Vragen van lezers
● In Jesaja 7:8 staat dat binnen slechts „vijfenzestig jaar” Efraïm „verbrijzeld [zou] worden zodat het geen volk meer is”. Wanneer gebeurde dit? — V.S.
Deze profetie werd uitgesproken nadat Pekah, de koning van Israël, tijdens de regering van koning Achaz Juda binnenviel (Jes. 7:1). Volgens de bijbel regeerde Pekah gedurende een periode van ongeveer twintig jaar, en in het zeventiende jaar van zijn regering, of in 762 v.G.T., werd Achaz koning (2 Kon. 15:27; 16:1). Daarom kan het niet lang na 762 v.G.T. zijn geweest dat de vijfenzestig jaren van Jesaja’s profetie begonnen te tellen. In 740 v.G.T. wierpen de Assyriërs het noordelijke koninkrijk Israël omver. Zo eindigde dit koninkrijk, met Efraïm als voornaamste stam, ongeveer twintig jaar nadat Jesaja voorzegd had dat Efraïm zou worden verbrijzeld”. Het was echter pas tijdens de regering van Esarhaddon, de koning van Assyrië, dat er een definitieve overbrenging van vreemde volkeren naar het gebied van Israël plaats vond (Ezra 4:2). Klaarblijkelijk was Efraïm door de deportatie van Israëlieten en deze definitieve overbrenging van vreemdelingen, „verbrijzeld” geworden „zodat het geen volk meer is”. Tussen de val van het noordelijke koninkrijk en Esarhaddons regering lagen nog de regeringen van de Assyrische koningen Sargon en Sanherib. Inscripties tonen aan dat Esarhaddon een tijdgenoot was van de Judese koning Manasse (die regeerde van 716 v.G.T. tot 661 v.G.T.). Gezien de tijdsruimte welke er ligt tussen de tijd dat de woorden van Jesaja 7:8 werden uitgesproken en Esarhaddons volksverhuizing, schijnt de periode van vijfenzestig jaar uit Jesaja’s profetie dus alleszins gerechtvaardigd.