Vastbesloten Gods waarheid te prediken
Zoals verteld door Beulah Prior
IN 1919, kort na mijn doop, kreeg ik de Spaanse griep. De griep ging met longontsteking gepaard. Ik ging er bijna onderdoor, maar door Jehovah’s onverdiende goedheid kwam ik er weer bovenop. Ik vond het geen tijd om te sterven, omdat er nog veel te veel werk gedaan moest worden. Het was zo’n voorrecht mensen over de waarheid van Gods Woord te vertellen — zo weinigen waren ervan op de hoogte! Mijn verlangen en vastberadenheid om te leven en over Jehovah en zijn koninkrijk te prediken, waren zo krachtig dat dit mij geholpen moet hebben van zulk een ernstige ziekte te genezen.
Vanaf mijn kinderjaren had ik al belangstelling voor de bijbel. Ik werd in 1888 in Lowndes County, in de Amerikaanse staat Alabama, geboren. Mijn vader komt de eer toe ervoor gezorgd te hebben dat wij thuis dagelijks de bijbel lazen. Toen ik negen jaar oud was en in de stad Montgomery woonde, begon mijn vader in de Methodistische Kerk te prediken. Ik sloot mij op die jeugdige leeftijd bij de kerk aan. Toen ik zestien jaar oud was, werd ik zondagsschoolonderwijzeres; twee jaar later werd ik hoofd van de zondagsschool.
Toen ik alles over de leerstellingen van de Methodistische Kerk leerde, begon ik vele dingen die de kerk leerde en beoefende in twijfel te trekken. Ik vond het erg belangrijk om datgene wat ik ondersteunde, aan de hand van de bijbel te kunnen bewijzen. Daarom besteedde ik veel tijd aan het onderzoeken van de Schrift. Het resultaat? Ik kon in de bijbel geen enkel bewijs vinden voor heel veel dingen die in onze kerk werden geleerd.
IK LEER GODS WAARHEID KENNEN
Toen ik op zekere dag van huis weg was om op een methodistische middelbare school onderwijs te geven, bezocht een reizende bedienaar van de Internationale Bijbelonderzoekers, zoals Jehovah’s getuigen toen werden genoemd, mijn ouders. Mijn moeder nam onmiddellijk lectuur voor mij. De moeder van mijn verloofde, die een paar blokken verder woonde, nam ook een serie boeken, de eerste drie delen van de Schriftstudiën. Mijn verloofde, die aan een college studeerde maar die zomer met vakantie thuis was, las enkele van de boeken. Wij konden niet vermoeden welk een enorme uitwerking die publikaties op ons leven zouden hebben!
In de zomer van 1911 kwam mijn verloofde geregeld bij ons op bezoek. Wij spraken vaak over de dingen die hij in de boeken las. Dit had tot gevolg dat ik mijn eigen exemplaren vol verwachting begon te lezen. Wij ontdekten al snel dat wij wel een ijver voor God hadden, maar niet veel nauwkeurige kennis bezaten. — Rom. 10:2, 3.
Nadat wij Gods voornemen hadden leren kennen om de aarde in een paradijs te veranderen, konden wij het goede nieuws niet voor onszelf houden. Wij begonnen er beiden met anderen over te praten. Toen de president van het Wachttorengenootschap, C. T. Russell, in 1914 Montgomery bezocht om het Photo-Drama der Schepping — het verhaal van de bijbel toegelicht met lantaarnplaatjes en films — te vertonen, waren wij er meer dan ooit van overtuigd dat dit werkelijk de waarheid was!
Daarna begon ik de publikaties van het Wachttorengenootschap met meer belangstelling dan voordien te lezen, terwijl ik er met steeds meer anderen over begon te praten. Tegen juni 1915 waren wij getrouwd en hadden wij de Methodistische Kerk verlaten.
Het volgende jaar verhuisden wij naar Fort Wayne, in de staat Indiana. Door middel van een aankondiging van de Bijbelonderzoekers, die wij in ons portaal vonden, kwamen wij hun vergaderplaats te weten en begonnen wij met hen om te gaan. Dit was voor ons de eerste keer dat wij met een groep van Jehovah’s volk studeerden. Wij wisten helemaal niet dat een dergelijke regeling in de gehele wereld bestond. Wat waren wij blij met anderen van hetzelfde kostbare geloof om te gaan! De bijbelonderzoekers in Fort Wayne waren in het begin wat verbaasd ons te zien, omdat er in dat gebied geen kleurlingen waren die belangstelling voor Gods waarheid aan de dag hadden gelegd. Wij werden gedurende ons verblijf daar in Fort Wayne erg vriendelijk behandeld.
