. — Rom. 3:1, 2; 15:4.
VAN 26 V.G.T. TOT 975 G.T.
De gebeurtenissen in de eerste eeuw G.T. zijn van het allergrootste belang voor de mensheid. Vanaf het voorjaar van 29 G.T. werd Johannes de Doper gebruikt om voor de Messías ’de weg te bereiden’. In het najaar van dit jaar doopte Johannes Jezus, bij welke gelegenheid Jehovah Jezus „met heilige geest en kracht” zalfde. Jezus werd aldus de Messías, Jehovah’s Hogepriester en aangestelde maar nog niet regerende Koning, die de mensheid eeuwige redding zou schenken. Door gedurende een speciale drie en een half jaar durende bediening te prediken en wonderen te verrichten, toonde Jezus hoe hij Jehovah’s voornemen ten uitvoer zou brengen wanneer hij de beloofde Koninkrijksheerschappij zou hebben ontvangen. Hij zou onder andere ook de doden opwekken en een gezondmakingswerk verrichten en zou de mensheid in een aards paradijs tot de volmaaktheid herstellen. Jezus werd door de joodse priesters en Romeinse autoriteiten veroordeeld en aan een martelpaal genageld. Na zijn dood en begrafenis verklaarde Jehovah hem geheel en al rechtvaardig door hem uit de doden tot hemels leven op te wekken. Vervolgens bood Jezus als Hogepriester de waarde van dat volmaakte menselijke slachtoffer in de hemel aan God aan, opdat de voordelen ervan ten behoeve van de mensheid aangewend zouden kunnen worden. — Matth. 3:3, 13-17; Hand. 10:37-43; 1 Tim. 3:16; Hebr. 9:24-28.
Op de dag van het pinksterfeest in 33 G.T. stortte Jehovah zijn geest op Jezus’ bijeengekomen discipelen uit en bracht hij hen als een geestelijk Israël in een nieuw verbond, waarvan Christus de middelaar was. Te beginnen met de bekering van Cornelius en zijn huisgezin in 36 G.T. werden ook tot het christendom bekeerde heidenen in dit „Israël Gods” opgenomen. Deze „kleine kudde” gezalfde christenen had het grootse vooruitzicht te zamen met Christus in zijn hemelse koninkrijk te delen! — Hand. 2:1-4; 10:24, 44-48; Hebr. 9:15; Gal. 6:15, 16.
Gedurende de eerste eeuw G.T. werd de christelijke gemeente stevig bevestigd. Verscheidene apostelen en andere discipelen van Jezus schreven de christelijke Griekse Geschriften. Tegen het einde van die eeuw was de bijbelse canon voltooid. Het grootse voornemen van Jehovah God was nu geheel op schrift gesteld. De geïnspireerde Schrift toonde aan hoeveel profetieën van God in vervulling waren gegaan of in vervulling gingen. Ze schonken de zekere hoop dat al Jehovah’s beloften door middel van het koninkrijk van zijn Zoon in vervulling zouden gaan. — Hand. 9:31; 2 Tim. 3:16, 17; 2 Petr. 1:19-21.
Het zuivere goede nieuws werd door gezalfde christenen in „heel de schepping die onder de hemel is” gepredikt. Na de dood van de apostelen begon echter de voorzegde grote afval, en de christelijke gemeente werd door het binnendringen van „wolven” — „goddeloze mensen”, die de onverdiende goedheid van God verachtten — besmet. In 325 G.T. stichtten afvalligen, onder de begunstiging van het heidense Rome, de huichelachtige christenheid, hetgeen een diepe geestelijke duisternis tot gevolg had. Toen het vijfde millennium eindigde, was er slechts heel weinig inzicht in en waardering voor Jehovah’s glorierijke Koninkrijksvoornemen. Gods voornemen stond echter vast! Hij liegt niet. — Kol. 1:13, 23; Hand. 20:29, 30; Jud. 4; Tit. 1:2.
VAN 975 G.T. TOT 1975 G.T.
