Vragen van lezers
● Wat is „het bad dat ons tot leven bracht”, waarover in Titus 3:5 wordt gesproken? — V.S.
De apostel Paulus doelde op degenen die door de geest verwekte christenen werden toen hij schreef: „Toen . . . de goedheid en de liefde jegens de mens van de zijde van onze Redder, God, openbaar werd gemaakt, heeft hij ons gered, niet ten gevolge van werken in rechtvaardigheid die wij hadden verricht, maar overeenkomstig zijn barmhartigheid, door middel van het bad dat ons tot leven bracht en doordat wij nieuw werden gemaakt door heilige geest.” — Tit. 3:4, 5.
De uitdrukking „het bad dat ons tot leven bracht” kan ook worden weergegeven als „het bad van een wedergeboorte” of „het bad van regeneratie”. Dienovereenkomstig moet dit bad een reiniging vormen die tot een wedergeboorte of regeneratie leidt. Het middel waardoor deze reiniging tot stand komt, wordt in 1 Johannes 1:7 geïdentificeerd: „Het bloed van Jezus, zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.” En met betrekking tot Jezus Christus wordt in Openbaring 1:5 gezegd dat hij „ons liefheeft en . . . ons door middel van zijn eigen bloed van onze zonden verlost heeft”. Dat deze reiniging van zonde een nieuw leven tot gevolg heeft, wordt bevestigd door de woorden in Efeziërs 2:1: „God [heeft] u levend gemaakt, ofschoon gij dood waart in uw overtredingen en zonden.” — Zie ook Efeziërs 2:4, 5 en Kolossenzen 2:13, 14.
De reiniging die door het bloed van Jezus tot stand gebracht wordt, is natuurlijk niet tot de door de geest gezalfde christenen beperkt. Zij zijn niet de enigen die voordeel trekken van Gods goedheid en liefde jegens de mens die tot uitdrukking wordt gebracht in het schenken van zijn Zoon. De gezalfde apostel Johannes schreef over Jezus Christus: „Hij is een zoenoffer voor onze zonden, echter niet alleen voor de onze, maar ook voor die van de gehele wereld” (1 Joh. 2:1, 2). In overeenstemming hiermee zien wij in Openbaring 7:9, 14 een „grote schare” afgebeeld die ’hun lange gewaden hebben gewassen en ze wit hebben gemaakt in het bloed van het Lam’. Op grond van Jezus’ bloed komt deze „grote schare” aldus in een reine positie voor het aangezicht van Jehovah God. Maar zoals duidelijk uit het verband van Titus hoofdstuk 3 blijkt, zijn zij niet degenen over wie daar wordt gezegd dat zij ’het bad dat tot leven brengt’ ontvangen.
Dat ’het bad dat tot leven brengt’ wordt genoemd voordat er wordt gesproken over ’nieuw worden gemaakt door heilige geest’, geeft te kennen dat dit bad voorafgaat aan de verwekking door heilige geest. Wil iemand als een geestelijke zoon van God aanvaard worden, dan moet hij eerst gerechtvaardigd of rechtvaardig verklaard worden, dat wil zeggen, hem moet een volmaakt menselijk zoonschap worden toegekend. Dit komt doordat Jehovah God, die volmaakt en heilig is, niet iemand als zijn zoon kan aanvaarden die onrein is. Op grond van Jezus’ vergoten bloed kan hij zondige mensen evenwel rechtvaardigen. De apostel Paulus verklaart hierover: „Voor hen die in eendracht met Christus Jezus zijn [is er] geen veroordeling. Want de wet van die geest welke leven geeft in eendracht met Christus Jezus, heeft u vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods.” — Rom. 8:1, 2, 33.
Aldus blijkt dat Jehovah God degenen die hij in een verhouding van zoonschap brengt, reinigt of ’baadt’. Hij ’baadt’ hen in het bloed van zijn Zoon en past ten behoeve van hen de verdienste van Jezus’ loskoopoffer toe. Door middel van dit „bad”, dat tot hun rechtvaardiging leidt, verwerven zij de status van volmaakte menselijke zonen. Dit brengt hen in de positie ’nieuw te worden gemaakt door heilige geest’, dat wil zeggen, door de geest verwekte zonen van God te worden. Zij worden een „nieuwe schepping”. — 2 Kor. 5:17.
● Toont Galáten 4:15 aan hoe christenen orgaantransplantatie dienen te bezien? — V.S.
Galáten 4:15 luidt: „Indien het mogelijk was geweest, [hadt gij] uw ogen uitgedrukt en ze aan mij gegeven.” De apostel Paulus gebruikte hier eenvoudig beeldspraak. Zó groot was de achting en genegenheid die de Galáten Paulus toedroegen dat zij bereid zouden zijn geweest alles te geven wat tot nut van henzelf was, ja, zelfs zo iets kostbaars en onmisbaars als hun ziende ogen, om hem te helpen zien. Christus maakte eveneens melding van het oog als afbeelding van iets dat met het vermogen om te zien is begiftigd toen hij zei: „Indien nu uw rechteroog u doet struikelen, ruk het uit en werp het van u weg” (Matth. 5:29). Het gebruik van het gezichtsvermogen om naar iets te kijken waardoor men zou struikelen en geestelijk zou vallen, moest worden gedood. Noch Jezus noch Paulus spraken over het onderwerp van orgaantransplantatie.