Toen de economische situatie in het Zuiden verbeterde, gingen wij terug naar Montgomery. De mensen in onze omgeving noemden mijn man en mij „ontwikkelde dwazen”, omdat wij beiden van een college waren afgestudeerd (mijn man als veearts en ik als onderwijzeres) en toch deze „nieuwe religie”, zoals ze door sommigen werd genoemd, volgden. Maar een dergelijke spot weerhield ons er niet van aan Gods waarheid vast te houden.
ALS ONDERWIJZERES DE BIJBEL HOOG HOUDEN
In 1918 was het een moeilijke tijd. Om in het onderhoud van ons gezin (wij hadden nu twee kinderen) te helpen voorzien, kreeg ik een betrekking als onderwijzeres aan een lutherse school die onderwijzend personeel van elke religie aanwierf. Velen van de leerkrachten beloofden echter uiteindelijk lutheranen te worden, om maar aangenomen te worden. Maar ik zette mijn standpunt vanaf het begin duidelijk uiteen. Ik zei: „Ik wil mij niet bij uw kerk aansluiten.”
In het begin gaf ik les in de eerste klas, hetgeen ook de dagelijkse routine omvatte om de kinderen in de lutherse catechismus te onderwijzen. Als ik deze behandelde, liet ik hen weten dat ik dit niet geloofde en dat het ook niet in de bijbel werd onderwezen. Sommigen van de kinderen wilden vragen stellen, en ik moedigde hen aan in de pauze of na schooltijd bij mij te komen, zodat ik hun vragen kon beantwoorden. Ik heb op deze wijze vele prettige lunchuurtjes doorgebracht.
In datzelfde jaar bracht een reizende vertegenwoordiger van het Wachttorengenootschap, W. E. Walton, een bezoek aan onze groep. Hij hield een lezing over „Wijding”, of opdracht, zoals dit nu wordt genoemd. Die zondag kwamen er veel mensen om naar zijn prachtige lezing te luisteren. De volgende maandag werd ik gedoopt, aangezien ik mij er reeds van bewust was dat ik mijn leven aan Jehovah God had opgedragen. Ik wist dat ik de Allerhoogste God aanbad, en toen ik leerde dat de doop de volgende stap was die gedaan moest worden, aarzelde ik niet deze te doen. — Matth. 28:19, 20.
Het duurde niet lang of mijn belangstelling voor de bijbel kwam het hoofd van de school waar ik werkte, ter ore. Anderen van het onderwijzende personeel waren bang dat ik promotie zou maken, en daarom stelden zij hem ervan in kennis dat ik als een van de Internationale Bijbelonderzoekers was gedoopt. Niet lang daarna sprak het hoofd mij aan en bracht het onderwerp ter sprake. Ik legde uit dat ik mij niet bij zijn kerk zou aansluiten en dat ik mij aan Jehovah God had opgedragen. „Hoe dan ook”, zo zei hij, „u verricht goed werk en uw vrijmoedigheid staat mij aan.” Hij vroeg mij in de achtste klas te onderwijzen en ik werd gepromoveerd.
De oudere leerlingen hadden ook veel vragen over mijn geloof, en gedurende de gesprekken in de pauze en na schooltijd beantwoordde ik hun vragen en hielp hen iets over de bijbel te leren. Door deze besprekingen raakten sommigen van de ouders geïnteresseerd, en ik heb veel bezoeken bij de kinderen thuis gebracht om een verder getuigenis over de bijbelse waarheid te geven.
Het was gedurende deze periode dat ik een maand op bed kwam te liggen met de Spaanse griep. Terwijl ik herstellende was, bracht de lutherse zendingspredikant ons een bezoek en zei mij dat als ik ermee zou ophouden „over de bijbel te spreken”, het mij in zijn organisatie in alles naar de zin zou worden gemaakt. Ik zei hem: „Zolang ik adem heb, zal ik er niet mee ophouden over de waarheid in Gods Woord de bijbel te spreken.”
Uit dat gesprek begreep ik dat ik beter naar een andere betrekking kon uitzien. Het duurde niet lang of ik hoorde dat er in Opelika, in de staat Alabama, plaats was voor een onderwijzeres. Ik solliciteerde en kreeg de betrekking.
