Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w72 15/2 blz. 125-127
  • „Predik het woord” — Waar en waarom?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • „Predik het woord” — Waar en waarom?
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1972
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • GUNSTIGE EN MOEILIJKE TIJDEN
  • MENSELIJKE WIJSHEID VERMIJDEN
  • UITWERKING OP MENSEN BUITEN DE GEMEENTE
  • „Volbreng uw bediening ten volle”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1984
  • Wat kan ons helpen het woord der waarheid juist te hanteren?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2003
  • 1 en 2 Timótheüs — Voortreffelijke raad voor opzieners
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1977
  • Timotheüs, brieven aan
    Hulp tot begrip van de bijbel
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1972
w72 15/2 blz. 125-127

„Predik het woord” — Waar en waarom?

HET was omstreeks het jaar 64 of 65 G.T. De apostel Paulus leed in Rome als een gevangene in ketenen. Onder deze omstandigheden schreef hij zijn laatste brief aan Timótheüs. Paulus’ doel was om Timótheüs, als een christelijke opziener, toe te rusten afvallige elementen in de gemeente te weerstaan en haar op te bouwen als een machtige „pilaar en ondersteuning van de waarheid”. — 1 Tim. 3:15; 2 Tim. 1:8, 16.

Paulus wist dat hij er niet veel langer meer zou zijn om gade te slaan hoe Timótheüs als opziener of „oudere man” voor de bediening zorg droeg. Maar God en Christus zouden er wel zijn. Daarom schreef hij: „Ik gelast u plechtig voor het aangezicht van God en Christus Jezus, die de levenden en de doden zal oordelen, en krachtens zijn manifestatie en zijn koninkrijk: Predik het woord, houd u er als met een dringende zaak mee bezig, in gunstige tijd, in moeilijke tijd, wijs terecht, berisp, vermaan, met alle lankmoedigheid en kunst van onderwijzen” (2 Tim. 4:1, 2). Waar moest Timótheüs echter ’het woord prediken’ en waarom? Wat betekende het voor hem dit te doen in „gunstige tijd” en in „moeilijke tijd”?

Door een beschouwing van de context wordt onthuld wat Paulus in gedachten had. Hij had Timótheüs eerder gewaarschuwd voor de afval die zich reeds begon te manifesteren en die te zijner tijd tot volle bloei zou komen (2 Tim. 2:14-18; 3:8-13). En na Timótheüs de aanmaning „predik het woord” te hebben gegeven, zinspeelde Paulus op mensen die zich van de waarheid zouden afkeren, dat wil zeggen afvallig zouden worden. Hij zei: „Want er zal een tijdsperiode komen dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar zich overeenkomstig hun eigen begeerten tal van leraren zullen bijeenbrengen om hun oren te laten kittelen, en zij zullen hun oren van de waarheid afwenden en daarentegen tot onware verhalen worden gekeerd.” — 2 Tim. 4:3, 4.

Uit de context blijkt dus duidelijk dat Paulus niet sprak over de prediking tot buitenstaanders, maar over de prediking binnen de gemeente door iemand die een opziener of „oudere man” was. Daarom moeten de uitdrukkingen „gunstige tijd” en „moeilijke tijd” niet een beschrijving zijn van de toestanden in de wereld, maar van die in de gemeente.

GUNSTIGE EN MOEILIJKE TIJDEN

Paulus’ brief duidt erop dat Timótheüs te worstelen had met mensen die ’streden over woorden’, zich verdiepten in „dwaze en domme twistvragen” en de waarheid „niet gunstig gezind” waren (2 Tim. 2:14, 23-25). Door de aanwezigheid van zulke personen in de gemeente zou er beslist een „moeilijke tijd” ontstaan. Door de moeilijkheden of de tegenstand van deze mensen met verkeerde neigingen binnen de gemeente zou men ertoe kunnen komen het „woord” te verwateren of de tegenstanders, door navolging van hun methoden, met gelijke munt terug te betalen. Niettemin diende Timótheüs geen menselijke filosofieën of speculaties te prediken, maar het onvervalste „woord” van God.

Timótheüs had, ongeacht of de gemeente innerlijk nu een gunstige of een moeilijke tijd doormaakte, goede redenen om ’het woord te prediken’. Zulk een prediking zou de gemeente in geestelijk opzicht sterken en tevens als barricade dienen tegen afval. Evenals Paulus vroeger tegen de oudere mannen van de gemeente Éfeze had gezegd, zou dan ook Timótheüs kunnen zeggen: „Ik . . . ben [rein] van het bloed van alle mensen, want ik heb mij er niet van weerhouden u al de raad Gods te vertellen.” — Hand. 20:26, 27.