Gedurende het zesde millennium bleef Jehovah zijn ware gezalfden beproeven door hen vervolging te laten verduren. Toen de bijbel ten slotte in de gewone omgangstaal van het volk vertaald begon te worden en, vooral sinds de zestiende eeuw, in de gehele christenheid begon te circuleren, werd de sluier van duisternis enigszins opgelicht. In de jaren 1870 kwam er een opwindend herstel in de waardering voor fundamentele bijbelse waarheden. Jehovah begon zijn gezalfden bijeen te brengen. Als een „getrouwe en beleidvolle slaaf”-klasse begonnen dezen weer op de voorgrond te treden ten einde een groot geestelijk voedingsprogramma ten uitvoer te brengen. Godvruchtige christenen begonnen vol verwachting naar het jaar 1914 uit te zien, aangezien dit het einde van de tijden der heidenen zou kenmerken. En Jehovah heeft Christus Jezus inderdaad in 1914 in het hemelse koninkrijk op de hemelse berg Sion op de troon geplaatst en hem „het koninkrijk der wereld” in bezit gegeven. Alle kenmerken van Jezus’ geprofeteerde „teken” welke op zijn tegenwoordigheid in hemelse heerlijkheid en het „besluit van het samenstel van dingen” duidden, traden duidelijk aan het licht toen deze kenmerken in vervulling begonnen te gaan. Dit heeft ware christenen veel reden tot vreugde gegeven en heeft ertoe geleid dat zij Gods opgerichte koninkrijk krachtig begonnen bekend te maken. — Openb. 20:4; Matth. 24:3-14, 32-34, 45-47; 25:31-33.
Vanaf 1919 werd er voor Gods gezalfde overblijfsel op aarde een geestelijk paradijs hersteld. En in 1935 begon er een „grote schare” andere nederige aanbidders te verschijnen, die zich bij het gezalfde overblijfsel van Jehovah’s Koninkrijksklasse aansloot om Jehovah’s lof over de gehele aarde te bezingen. De bijeenvergadering van deze „grote schare” vindt nu al ruim veertig jaar voortgang. Meer dan twee miljoen van deze dienstknechten van God zien er thans naar uit de snel naderende „grote verdrukking” te overleven en een gereinigde aarde te betreden, welke alom in een letterlijk paradijs veranderd zal worden, en dat tot in alle eeuwigheid! In ongeveer 35.000 christelijke gemeenten in 207 landen der aarde worden Gods ijverige dienstknechten in gereedheid gebracht om Armageddon te overleven en het verenigde werk ter hand te nemen dat verricht moet worden om het letterlijke paradijs op aarde te herstellen. — Joh. 10:16; Openb. 7:9, 10, 14, 15; vergelijk Jesaja 35:1-10; 65:17-23.
JEHOVAH HANDELT PROGRESSIEF TEN BEHOEVE VAN DE MENSHEID
Jehovah is waarlijk een progressieve God. Hij is niet traag in het ten uitvoer brengen van alle aspecten van zijn majestueuze voornemen tot zegen en voor het welzijn van zijn schepselen. Goddeloze mensen zullen misschien spotten met het goede nieuws dat de beloofde „tegenwoordigheid” van de Messías als regerende Koning in onze tijd heeft plaatsgevonden. Hun spot zal echter als een boemerang op hun eigen hoofd terugkomen wanneer de ’dag en het uur’ zijn aangebroken waarop, zoals Jehovah bepaald heeft, „de Heer Jezus [zich] vanuit de hemel met zijn krachtige engelen” zal openbaren. Dat zal een vurige vernietiging betekenen en „wraak . . . over hen die God niet kennen en over hen die het goede nieuws omtrent onze Heer Jezus niet gehoorzamen”. Hier kunnen wij zeker van zijn: „Jehovah is niet traag ten aanzien van zijn belofte.” Terwijl wij geduldig wachten totdat „Jehovah’s dag” is aangebroken waarop hij handelend zal optreden, kunnen wij gelukkig zijn dat de „grote schare” die de „grote verdrukking” zal overleven, snel blijft groeien. Wij kunnen onszelf beslist krachtig ten behoeve van hen inspannen. — 2 Thess. 1:7-10; 2 Petr. 3:3, 4, 9; 1 Tim. 4:10.
De goddelijke daden die zo juist zijn opgesomd en die tot ’s mensen herstel leiden, doen ons hart sneller kloppen. Met het volste vertrouwen dat Jehovah’s gehele grootse voornemen ten aanzien van degenen die hem liefhebben, in vervulling zal gaan, zullen wij zijn leiding en die van zijn Koning, Jezus Christus, volgen, helemaal door de „grote verdrukking” heen tot in de nog toekomstige duizendjarige Koninkrijksregering. Ja, wat Jehovah God voor de mensheid heeft gedaan en nog doet, kan beslist „alles overtreffend” genoemd worden! — Jes. 12:2-5.