DIENST VERRICHTEN IN YPSILANTI, MICHIGAN
In 1924 verhuisden wij naar Ypsilanti, in de staat Michigan, waar de ouders van mijn man woonden. Terwijl mijn man naar Ypsilanti ging, om alles voor ons te regelen, was ik bij mijn ouders in Youngstown, in de staat Ohio. Mijn vader had in de loop der jaren Gods waarheid altijd bitter tegengestaan. Na twintig jaren van tegenstand begon hij eindelijk het licht van de bijbelse waarheid te zien. Het door het Wachttorengenootschap uitgegeven boek Vijanden scheen zijn ogen te openen voor de grote strijdvraag waar de gehele mensheid tegenover staat. Mijn vader in de waarheid te zien komen, was een van de opwindendste ervaringen die ik meemaakte. Mijn moeder, die niet kon lezen, heeft zich nooit aan Jehovah opgedragen, maar zij vond het altijd heerlijk om over de waarheid te horen. In 1948 stierf mijn vader, getrouw aan Jehovah.
Ten slotte was alles in Ypsilanti geregeld en gingen wij erheen om ons bij mijn man daar aan te sluiten. Er was in dit universiteitsstadje beslist behoefte aan bekendmakers van de bijbelse waarheid. Vanaf 1924 tot nu toe heeft Jehovah mij goedgunstig toegestaan in dit gebied in zijn dienst gebruikt te worden. Broeder Pettibone leidde hier de vergaderingen en was een pilaar van geestelijke kracht. Met zijn dood greep de afval om zich heen. Een tijd lang waren wij in staat met enkele anderen in ons huis bijeen te komen en het flikkerende waarheidsvlammetje in deze omgeving brandende te houden.
De meesten van degenen die de vergaderingen bezochten, werden door de afval meegetrokken. Ook mijn man behoorde tot hen, en hij liet mij en de vier meisjes in de steek. Omstreeks 1932 scheen de belangstelling voor de vergaderingen in Ypsilanti, zelfs voor de vergadering die in ons huis werd gehouden, af te koelen. Het scheen met de activiteit gedaan te zijn.
Omstreeks die tijd werd ik door een ernstige zenuwaandoening getroffen. Ondanks dit nam ik mij voor getuigenis te blijven geven, zelfs vanuit mijn ziekenhuisbed! De resultaten? Ik verheugde mij in veel wonderbaarlijke ervaringen aan mijn ziekbed, als ik mensen over Jehovah en zijn koninkrijk onderwees.
Vier maanden later werd ik naar het huis van mijn ouders in Youngstown gezonden om te herstellen. Na een kort verblijf bij mijn ouders ging ik naar familieleden die Getuigen waren in Homestead, in de staat Pennsylvania. Ik begon mij al gauw zowel fysiek als geestelijk sterk te voelen toen ik de vergaderingen in Pittsburgh bezocht. Wij gingen naar Aliquippa, in de staat Pennsylvania, waar het vreugdevolle inzamelingswerk in volle gang was. Overal om ons heen was er toename in het aantal lofprijzers van Jehovah.
Toen mijn fysieke en geestelijke kracht ten slotte was hernieuwd, was ik gereed om naar Ypsilanti terug te keren. Wat een teleurstelling! Er was niets veranderd! Het Koninkrijkswerk lag stil. Ik schreef naar het Wachttorengenootschap over de stand van zaken in Ypsilanti. Het antwoord kwam in de vorm van een speciale vertegenwoordiger, zonedienaar Clayton Ball. Hij had de geluidswagen, grammofoons en lectuur bij zich waar ik om had gevraagd. Vanaf die tijd heeft Jehovah voortdurend geestelijke hulp verschaft waardoor de Koninkrijksprediking in deze stad voortgang kon blijven vinden.
Na verloop van tijd kon ik er regelingen voor treffen dat een groep ’neger’-Getuigen ons bij de prediking in dit gebied hielp. Er werd een school gehuurd en de openbare lezing werd goed aangekondigd en bezocht. Nadat de ’neger’-Getuige de lezing had uitgesproken, was het algemeen bekend geworden dat alle rassen zijn vertegenwoordigd en worden verwelkomd om Jehovah’s ware aanbidding te beoefenen. De lezing had tot gevolg dat er veel belangstelling was onder de kleurlingen in dit gebied. Kort daarna werden er veel bijbelstudies opgericht met vroegere tegenstanders van de waarheid.
VASTBESLOTEN OM DE VOLLE-TIJDPREDIKING OP MIJ TE NEMEN
Ik wilde dolgraag met de volle-tijdprediking beginnen. Maar ik had nog steeds één schoolgaande dochter en wist niet hoe ik dit klaar moest spelen. Ik legde het probleem in gebed aan Jehovah voor. Al gauw kwam het idee bij mij op kamers te gaan verhuren, maar er waren in ons huis te weinig kamers te verhuren dat mijn dochter en ik hiervan konden leven. Toen kwam er een ander idee bij mij op: het huis te vergroten! Maar hoe? Ik had geen geld, maar ik ging naar een plaatselijke timmerman en legde mijn plannen aan hem voor. Hij was onmiddellijk voor het idee te vinden en beloofde mij te zullen helpen. Hij gaf mij krediet voor de prijs van het timmerhout. Ik vergrootte het huis, en in 1944 ging ik in de volle-tijddienst. Het huis is in meer opzichten een zegen geweest dan alleen maar als een middel van bestaan. In de loop der jaren heeft Jehovah toegelaten dat vele mensen die in dat huis een kamer huurden, tot een kennis van de waarheid kwamen. Ik ben ervan overtuigd dat dit een van de schitterende voorbeelden is waaruit blijkt dat Jehovah zijn volk door zijn heilige geest leidt.
Gedurende al die jaren hebben mijn christelijke broeders en zusters, met het oog op onze bescheiden middelen, op liefdevolle wijze hulp verschaft opdat wij de congressen konden bezoeken. Geleidelijk aan leverde het verhuren van kamers voldoende geld op dat mijn dochter en ik naar alle congressen konden gaan. Wij hebben er nadien geen een meer gemist! De laatste tijd is het echter wel eens voorgekomen dat ik toestemming nodig had om het ziekenhuis te verlaten ten einde een congres in een rolstoel bij te wonen, maar ik was vastbesloten daar te zijn en ik was er ook!
Toen ik in 1944 met de volle-tijdprediking begon, was ik erg blij met mijn eerste auto, een Dodge van 1934. Een oude boer was er de eigenaar van geweest en twee Getuigen hadden hem voor mij opgeknapt. Om de auto te kunnen betalen en steeds benzine te kunnen kopen, verkocht ik oud roest en papier aan de plaatselijke opkoper. Jehovah heeft mij in zijn goedheid gelegenheden geschonken zijn grote Naam nog meer te loven! — Ps. 96:1-3.
Door Jehovah’s goedheid was ik niet alleen in staat de congressen in de Verenigde Staten te bezoeken, maar in 1951 ontving ik ook de zegen een reis naar Europa te maken en de congressen in Londen en Parijs bij te wonen. In 1955 kon ik naar Europa terugkeren om alle steden te bezoeken waar congressen werden gehouden. Ze vormden een heel bijzondere zegen.
Het is werkelijk een voorrecht voor mij geweest om in al deze jaren aan het volle-tijdpredikingswerk deel te nemen. In deze stad, waar heel wat mensen komen en gaan, heeft Jehovah mij veel mensen laten helpen een kennis van Gods waarheid te verkrijgen voordat zij verder trokken. Op het ogenblik bevinden deze christelijke broeders en zusters zich overal in het land, van kust tot kust. Ik heb in de loop der jaren zoveel wonderbaarlijke ervaringen meegemaakt, dat ik ze onmogelijk allemaal zou kunnen vertellen. Ondanks de pijn van artritis kan ik in het volle-tijdpredikingswerk volharden. Met een kruk en een stok heb ik het voorrecht gehad eraan mee te helpen deze schitterende waarheden aan anderen door te geven.
Toen ik in 1965 met het predikingswerk bezig was, brandde mijn huis af. Zelfs dat heeft mij er niet van weerhouden in de volle-tijdpredikingsdienst te blijven. Alles wat ik ooit heb verlangd, was een plaats waar ik ’s nachts kon slapen, voldoende voedsel om in leven te blijven ten einde Jehovah te dienen, en de mogelijkheid naar de mensen toe te gaan om hun Gods waarheidsboodschap te vertellen. — Matth. 4:4.
Kort geleden was ik wegens een ongeluk weer aan bed gekluisterd. Maar ik kon door middel van de telefoon verscheidene bijbelstudies leiden. Wat was er gebeurd? De auto was op de een of andere manier uit de versnelling geraakt en was achteruit over mijn benen gereden. Ondanks dit ongeluk hield ik eerst mijn studie, en pas daarna ging ik naar het ziekenhuis voor onderzoek. Er was geen been gebroken! Maar ik moest zes weken in het ziekenhuis blijven. De dokter die mij behandelde, was verbaasd en noemde het een „wonder”.
Nu ik op leeftijd ben geraakt en mijn krachten afnemen, blijf ik prediken en de grote naam van Jehovah verhogen! Op vierentachtigjarige leeftijd ben ik nog altijd vastbesloten trouw te blijven aan de meest wonderbaarlijke en liefdevolle Werkgever in het universum, Jehovah. Ja, de volle-tijdprediking is werkelijk een schitterende en bijzonder lonende carrière. Ik smeek Jehovah of ik tot het einde toe getrouw mag blijven.