MENSELIJKE WIJSHEID VERMIJDEN

Thans beseffen de opzieners of „oudere mannen” in de gemeenten van Jehovah’s christelijke getuigen dat zij eveneens voorbeelden moeten zijn in het ’prediken van het woord’. Daarom trachten zij het voorbeeld van de apostel Paulus na te volgen. Ofschoon hij goed onderlegd was, vermeed hij het gebruik van hoogdravende woorden en het ten toon spreiden van menselijke wijsheid met haar overredingskracht. Hoewel menselijke wijsheid of geleerdheid bij de Grieken erg in trek was, vermeed Paulus dit omdat hij niet wilde dat zijn toehoorders hun geloof zouden gronden op menselijke wijsheid, maar op Christus, terwijl het door Gods geest en kracht verder zou worden opgebouwd. — 1 Kor. 2:1-5.

Hoewel schrandere woordspelingen, listigheden, grappen en dergelijke tegenwoordig een zekere aantrekkingskracht blijken te bezitten, wordt hierdoor gewoonlijk afbreuk gedaan aan het ’prediken van het woord’. Ze hebben niets uit te staan met iets dat „door God wordt uitgedeeld in verband met geloof” (1 Tim. 1:4). Ze zijn een produkt van wereldse wijsheid.

Aangezien de opzieners of „oudere mannen” onder het gebod staan ’het woord te prediken’, beseffen zij dat zij alles wat de neiging vertoont de volle kracht van Gods boodschap of woord te verkleinen, moeten schuwen. Indien zij ontdekken dat degenen die hun lezingen aanhoren veel meer over de gebruikte illustraties spreken dan over de beginselen uit Gods Woord welke door zulke illustraties worden geleerd, brengen zij hier verandering in. Zij weten dat zij hun toewijzing ’het woord te prediken’ niet doeltreffend hebben behartigd als zij hun toehoorders op enigerlei wijze hebben verhinderd de volle mate van de belering uit de bijbel tot zich te nemen.

Niets is zo doeltreffend en krachtig in het tot activiteit aanzetten van anderen als de boodschap van de bijbel. „Want het woord [of de boodschap] van God is levend en oefent kracht uit en is scherper dan enig tweesnijdend zwaard, en het dringt zelfs zover door dat het ziel en geest, en gewrichten en hun merg scheidt, en het kan gedachten en bedoelingen van het hart onderscheiden” (Hebr. 4:12). Het „woord van God” kan zelfs de motieven van een persoon doorgronden. Het bereikt het hart en onthult of iemand werkelijk volgens de juiste beginselen leeft of de wens koestert dit te doen.

UITWERKING OP MENSEN BUITEN DE GEMEENTE

Daarom dient er bij het prediken en onderwijzen binnen de gemeente niets te worden toegelaten waardoor er afbreuk wordt gedaan aan Gods Woord. Niet datgene wat hoofdzakelijk voor de uiterlijke schijn wordt gedaan, maar de bijbelse beleringen sterken de gemeente en bouwen haar geestelijk op terwijl allen erdoor worden aangemoedigd trouw aan Jehovah God te blijven. Ook buitenstaanders worden op een heilzame wijze beïnvloed. Wanneer zij vergaderingen bezoeken waar de sprekers zich erop toeleggen onderricht uit de bijbel te geven, kunnen buitenstaanders al vlug zien dat hier iets veel waardevollers wordt uitgedeeld dan menselijke wijsheid, waardoor oprechte mensen ertoe worden gebracht te zeggen: „God is werkelijk in uw midden.” — 1 Kor. 14:25.

Aangezien deze ’prediking van het woord’ binnen de gemeente moet plaatsvinden, is het alleen maar logisch dat ditzelfde „woord” ook aan buitenstaanders wordt verklaard. Er bestaat geen enkele reden om buiten de bijbel om te gaan speculeren over zulke aangelegenheden als wat de mensen op Gods „nieuwe aarde” kunnen verwachten op het gebied van woningen en andere bezittingen, werk en amusement. Alle inlichtingen die de mensen nodig hebben om Gods goedkeuring en leven te verkrijgen, staan in de bijbel. Derhalve dienen zij te luisteren naar wat Gods Woord te zeggen heeft.

Laat onze prediking als ware christenen daarom, of deze nu binnen of buiten de gemeente geschiedt, een ’prediking van het WOORD’ zijn. Alleen zulk een prediking zal oprechte toehoorders sterken in hun beslissing getrouwe dienstknechten van Jehovah God te zijn.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen